Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD8552

Datum uitspraak2008-07-04
Datum gepubliceerd2008-07-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 07/4190
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schadevergoeding voor gemaakte kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase in verband met onrechtmatige besluiten. Aansluiting bij de jurisprudentie van de civiele rechter. Kosten redelijk? Ten onrechte geen vergoeding van de interne kosten (in de vorm van inzet van eigen medewerkers van eisers bedrijf) gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad.


Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht registratienummer: AWB 07/4190 uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 4 juli 2008 inzake Hazenhof Management BV, eiseres, gevestigd te Arnhem, tegen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 24 augustus 2007. 2. Procesverloop Bij brief van 7 oktober 2003 heeft eiseres aan verweerder schadevergoeding verzocht in verband met kosten van rechtsbijstand. Bij besluit van 16 mei 2007 heeft verweerder de kosten voor rechtsbijstand gedeeltelijk vergoed. Voor het overige is de gevraagde schadevergoeding afgewezen. Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 16 mei 2007 gehandhaafd. Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 11 april 2008. Eiseres is aldaar verschenen, vertegenwoordigd door [A] en [B]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink. 3. Overwegingen Bij besluiten van 10, 11, 15, 17, 18 en 22 juni 1998 heeft verweerder aan eiseres premienota’s en bij besluiten van 15 en 22 juni 1998 boetenota’s opgelegd over de jaren 1994 tot en met 1997 wegens vermeende frauduleuze praktijken bij de betaling van reis- en verblijfskostenvergoedingen, doorbetaalde Ziektewetuitkeringen en betalingen aan zelfstandige onderaannemers. De hiertegen door eiseres gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 9 december 1998 ongegrond verklaard, waarna beroep bij de rechtbank is ingesteld. Bij uitspraak van 6 juni 2000 heeft de rechtbank laatstgenoemd besluit vernietigd. In zijn uitspraak van 20 februari 2003 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de uitspraak van de rechtbank bevestigd - in zoverre dat de vernietiging van het bestreden besluit van 9 december 1998 is bevestigd - behoudens voor zover daarbij het bestreden besluit ten aanzien van de bovenmatige onkostenvergoedingen is vernietigd. Bij brief van 7 oktober 2003 heeft eiseres verweerder verzocht om vergoeding van de als gevolg van de vernietigde besluiten geleden schade, bestaande uit de kosten van door derden verleende rechtsbijstand tijdens de bezwaarfase, de interne kosten en reiskosten. Tevens maakt eiseres aanspraak op de wettelijke rente over de hier bedoelde kosten. Het verzoek is aangevuld bij brief van 21 januari 2007. In zijn besluit van 16 mei 2007 heeft verweerder een gedeelte van de schade vergoed, te weten de kosten van Derks-Star Bussman-Hanotiau advocaten (verder te noemen: Derks), ad € 17.270,16, de kosten van de registeraccountant, ad € 10.164,68 en reiskosten, ad € 45,38, alsmede de wettelijke rente over voormelde bedragen. In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen aanleiding is de overige door eiseres verzochte schade te vergoeden. De kosten van Dirkzwager advocaten (verder te noemen: Dirkzwager), ad € 18.660,21, worden niet vergoed omdat deze kosten niet voldoen aan de in zaken als deze aan te leggen redelijkheidstoets. Verweerder acht zich niet gehouden tot vergoeding van de kosten van twee advocatenkantoren. Nu alleen Derks als gemachtigde voor eiseres is opgetreden worden enkel de kosten van dat kantoor vergoed. De door eiseres geclaimde schade wegens inzet van eigen personeel in het kader van de bezwaarprocedure tegen Uwv, ad € 63.021,00, wordt, onder verwijzing naar het ter zake geldende beleid van verweerder, niet vergoed aangezien dergelijke kosten uitsluitend voor vergoeding in aanmerking komen wanneer de werkgever, zonder bijstand van deskundige derden, zelf in de zaak heeft voorzien. Eiseres heeft het standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden. Op haar stellingen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan. De rechtbank overweegt als volgt. Nu verweerder in het bestreden besluit de onrechtmatigheid van de besluiten van 10, 11, 15, 17, 18 en 22 juni 1998 erkent, is het geschil beperkt tot de vraag of verweerder het verzoek van eiseres om vergoeding van de kosten van Dirkzwager en het verzoek om vergoeding van de interne kosten op goede gronden heeft afgewezen. Ten aanzien van de kosten van Dirkzwager Aangezien de Wet bestuurlijke voorprocedures (Stb. 2002, 55) eerst op 12 maart 2002 in werking is getreden, en het bezwaar van eiseres tegen de hierboven genoemde besluiten dateert van voor die datum, is deze regeling hier niet van toepassing. Wanneer, zoals hier het geval is, een besluit als onrechtmatig valt te kwalificeren, is verweerder verplicht de dientengevolge door eiseres geleden schade te vergoeden. Voor wat betreft de vaststelling van de schade dient te worden aangesloten bij de jurisprudentie van de civiele rechter. Daaruit kan worden afgeleid dat de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase integraal voor vergoeding in aanmerking komen, als zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de kosten daarvan redelijk zijn en behoudens voor zover geen andere wettelijke regeling geldt, die op (beperking van) vergoeding van deze kosten ziet (zie in dit verband de uitspraken van de Hoge Raad van 17 november 1989, NJ 1990/746 en 17 december 1999, NJ 2000/87) . Naar het oordeel van de rechtbank dient eiseres aannemelijk te maken dat aan bovenvermelde voorwaarden is voldaan. