Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD8514

Datum uitspraak2008-07-10
Datum gepubliceerd2008-07-24
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/1128 AW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Hoofdagent. Ontslag wegens ongeschiktheid voor zijn functie. Geen volledige opening van zaken over de precieze aard van de verhouding. Voorrang geven aan een afspraak met derden acht de Raad een ernstige fout.


Uitspraak

07/1128 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 10 januari 2007, 06/404 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Korpsbeheerder van de politieregio [politieregio] (hierna: korpsbeheerder) Datum uitspraak: 10 juli 2008 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.H.J. Miltenburg, advocaat te Heerenveen. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Benedick, werkzaam bij de politieregio [politieregio]. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende. 1.1. Appellant was sinds 1986 werkzaam bij de politie, het laatst in de functie van hoofdagent bij de politieregio [politieregio] (hierna: politieregio). 1.2. In 2003 heeft appellant vanaf mei enige maanden een seksuele relatie onderhouden met R.B., geboren in augustus 1985. 1.3. Eind mei 2004 heeft appellant, nadat hij van de ouders van R.B. had vernomen dat R.B. tegen hem aangifte wegens gedwongen seksueel verkeer zou doen, contact gezocht met zijn leidinggevende [naam leidinggevende]. 1.4. In januari 2005 heeft R.B. aangifte gedaan ter zake van - kort samengevat - door appellant gepleegde verkrachting en/of aanranding. Appellant werd op 21 februari 2005 aangehouden en verhoord. Het strafrechtelijk onderzoek met betrekking tot de aangifte is in juli 2005 geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. 1.5. Ook in januari 2005 zijn medewerkers van Bureau Intern Onderzoek van de politieregio op last van de korpsbeheerder een disciplinair onderzoek begonnen naar de gedragingen van appellant in zijn relatie met R.B. Dit onderzoek is met een rapport afgesloten op 27 april 2005. 1.6. Appellant werd per 5 april 2005 geschorst. Bij brief van 21 juli 2005 heeft de korpsbeheerder appellant meegedeeld voornemens te zijn hem met ingang van 1 september 2005 eervol ontslag te verlenen op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Nadat appellant zijn zienswijze tegen dit voornemen had ingediend, heeft de korpsbeheerder bij besluit van 13 september 2005 zijn voornemen uitgevoerd. Het bezwaar dat appellant tegen dat besluit heeft ingediend, heeft de korpsbeheerder bij besluit van 27 januari 2006 ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen aanspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 27 januari 2006 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank vastgesteld dat, volgens het onderzoek ter zitting, de kern van de reden voor de korpsbeheerder om appellant ongeschikt voor zijn functie te achten, gevormd wordt door twee gedragingen van appellant die naar het oordeel van de korpsbeheerder het hem verleende ontslag rechtvaardigen. Deze gedragingen zijn dat appellant in zijn gesprek met [naam leidinggevende] eind mei 2004 en in zijn eerste verhoor op 21 februari 2005 de vraag of hij een seksuele relatie met R.B. had gehad, ontkennend heeft beantwoord, dit aangezien appellant dat met de ouders van R.B. had afgesproken. De rechtbank heeft overwogen dat appellant beide gedragingen niet heeft betwist en geoordeeld dat met inachtneming van die gedragingen het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan. 3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende. 3.1. Voor de rechterlijke beoordeling van een ontslag op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp, als hier aan de orde, geldt als toetsingskader dat de ongeschiktheid van de ambtenaar voor de door hem beklede functie - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie zijn vereist - moet worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. 3.2. De Raad stelt vast dat appellant ook in hoger beroep niet heeft betwist dat hij beide door de rechtbank in de aangevallen uitspraak benoemde en beoordeelde gedragingen aan de dag heeft gelegd. 3.3. Appellant heeft echter volhard in het betoog dat met die gedragingen de ongeschiktheid voor zijn functie niet is gegeven, omdat hij heeft vertrouwd en mocht vertrouwen op de afspraak met de ouders van R.B. om de seksuele aard van zijn relatie met R.B. niet in zijn gesprek met [naam leidinggevende] en niet aanstonds bij zijn verhoor op 21 februari 2005 te onthullen. Met deze afspraak werd de positie van R.B. en haar ouders en ook het gezin van appellant beschermd, aldus appellant. Zodra hem bij navraag was gebleken dat de ouders tijdens het strafrechtelijk onderzoek de afspraak niet meer hadden nageleefd, heeft appellant de volle waarheid verteld en later ook aan [naam leidinggevende] zijn excuses aangeboden. 3.4. De Raad volgt appellant hierin niet. Uit zijn betoog volgt in de eerste plaats dat appellant willens en wetens aan [naam leidinggevende] niet een volledige opening van zaken heeft gegeven over de precieze aard van zijn verhouding met R.B., terwijl hij toen het vermoeden had dat R.B. tegen hem aangifte zou doen, zoals zij later heeft gedaan. Ook later heeft appellant [naam leidinggevende] niet meer opgezocht om hem de volledige waarheid te vertellen. Dat hij hierbij aan een afspraak met derden voorrang heeft gegeven, acht de Raad voor een politieambtenaar die appellant was, een ernstige fout. 3.5. Het onder 3.4 gestelde geldt ook voor het gegeven dat appellant tijdens het eerste verhoor op 21 februari 2005 aanvankelijk heeft ontkend een seksuele verhouding met R.B. te hebben gehad. Hierbij heeft appellant zich niet beroepen op het recht van een verdachte om te zwijgen. Ook bij deze gelegenheid heeft hij zich laten leiden door de afspraak met de ouders van R.B. Dit zou zelfs zo ver zijn gegaan dat appellant, naar hij op 21 juni 2005 heeft verklaard, in zijn zwijgen had volhard indien de ouders hetzelfde hadden gedaan. Ook hier had appellant beter kunnen én moeten weten. 3.6. De Raad is van oordeel dat appellant met zijn gedragingen die onder 3.4 en 3.5 aan de orde zijn gekomen, onmiskenbaar heeft laten zien dat hij niet de eigenschappen, mentaliteit en instelling heeft die van een politieambtenaar, in wiens functie het zoeken naar en vinden van de materiële waarheid een belangrijke taak is, verwacht mag en moet worden. Niet ten onrechte heeft de korpsbeheerder gesteld dat hij ten gevolge van deze gedragingen van appellant het vertrouwen in hem als politieambtenaar heeft verloren. 3.7. Wat betreft de stelling van appellant dat de korpsbeheerder hem had moeten waarschuwen en hem een verbeterkans had moeten geven voordat tot ontslag werd besloten, onderschrijft de Raad de overwegingen van de rechtbank hierover. 3.8. De Raad kan dan ook - evenals de rechtbank - niet tot de conclusie komen dat gezegd moet worden dat de korpsbeheerder niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen appellant met toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp ontslag te verlenen. Het hoger beroep van appellant slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt dus voor bevestiging in aanmerking. 4. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2008. (get.) J.G. Treffers. (get.) P.W.J. Hospel. HD