Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD8628

Datum uitspraak2008-05-27
Datum gepubliceerd2008-07-25
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
ZaaknummersBK-06/00329
Statusgepubliceerd


Indicatie

Parkeerbelasting: In geschil is of de onderhavige naheffingsaanslag terecht is opgelegd, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord. Tweemaal zijn kosten in rekening gebracht.


Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE Sector belasting Nummer BK-06/00329 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 27 mei 2008 op het hoger beroep van de Inspecteur, de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 november 2006, nr. AWB 06/3918 PARKBL, LJN: AZ3122, betreffende na te noemen aan [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg 1.1 Aan belanghebbende is op 16 maart 2006 om 16.39 uur een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Den Haag opgelegd ten bedrage van € 48,50, bestaande uit € 1,50 aan parkeerbelasting en € 47 aan kosten. 1.2 De Inspecteur heeft het tegen de naheffingsaanslag gerichte bezwaar van belanghebbende bij zijn uitspraak op bezwaar afgewezen. 1.3 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag vernietigd en gelast dat de gemeente Den Haag het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 37 vergoedt. Loop van het geding in hoger beroep 2.1 De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft, hoewel daartoe door het Hof bij gewone brief en bij aangetekende brief in de gelegenheid gesteld, geen verweerschrift ingediend. 2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 15 april 2008, gehouden te Den Haag. Aldaar is de Inspecteur wel, doch belanghebbende niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 20 maart 2008 aan belanghebbende op het adres [a-straat 1] te [Z], onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens informatie op de website van TNT Post is de vorenbedoelde brief op 21 maart 2008 door een medewerker van TNT Post op het voormelde adres afgeleverd. Vaststaande feiten 3.1 De raad van de gemeente Den Haag heeft in zijn openbare vergadering van 24 oktober 1991 de Verordening parkeerbelastingen 1992 vastgesteld. Blijkens de inhoud van de gedingstukken zijn de Verordening en de recentste vigerende wijziging daarvan op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt. 3.2 Voor het hoger beroep gaat het Hof voor het overige op grond van de stukken van het geding uit van de feiten zoals de rechtbank deze heeft vastgesteld in haar uitspraak. Omschrijving geschil en standpunten van partijen 4.1 Tussen partijen is in geschil of de onderhavige naheffingsaanslag terecht is opgelegd, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord. 4.2 Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken. Het hoger beroep van de Inspecteur strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar. Overwegingen omtrent het geschil 5.1 Aangezien het voertuig van belanghebbende stond geparkeerd zonder geldig betaalbewijs op een plaats die door de burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag is aangewezen als parkeerplaats voor betaald parkeren, is bij de onderhavige naheffingsaanslag de verschuldigde parkeerbelasting terecht nageheven. De rechtbank heeft dit ook overwogen, maar heeft desondanks de onderhavige naheffingsaanslag geheel vernietigd. Reeds hierom is het hoger beroep gegrond en dient de uitspraak van de rechtbank te worden vernietigd. 5.2 Ingevolge het bepaalde in artikel 234, zesde lid, van de Gemeentewet worden ten aanzien van hetzelfde voertuig per aaneengesloten periode de kosten niet vaker dan eenmaal per kalenderdag in rekening gebracht. De Inspecteur neemt het standpunt in dat op het tijdstip waarop een belanghebbende zich beroept op deze bepaling wordt getoetst of zulks het geval is, waarmee hij, naar het Hof begrijpt, bedoelt dat op dat tijdstip wordt beoordeeld of belanghebbende ter zake meer dan eenmaal kosten is verschuldigd. Deze uitleg verdraagt zich niet met de duidelijke tekst van de wet. In de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling zijn geen aanwijzingen te vinden voor de door de Inspecteur aangehangen uitleg, zodat het Hof met toepassing van een grammaticale uitleg van het betreffende artikellid met de rechtbank van oordeel is dat de hier bedoelde kosten, ook in een geval als het onderhavige waarin het eerder die dag in rekening brengen van kosten ongedaan is gemaakt, niet in rekening hadden mogen worden gebracht. Proceskosten en griffierecht Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Wel dient aan belanghebbende het voor de behandeling van het beroep door de rechtbank gestorte griffierecht van € 38 te worden vergoed. De rechtbank heeft beslist dat € 37 moet worden vergoed, terwijl - zo bleek uit navraag bij de griffie van de rechtbank - belanghebbende € 38 aan griffierecht heeft betaald. Beslissing Het Gerechtshof: - vernietigt de uitspraak van de rechtbank, - vermindert de naheffingsaanslag tot op een bedrag van € 1,50, en - gelast de gemeente Den Haag aan belanghebbende een bedrag van € 38 aan griffierecht te vergoeden. Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.W. Savelbergh, P.J.J. Vonk en J.V. van Noorle Jansen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 27 mei 2008 in het openbaar uitgesproken. aangetekend aan partijen verzonden: Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd. 2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: - de naam en het adres van de indiener; - de dagtekening; - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; - de gronden van het beroep in cassatie. Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. 4 nummer BK-06/00329 uitspraak