Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD8617

Datum uitspraak2008-06-23
Datum gepubliceerd2008-07-25
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersFA RK 05-5828 251965
Statusgepubliceerd


Indicatie

Ontkenning vaderschap juridische vader en gerechtelijke vaststelling vaderschap biologische vader afgewezen. Beslissing over juridisch vaderschap niet nemen voordat minderjarige zich daarover zelf een weloverwogen oordeel kan vormen.


Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector Familie- en Jeugdrecht Enkelvoudige Kamer Ontkenning vaderschap/ Gerechtelijke vaststelling vaderschap rekestnummer: FA RK 05-5828 zaaknummer: 251965 datum beschikking: 23 juni 2008 BESCHIKKING op het op 6 oktober 2005 ingediende verzoekschrift van: [de vrouw], wonende te [plaats], zijnde de moeder van na te noemen minderjarige, hierna te noemen: de vrouw, procureur: voorheen mr. J.G. Schnoor, thans mr. H. Polat. Als belanghebbenden worden aangemerkt: [A], wonende te [plaats], zijnde de juridische vader van na te noemen minderjarige, hierna te noemen: [A], procureur: mr. D.K.P.K. El Fadili; [B], wonende te [plaats], zijnde de biologische vader van na te noemen minderjarige, hierna te noemen: [B], advocaat: mr. J.L. Scheltens; [de minderjarige], geboren op [datum] 2005 te [plaats], wonende te [plaats], hierna te noemen: de minderjarige, in rechte vertegenwoordigd door mr. A.B. Baumgarten, advocaat te 's-Gravenhage, in de hoedanigheid van bijzonder curator over de minderjarige. Als informant wordt aangemerkt: Stichting Bureau Jeugdzorg [...], vestiging [vestiging], hierna te noemen: Bureau Jeugdzorg. PROCEDURE Bij beschikking van 13 november 2006 van deze rechtbank is - voor zover van belang en onder aanhouding van iedere verdere beslissing - de behandeling van het verzoek van de vrouw strekkende tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [A] ten aanzien van de minderjarige aangehouden tot 1 januari 2006 pro forma, teneinde de bijzonder curator in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te doen en - binnen acht weken na de datum van die beschikking - een verweerschrift (en eventueel een aanvullend verzoek) in te dienen. Op 5 januari 2007 is het verweerschrift van de bijzonder curator ingekomen. De bijzonder curator is primair van mening dat het verzoek van de vrouw dient te worden afgewezen. Subsidiair, in het geval de rechtbank het verzoek van de vrouw zal toewijzen, heeft de bijzonder curator zelfstandig verzocht het vaderschap van [B] ten aanzien van de minderjarige gerechtelijk vast te stellen. Bij faxbericht van 31 januari 2007 heeft [A] te kennen gegeven dat hij zich kan vinden in het verweerschrift van de bijzonder curator. Op 31 januari 2007 is de reactie op het verweerschrift van de bijzonder curator van de zijde van de vrouw ingekomen. Hierin heeft de vrouw - in aanvulling op het eerder door haar ingediende verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [A] - verzocht het vaderschap van [B] ten aanzien van de minderjarige gerechtelijk vast te stellen. Op 15 mei 2008 heeft de rechtbank ontvangen de brief d.d. 14 mei 2008, met bijlagen, van de zijde van [A]. Op 16 mei 2008 is ten slotte ingekomen de brief d.d. 15 mei 2008, met bijlage, van de zijde van [B]. Op 19 mei 2008 is de behandeling van de zaak ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar procureur, [A] met zijn procureur, de advocaat van [B], de bijzonder curator, alsmede mevrouw [C] en de heer [D] namens Bureau Jeugdzorg. FEITEN Bij beschikking van 6 februari 2007 van deze rechtbank is de minderjarige met ingang van voornoemde datum tot 6 februari 2008 onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg. Bij beschikking van 12 februari 2007 van deze rechtbank is de gewone verblijfplaats van de minderjarige in het kader van de echtscheidingsprocedure bij de vrouw bepaald, onder vaststelling van een omgangsregeling met [A]. Bij beschikking van 6 november 2007 van deze rechtbank is Bureau Jeugdzorg gemachtigd om de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij [A] met ingang van voornoemde datum tot 14 november 2007. Bij opvolgende beschikking van 13 november 2007 is de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij [A] verlengd van 14 november 2007 tot 6 februari 2008, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling. De ondertoezichtstelling van de minderjarige en de machtiging tot uithuisplaatsing bij [A] zijn laatstelijk verlengd van 6 februari 2008 tot 6 februari 2009. [A] heeft in een andere procedure een verzoek ingediend tot toekenning aan hem van het eenhoofdig gezag over de minderjarige en tot wijziging van de gewone verblijfplaats van de minderjarige bij hem. De inhoudelijke behandeling van deze zaak stond aanvankelijk gepland op 28 mei 2008, doch is - in afwachting van de uitkomst van de onderhavige procedure - aangehouden. BEOORDELING De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist. De bijzonder curator heeft ter onderbouwing van zijn primaire standpunt aangevoerd dat bij hem - aan de hand van de stukken en het gesprek met de vrouw - de indruk is ontstaan dat de vrouw de onderhavige procedure enkel heeft opgestart om een geslachtsnaamwijziging van de minderjarige te bewerkstelligen. Bovendien heeft de bijzonder curator, onder verwijzing naar de opgemaakte rapporten van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) en de huidige feitelijke gezinssituatie van de minderjarige, gesteld dat de belangen van de minderjarige niet zijn gediend met toewijzing van het verzoek van de vrouw tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [A]. Subsidiair, in het geval de rechtbank het verzoek van de vrouw zal toewijzen, heeft de bijzonder curator zelfstandig verzocht het vaderschap van [B] ten aanzien van de minderjarige gerechtelijk vast te stellen. In haar reactie op het verweerschrift van de bijzonder curator heeft de vrouw aangevoerd dat het haar niet gaat om