Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD8643

Datum uitspraak2008-07-17
Datum gepubliceerd2008-07-25
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersHV 103.009.848
Statusgepubliceerd


Indicatie

Nihilstelling van de door de vader aan de moeder te betalen kinderbijdragen voor de twee kinderen zolang zij in strijd met een rechterlijke uitspraak - het eenhoofdig gezag werd - uiteindelijk - aan de moeder toegekend - bij hem verblijven. De alimentatieplicht herleeft indien en voor zover de kinderen weer bij de moeder zullen verblijven.


Uitspraak

WvR 17 juli 2008 Sector civiel recht Zaaknummer HV103.009.848/01 Zaaknummer eerste aanleg 75997 / FA RK 06-1454 GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Beschikking In de zaak in hoger beroep van: [X.], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: de man, procureur: mr. M.G. Spijker, t e g e n [Y.], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna te noemen: de man, procureur: mr. E.G.M. van Ewijk. 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 10 oktober 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 10 januari 2008, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de beschikking van het hof Arnhem van 24 februari 2004 aldus te wijzigen dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen, [zoon A.] en [zoon B.], met ingang van 30 juli 2005 op nihil zal worden gesteld, althans per zodanige datum op een zodanig bedrag, lager dan € 290,16 per kind per maand. 2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 18 februari 2008, heeft de vrouw verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 mei 2008. Bij die gelegenheid zijn de man, bijgestaan door mr. E.H.J. Plass, en de vrouw, bijgestaan door mr. M.J.M. Willems, gehoord. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - de producties, overgelegd bij het beroepschrift; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 6 september 2007; - de brief met bijlagen van mr. Van Ewijk namens de vrouw van 19 mei 2008; - het faxbericht van mr. Willems namens de vrouw van 11 juni 2008, waarin het hof namens de vrouw wordt medegedeeld dat de vrouw het door het hof ter zitting gedane voorstel met betrekking tot een door partijen te treffen regeling om principiële redenen niet kan aanvaarden. 3. De gronden van het hoger beroep Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift. 4. De beoordeling 4.1. Partijen zijn op 9 augustus 1991 in het disctrict Deben, County of Suffolk, Groot Brittanië, met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren, te weten [zoon A.], op [geboortejaar] te [geboorteplaats], en [zoon B.], op [geboortejaar] te [geboorteplaats]. Bij beschikking van 29 april 1999 heeft de rechtbank Arnhem de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 23 augustus 1999 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. 4.2. Bij beschikking van 24 februari 2004 heeft het hof Arnhem, voor zover thans van belang, bepaald dat de man met ingang van 20 augustus 2003 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [zoon A.] en [zoon B.] dient te voldoen van € 280,- per kind per maand. Deze bijdrage bedraagt op grond van de wettelijke indexering per 1 januari 2006 € 285,63 per kind per maand, per 1 januari 2007 € 290,77 per kind per maand en per 1 januari 2008 € 297,17 per kind per maand. 4.3. De man heeft in eerste aanleg verzocht voornoemde beschikking van het hof Arnhem aldus te wijzigen dat de door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [zoon A.] en [zoon B.] met ingang van 30 juli 2005 op nihil wordt gesteld. De man heeft daaraan een wijziging van omstandigheden ten grondslag gelegd. Volgens hem houdt deze wijziging van omstandigheden in dat [zoon A.] vanaf 30 juli 2005 continu bij hem verblijft en dat [zoon B.] afwisselend drie weken bij de vrouw en drie weken bij hem verblijft en voorts dat zijn draagkracht is afgenomen, omdat hij geen inkomen heeft en een studie volgt. De vrouw heeft hiertegen in eerste aanleg verweer gevoerd. 4.4. De rechtbank heeft bij beschikking waarvan beroep het verzoek van de man afgewezen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de man in strijd met rechterlijke uitspraken de kinderen bij zich heeft gehouden en dat door de vrouw ter zitting onweersproken is gesteld dat zij al veel kosten voor de kinderen heeft voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is thans sprake van een situatie die niet in het belang van de kinderen is en kan de huidige onwenselijke situatie waarbij de kinderen bij de man verblijven niet als een gewijzigde omstandigheid worden gezien die wijziging van de geldende kinderbijdrage rechtvaardigt. Ten aanzien van de draagkracht van de man is de rechtbank van oordeel dat, gelet op zijn arbeidsverleden, de verdien- capaciteit van de man op tenminste € 37.129,- bruto per jaar vastgesteld dient te worden. De keuze van de man om een studie te volgen en niet fulltime beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt is naar het oordeel van de rechtbank een eigen vrije keuze van de man. De financiële gevolgen van die keuze mogen naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet afgewenteld worden op de onderhoudsgerechtigde. De man kan zich met deze beschikking niet verenigen en hij komt hiertegen op. 4.5. De eerste grief van de man houdt in dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan het feit dat het hof Arnhem bij beschikking van 7 november 2006 bij wijze van voorlopige maatregel heeft bepaald dat de kinderen voor de duur van het onderzoek door de raad voor de kinderbescherming met ingang van 20 november 2006 om en om drie weken bij de man en drie weken bij de vrouw dienden te verblijven met in het midden een wisselweekend. Deze omgangsregeling verschilde in elk geval aanmerkelijk met de omgangsregeling die ten tijde van de vaststelling van de oorspronkelijk door de man te betalen kinderbijdrage gold, zodat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden, aldus de man. In zijn tweede grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat thans sprake zou zijn van een situatie die niet in het belang van de kinderen is en dat de huidige onwenselijke situatie niet als een gewijzigde omstandigheid kan worden gezien die wijziging van de kinderbijdrage rechtvaardigt. De man verwijst allereerst naar de gewijzigde omgangs- regeling tussen hem en de kinderen. Het verblijf van de kinderen bij de man was ten tijde van het verzoek tot nihilstelling van de kinderalimentatie in eerste aanleg al zeer fors toegenomen, hetgeen volgens de man op zich al een gewijzigde omstandigheid is. De man voert daarnaast aan dat [zoon A.] vanaf juni 2005 onafgebroken bij de man verblijft. De derde grief van de man houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de keuze van de man om een studie te volgen en om niet volledig beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt een eigen vrije keuze van de man zou zijn. De man is van mening dat hem niet verweten kan worden dat hij niet getracht heeft om een fatsoenlijk inkomen te verwerven. De man heeft naar zijn zeggen er juist blijk van gegeven allerlei werkzaamheden te accepteren, welke werkzaamheden echter werden beëindigd of niet werden voortgezet. Hij stelt dat hij de studie is gestart met het oog op de toekomst van de kinderen en vanuit een situatie waarin hij nagenoeg geen inkomen genereerde. De man stelt in zijn vierde grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat door de vrouw onweersproken zou zijn gesteld dat zij al veel kosten voor de kinderen heeft voldaan. De man is van mening dat hij die stelling van de vrouw wel degelijk heeft weersproken en dat hij tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft benadrukt dat hij de kosten voor de kinderen voor zijn rekening neemt en graag voor zijn rekening wil nemen. Het enkele feit dat de vrouw kosten ten behoeve van de kinderen zou maken zou volgens de man in redelijkheid niet tot een situatie mogen leiden dat de vrouw een vergoeding ontvangt ten behoeve van niet door haar verzorgde kinderen. De man voert tenslotte aan dat het hof Arnhem bij beschikking van 18 december 2007 heeft bepaald dat de vrouw is belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen en dat de man en de kinderen eens per veertien dagen omgang met elkaar hebben van zaterdag 9.00 uur tot zondag 20.00 uur, maar dat de kinderen pertinent weigeren om naar de vrouw te gaan. De kinderen verblijven derhalve nog altijd bij hem, aldus de man. 4.6. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de door de man afgedwongen gewijzigde situatie redelijkerwijs niet kan leiden tot een dusdanige wijziging dat zijn onderhoudsbijdrage jegens de kinderen op nihil wordt gesteld. De vrouw is overigens van mening dat ook ingeval de rechtbank rekening zou hebben gehouden met de feitelijke situatie van co-ouderschap, dit niet geresulteerd had in een wijziging van de hoogte van de kinderalimentatie. Volgens haar is de verdiencapaciteit van de man dusdanig dat ook in de periode van feitelijk co-ouderschap de man in staat dient te worden geacht een kinderbijdrage aan de vrouw te leveren. De vrouw brengt daarnaast naar voren dat duidelijk vast is komen te staan dat de man met name na het afronden van zijn studie voldoende inkomen kan verwerven waarmee hij aan zijn alimentatieplicht kan voldoen. Tevens is volgens haar duidelijk dat de man werkzaam is voor de onderneming van zijn partner en dat hij al het mogelijke heeft gedaan om “op papier” geen inkomen of vermogen te hebben op zijn naam. De vrouw brengt voorts naar voren dat de man tot op heden geen enkele bijdrage aan haar heeft voldaan ter zake van de kosten van de kinderen. Aangezien de vrouw tot op heden de kosten van de kinderen voldoet, is naar haar mening het uitgangspunt van de rechtbank dat nihilstelling van de kinderalimentatie niet aan de orde kan zijn, juist. De vrouw is tenslotte van mening dat de man slechts doet voorkomen alsof hij zich daadwerkelijk inspant om de beschikking van het hof Arnhem van 18 december 2007 na te leven. Zou de man de belangen van de kinderen daadwerkelijk voorop stellen, dan zou de man een situatie creëren voor de kinderen waarin het voor hen veilig is om naar de vrouw terug te keren, aldus de vrouw. 4.7. