Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD8624

Datum uitspraak2008-07-24
Datum gepubliceerd2008-07-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/4970 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking WAO-uitkering. Ingevolge Verordening EEG 574/72 medische controles op grondgebied van lidstaat waar betrokkene woont. Taalbarrière. Juistheid medische beperkingen en indexcijfers. Overschrijding redelijke termijn.


Uitspraak

05/4970 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellante], wonende te [woonplaats], Duitsland (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juli 2005, 05/1112 (hierna: aangevallen uitspraak) in het geding tussen appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 24 juli 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. D. Grégroire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is aan de orde gesteld op de zitting van 20 maart 2008. Partijen zijn niet verschenen. II. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante, geboren in 1963, heeft laatstelijk tot 27 februari 1998 17,5 uur per week gewerkt als uitzendkracht. Op 6 juli 1998 heeft zij zich ziek gemeld met whiplashklachten. Met ingang van 5 juli 1999 is aan haar een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 31 mei 2002 is appellante verhuisd naar [woonplaats] in Duitsland. 1.2. Op verzoek van het Uwv is appellante in verband met de vijfdejaars herbeoordeling op 23 juni 2004 in Duitsland onderzocht door de arts S. Redecker-Breuer. Op basis van de uit dit onderzoek verkregen gegevens heeft de verzekeringsarts J.P.J. Gielen een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. De arbeidsdeskundige R. Hanssen heeft, na een theoretische schatting, vastgesteld dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid nihil was. Na vooraankondiging bij brief van 31 augustus 2004 is bij besluit van 2 september 2004 appellantes uitkering ingevolge de WAO met ingang van 7 oktober 2004 ingetrokken. 1.3. Naar aanleiding van het namens appellante tegen het besluit van 2 september 2004 gemaakte bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts T.J.W. Jansen informatie opgevraagd en gekregen van appellantes behandelend neuroloog J. Pasmans. De bezwaarverzekeringsarts heeft zijn bevindingen weergegeven in een verslag van 5 januari 2005. Naar zijn oordeel heeft de primaire verzekeringsarts Gielen bij het opstellen van de FML in ruime mate rekening gehouden met de fysieke en psychische beperkingen van appellante en geeft de in bezwaar verkregen medische informatie geen aanleiding de FML bij te stellen. De bezwaararbeidsdeskundige P.H.M. Dijks-Leentjens heeft vervolgens op 24 januari 2004 de arbeidskundige aspecten van de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid nader bezien en geconcludeerd dat het besluit van 2 september 2004 op arbeidskundige gronden evenmin bijstelling behoefde. 1.4. Bij besluit van 24 januari 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 september 2004 gegrond verklaard voor zover dat betrof de ingangsdatum van de intrekking en is de uitkering ingetrokken per 7 november 2004. 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, overwegende - kort gezegd - dat het bestreden besluit zowel medisch als arbeidskundig op een toereikende grondslag berust. 3. In hoger beroep is namens appellante gesteld dat het medisch onderzoek in Duitsland door dokter S. Redecker-Breuer onvoldoende zorgvuldig is uitgevoerd. Het medisch onderzoek had, zoals door appellante was verzocht, in Nederland moeten plaatsvinden gezien de taalbarrière die appellante in Duitsland ondervond. Voorts is gesteld dat de door de Duitse arts geconstateerde medische beperkingen onvoldoende zijn verwerkt in de FML en dat mede in verband daarmee de aan appellante voorgehouden voorbeeldfuncties niet geschikt zijn. Met betrekking tot het arbeidskundige aspect van de beoordeling is namens appellante aangevoerd dat er bij berekening van haar maatmanloon van onjuiste indexcijfers is uitgegaan. Tot slot heeft appellante een schadevergoeding gevraagd van € 4.000,-- wegens het feit dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden, aangezien de procedure al vier jaar duurt. 4. De Raad overweegt als volgt. 4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 51, eerste lid, van de Verordening (EEG) 574/72 vinden medische controles in het kader van de arbeidsongeschiktheidswetgeving plaats op het grondgebied van de lidstaat waar de rechthebbende woont. Het Uwv heeft derhalve overeenkomstig deze bepaling gehandeld door de medische controle te laten uitvoeren in Duitsland. Weliswaar is het mogelijk om, als betrokkene daarom verzoekt, de medische controle in Nederland uit te (laten) voeren, maar uit niets blijkt dat appellante een verzoek daartoe heeft gedaan. 4.2. Ten aanzien van de medische grondslag van de onderhavige beoordeling overweegt de Raad dat hij niet het standpunt deelt van appellante dat bij de beoordeling van de beperkingen en het opstellen van het belastbaarheidspatroon onvoldoende rekening is gehouden met de door appellante ondervonden klachten. De Raad acht de onderzoeken door de verzekeringsarts Gielen en de bezwaarverzekeringsarts Jansen niet ontoereikend of onvolledig. De bezwaarverzekeringsarts heeft de door de primaire verzekeringsarts ten aanzien van appellante vastgestelde belastbaarheid en de door appellante ondervonden medische beperkingen nader onderzocht, mede aan de hand van informatie die recentelijk op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts was verstrekt door appellantes behandelend neuroloog. De stelling van appellante dat niettemin haar beperkingen zijn onderschat, is in beroep noch in hoger beroep op enigerlei wijze medisch onderbouwd. 4.3. Het feit dat appellante, naar zij stelt, de Duitse taal destijds niet voldoende beheerste, is - wat daar ook van zij - evenmin een reden om te oordelen dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen, nu de informatie die is verschaft door de behandelend neuroloog Pasmans door de bezwaarverzekeringsarts betrokken is bij de medische beoordeling die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. 4.4. Uitgaande van de juistheid van de ten aanzien van appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad van oordeel dat appellante per datum in geding 7 november 2004 in staat moest worden geacht de haar voorgehouden, binnen die beperkingen vallende, functies te vervullen. 4.5. De Raad kan zich ook verenigen met de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat niet is aangetoond dat het Uwv bij de berekening van het voor appellante geldende maatmanloon niet de juiste indexcijfers gehanteerd heeft. Overigens zou een aanpassing van de indexcijfers ten gunste van appellante, gezien het geringe effect daarvan op het arbeidsongeschiktheidspercentage van nul, niet leiden tot indeling in enige arbeidsongeschiktheidsklasse, zodat dit feit op zichzelf geen reden zou kunnen zijn om het bestreden besluit te vernietigen. 4.6. Het hoger beroep slaagt derhalve niet. 4.7. Met betrekking tot de gestelde overschrijding van de redelijke termijn merkt de Raad het volgende op. De redelijke termijn is gaan lopen - vergelijk CRvB 4 november 2005, LJN AU5643 - op het moment dat namens appellante bezwaar is gemaakt tegen het primaire besluit van 2 september 2004, te weten op 27 september 2004. Vanaf die datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn nog geen vier jaar verstreken. De Raad is van oordeel dat daarmee de in artikel 6 van het EVRM bedoelde redelijke termijn niet is overschreden, zodat het verzoek om schadevergoeding niet kan worden ingewilligd. 5. De Raad ziet geen aanleiding om een partij te veroordelen in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. de Mooij en F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2008. (get.) M.M. van der Kade. (get.) C. de Blaeij. OA