Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD8636

Datum uitspraak2008-07-24
Datum gepubliceerd2008-07-25
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/6164 AOW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Inkomsten echtgenote. Terugvordering onverschuldigd betaalde toeslag. Verrekening. Omvang geding.


Uitspraak

06/6164 AOW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 25 september 2006, 06/1406 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb). Datum uitspraak: 24 juli 2008 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend en heeft vervolgens nog een verklaring in het geding gebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2008. Appellant is daarbij, met kennisgeving, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.N.P. Akkerman. II. OVERWEGINGEN 1.1. De Svb heeft met ingang van juni 2000 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aan appellant toegekend alsmede een toeslag krachtens die wet. Bij de vaststelling van de hoogte van de toeslag is de Svb ervan uitgegaan dat de echtgenote van appellant vanaf juni 2000 geen inkomsten uit of in verband met arbeid had. Deze aanname heeft de Svb gebaseerd op een mededeling van appellant op het aanvraagformulier voor pensioen, inhoudende dat zijn echtgenote zou stoppen met haar werk als meewerkend echtgenote bij het bereiken van de 65e verjaardag van appellant. Met ingang van januari 2005 heeft de Svb de toegekende toeslag ingetrokken, omdat de echtgenote van appellant in die maand de leeftijd van 65 jaar had bereikt. 1.2. In 2005 heeft de Svb van de Belastingdienst informatie ontvangen waaruit bleek dat de echtgenote van appellant vanaf juni 2000 tot en met december 2004 gedurende de meeste maanden inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. Nadat tijdens een ingesteld onderzoek was gebleken dat deze inkomsten daadwerkelijk door de echtgenote van appellant zijn verworven heeft de Svb bij besluit van 28 februari 2006 de aan appellant toegekende toeslag over het tijdvak van juni 2000 tot en met december 2004 herzien en nader vastgesteld. Naar aanleiding van dit besluit heeft de boekhouder van appellant op 7 maart 2006 een brief met enige vragen aan de Svb gezonden. De Svb heeft deze vragen op 4 april 2006 telefonisch beantwoord. 1.3. Bij besluit van 24 april 2006 heeft de Svb de over het tijdvak van juni 2000 tot en met december 2004 onverschuldigd betaalde toeslag tot een bedrag van € 6.446,60 van appellant teruggevorderd. Daarbij is tevens bepaald dat de vordering in maandelijkse termijnen van € 537,22 bruto verrekend zal worden met het AOW-pensioen van appellant vanaf mei 2006. Naar aanleiding van het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft de Svb bij beslissing op bezwaar van 7 juni 2006 (hierna: het bestreden besluit) het maandelijks te verrekenen bedrag nader vastgesteld op € 181,--. 2.1. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat tussen partijen in geschil is of de Svb de toeslag terecht heeft herzien over de maanden juni 2000 tot en met december 2004 en of de terugvordering van de onverschuldigd betaalde toeslag stand kan houden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de inkomsten van zijn echtgenote van invloed konden zijn op zijn recht op toeslag en dat de Svb die inkomsten terecht heeft toegerekend aan de maanden waarin die inkomsten daadwerkelijk zijn verworven. 2.2. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij niet in 2002 en evenmin nadien is benaderd door de Svb voor het aanreiken van informatie over eventuele inkomsten van zijn echtgenote. Voorts vraagt appellant zich af waarom de Svb niet eerder actie heeft ondernomen, omdat de inkomsten steeds zijn gemeld aan de Belastingdienst en er steeds een match wordt gemaakt tussen de gegevens van de Svb en de Belastingdienst. 2.3. De Svb heeft er in het verweerschrift op gewezen dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door het herzieningsbesluit van 28 februari 2006 te bespreken, terwijl het bestreden besluit slechts betrekking heeft op de terugvordering. 3.1. De Raad overweegt het volgende. 3.2. De Raad stelt voorop dat het bestreden besluit uitsluitend betrekking heeft op de terug- en invordering van de onverschuldigd aan appellant betaalde toeslag over het tijdvak van juni 2000 tot en met december 2004. De rechtbank is derhalve buiten de omvang van het geding getreden door in de aangevallen uitspraak in te gaan op de vraag of de Svb de toeslag over voornoemd tijdvak terecht heeft herzien. Voorts heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak geen overwegingen gewijd aan de terug- en invordering. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak op deze gronden voor vernietiging in aanmerking komt. 3.3. Verder merkt de Raad op dat door of namens appellant geen bezwaar is gemaakt tegen het herzieningsbesluit van 28 februari 2006, zodat dit besluit rechtens onaantastbaar is geworden. Voor zover appellant beoogd mocht hebben aan te voeren dat de door zijn boekhouder naar aanleiding van dit besluit verzonden brief van 7 maart 2006 aangemerkt moet worden als een bezwaarschrift, merkt de Raad op dat in die brief slechts vragen zijn vermeld en dat namens appellant na kennisneming van het antwoord van de Svb op de gestelde vragen - binnen de bezwaartermijn - niet duidelijk is gemaakt dat appellant enig bezwaar had tegen het herzieningsbesluit. 3.4. Doende wat de rechtbank had behoren te doen stelt de Raad vast dat tussen partijen in geschil is of de Svb terecht heeft besloten tot terugvordering van de teveel betaalde toeslag ad € 6.446,60. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Zoals hiervoor reeds is overwogen staat rechtens vast dat voornoemd bedrag onverschuldigd aan appellant is betaald. Op grond van artikel 24 van de AOW is de Svb gehouden tot terugvordering. Slechts in geval van dringende redenen is de Svb ingevolge het vierde lid van artikel 24 van de AOW bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. De door appellant in beroep en hoger beroep genoemde omstandigheden kunnen niet als zodanige redenen worden aangemerkt. Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen kunnen dringende redenen als hier bedoeld slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de -financiële en/of sociale- gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. De Raad moet evenwel constateren dat gesteld noch gebleken is dat appellant ten gevolge van de terugvordering in een noodsituatie als hiervoor bedoeld terechtkomt, zodat geen sprake is van dringende redenen op grond waarvan gedeeltelijk van terugvordering af - gezien kan worden. 3.5. Ten slotte stelt de Raad vast dat door appellant de hoogte van het nader op € 181,-- per maand vastgestelde invorderingsbedrag niet is betwist. 3.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het beroep tegen het bestreden besluit niet kan slagen, zodat dit ongegrond verklaard dient te worden. 4. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het inleidend beroep ongegrond; Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het betaalde griffierecht in hoger beroep ad € 105,-- dient te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2008. (get.) T.L. de Vries. (get.) C. de Blaeij. OA