een geslachtsnaamwijziging van de minderjarige, maar om een verbreking van de juridische banden tussen de minderjarige en [A]. Nu vast staat dat [A] niet de biologische vader is van de minderjarige en de relatie tussen haar en [A] problematisch is, dient haar verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [A] in het belang van de minderjarige te worden toegewezen. De vrouw heeft in dit kader nog opgemerkt dat de rapporten van de raad niet gebruikt kunnen worden in de onderhavige procedure. Nu vast staat dat [B] de verwekker van de minderjarige is en de minderjarige belang heeft bij het vestigen van een familierechtelijke band tussen haar en de biologische vader, temeer nu tussen hen sprake is van family life en op regelmatige basis omgang plaatsvindt, heeft de vrouw aanvullend verzocht het vaderschap van [B] ten aanzien van de minderjarige vast te stellen. [A] heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat hij zich kan verenigen met het verweerschrift van de bijzonder curator. Een ontkenning van zijn vaderschap en een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [B] is in zijn visie niet in het belang van de minderjarige. In het kader van de uithuisplaatsing is het bovendien van belang dat hij belast blijft met het ouderlijk gezag over de minderjarige. Een beslissing over het juridisch vaderschap dient pas te worden genomen als de minderjarige zelf daarover een weloverwogen oordeel kan vormen, aldus [A]. [B] heeft zich ten aanzien van het verzoek van de vrouw tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. In het geval de rechtbank dit verzoek zal toewijzen, is hij bereid het juridisch vaderschap op zich te nemen. In dat geval wenst hij ook de verzorging en opvoeding van de minderjarige op zich te nemen, hetgeen derhalve een wijziging van de gewone verblijfplaats van de minderjarige met zich mee zal brengen. Alvorens op de voorliggende verzoeken te beslissen is het wellicht goed een onderzoek door de raad te laten plaatsvinden naar de vraag welke gewone verblijfplaats - te weten bij de juridische dan wel de biologische vader - in het belang van de minderjarige is, waarbij ook gekeken dient te worden naar de gevolgen op de lange termijn, aldus [B]. Bureau Jeugdzorg heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat het goed gaat met de minderjarige en dat zij is ingebed in het gezin van [A]. Het is in het belang van de minderjarige om de huidige rust en structuur die zij heeft te handhaven. Het toekomstperspectief van de minderjarige ligt naar de mening van Bureau Jeugdzorg bij [A]. Het is dan ook de bedoeling om de uithuisplaatsing van de minderjarige bij [A] te continueren. Als het verzoek van de vrouw tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [A] zou worden toegewezen, zou dit echter met zich mee kunnen brengen dat de grond voor de ondertoezichtstelling - zijnde onder meer de relatie tussen de voormalige echtgenoten (de vrouw en [A]) - zou komen weg te vallen en daarmee ook de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige, hetgeen gelet op het voorgaande niet in het belang van de minderjarige is, aldus Bureau Jeugdzorg. De rechtbank overweegt als volgt. Nu de minderjarige tijdens het huwelijk van de vrouw met [A] is geboren, is [A] op grond van artikel 1:199 sub a BW de juridische vader van de minderjarige. Ingevolge artikel 1:200 lid 1 BW kan het in artikel 1:199 sub a en b BW bedoelde vaderschap - op de grond dat de man niet de biologische vader van het kind is - worden ontkend door onder meer de moeder van het kind. Zoals reeds is overwogen in voornoemde tussenbeschikking d.d. 13 november 2006 staat tussen alle partijen vast dat [A] niet de biologische vader van de minderjarige is. Het verzoek van de vrouw tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [A] is derhalve in beginsel op de wet gegrond. De rechtbank is echter van oordeel dat, mede gelet op de zeer jeugdige leeftijd van de minderjarige en gezien het feit dat niet de minderjarige zelf, maar de vrouw het initiatief tot ontkenning van het vaderschap heeft genomen, het belang van de minderjarige vergt dat een beslissing over het juridisch vaderschap pas wordt genomen wanneer de minderjarige zelf zich daarover een weloverwogen oordeel kan vormen. Het belang van de minderjarige bij het behouden van de mogelijkheid om zelf op een later tijdstip ervoor te kiezen een met de biologische werkelijkheid strijdige juridische situatie te laten voortbestaan weegt in dit geval naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan het belang van de minderjarige en de overige betrokkenen dat de juridische status van de minderjarige reeds thans in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid, zoals deze volgens alle betrokkenen is. Daarbij spelen de volgende omstandigheden een rol. De minderjarige wordt in het kader van de uithuisplaatsing verzorgd en opgevoed in het gezin van de juridische vader. Het is daarbij de bedoeling van Bureau Jeugdzorg om deze uithuisplaatsing bij de juridische vader te continueren. Daarom is het van belang dat de juridische vader belast blijft met het ouderlijk gezag over de minderjarige. De minderjarige weet dat [B] haar biologische vader is en er vindt regelmatig omgang tussen [B] en de minderjarige plaats. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [A] afwijzen. Nu het verzoek van de vrouw tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [A] zal worden afgewezen en de minderjarige derhalve reeds twee ouders heeft, zal de rechtbank het aanvullende verzoek van de vrouw tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [B] eveneens afwijzen. Op het voorwaardelijk verzoek van de bijzonder curator behoeft de rechtbank niet meer te beslissen. BESLISSING De rechtbank: wijst af de verzoeken van de vrouw. Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. Don, bijgestaan door mr. J.M.A.L. de Backer als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2008.