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat het inschakelen van Dirkzwager bij de behandeling van het bezwaar en dus ook de daarmee gepaard gaande kosten, niet als redelijk is aan te merken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het nodig was om, naast Derks, nog een tweede advocatenkantoor in te schakelen. Blijkens het verslag van hoorzitting in bezwaar was Dirkzwager de huisadvocaat van eiseres maar had dat kantoor volgens eiseres voor het voeren van de procedure tegen Uwv niet de vereiste (gespecialiseerde) deskundigheid in huis. Eiseres heeft toen Derks ingeschakeld waar de nodige specialistische kennis kennelijk wel aanwezig was. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden waarom Derks, die immers belast was met het voeren van de procedure, niet in staat was alle met deze procedure gepaard gaande werkzaamheden op een verantwoorde manier te verrichten. Daar komt nog bij dat niet inzichtelijk gemaakt is welke werkzaamheden door Dirkzwager zijn verricht en of deze aanvullend waren ten opzichte van de werkzaamheden van Derks. De stelling van eiseres dat het inschakelen van twee advocatenkantoren voor eiseres juist kostenbesparend heeft gewerkt kan de rechtbank, gelet op het vorenoverwogene, evenmin volgen. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat inschakelen van Dirkzwager niet als redelijk kon worden beschouwd. Het beroep treft in zoverre dan ook geen doel. Ten aanzien van de interne kosten Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verweerder verwezen naar beleid dat is vastgelegd in de Handleiding bij de beoordeling van verzoeken om vergoeding van de kosten rechtsbijstand in bezwaar van 14 april 2000, van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, rechtsvoorganger van verweerder (Lisv-Mededeling M2000.040), verder te noemen: de Handleiding. In dit beleid wordt -kort samengevat- voor wat betreft de bepaling van de omvang van de schadevergoeding, aansluiting gezocht bij de criteria die de Hoge Raad heeft aangelegd in zijn uitspraken van 1 juli 1993 (NJ 1995, 150) en 17 december 1999 (NJ 2000, 87). Op grond van paragraaf 5.2. van de Handleiding bestaat voor werkgevers die zelf in hun zaak hebben voorzien, de mogelijkheid tot vergoeding over te gaan van interne kosten als gevolg van inzet van de eigen medewerkers. Hierbij geldt de eis dat de geclaimde kosten aan de zaak gerelateerd, behoorlijk gespecificeerd en naar omvang aannemelijk en redelijk moeten zijn. Niet in geschil is dat medewerkers van eiseres werkzaamheden hebben verricht in het kader van de bezwaarprocedure tegen de besluiten van 10, 11, 15, 17, 18 en 22 juni 1998. In de hierboven genoemde uitspraak van 1 juli 1993 (NJ 1995, 150) heeft de Hoge Raad bepaald dat de kosten als gevolg van inzet van eigen medewerkers mede kunnen worden gerekend tot de vermogensschade die een gevolg is van het onrechtmatige besluit. Dit betekent dat deze kosten, mits redelijk, voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de hier genoemde uitspraak niet meebrengt dat de verplichting de interne kosten te vergoeden beperkt is tot die gevallen waarin verweerder zelf, dat wil zeggen zonder hulp van externe deskundigen, de bezwaarprocedure heeft afgehandeld. Een dergelijke uitleg verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met de strekking van de schadevergoedingsplicht en met het uitgangspunt dat de benadeelde de schade zoveel mogelijk dient te beperken. In het onderhavige geval acht de rechtbank, mede gelet op de aard en complexiteit van de problematiek, aannemelijk dat eiseres door inzet van deskundig eigen personeel noodzakelijke ondersteuning heeft kunnen bieden aan tevens door haar ingeschakelde deskundige derden. De rechtbank acht niet onaannemelijk dat ten gevolge hiervan de inzet van derden en dus ook de kosten daarvan, zijn beperkt. Dit brengt mee dat het beleid van verweerder zoals verwoord in paragraaf 5.2 van de Handleiding, in strijd is met voorwaarden die gelden voor vergoeding van kosten in de bezwaarfase. Het bestreden besluit kan in zoverre dan ook geen stand houden. Verweerder zal voor wat betreft het verzoek om vergoeding van de interne kosten een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. Hierbij zal verweerder zich dienen uit te laten over de vraag of deze kosten naar aard en omvang aannemelijk en redelijk zijn. Met het oog op het te nemen besluit overweegt de rechtbank tot slot dat verweerder zich daarin tevens dient uit te laten over het door eiseres gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel. Eiseres heeft daartoe verwezen naar de casus “Seaworks B.V.” waarin verweerder wel tot vergoeding van interne kosten, gemaakt tijdens de bezwaarprocedure, was overgegaan. De rechtbank overweegt in dit verband dat onvoldoende is gebleken dat de vergoeding van genoemde kosten in deze zaak berust op een vergissing. Evenmin gebleken is dat er overigens sprake is van duidelijke verschillen tussen het geval “Seaworx” en dat van eiseres. Nu het bestreden besluit genomen is in strijd met artikel 7:12 van de Awb zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, voor zover dat betrekking heeft op de weigering van verweerder de interne bedrijfskosten te vergoeden. Verweerder zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, in zoverre een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. Nu niet gebleken is van door eiseres gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing. 4. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de weigering de interne kosten van eiseres te vergoeden; bepaalt dat verweerder in zoverre een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 285 aan haar vergoedt. Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, voorzitter, mrs. L. van Gijn, en J.M. Neefe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2008 door mr. E. Klein Egelink, voornoemd als voorzitter, in tegenwoordigheid van de griffier voornoemd. De griffier, De rechter, Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Verzonden op:15 juli 2008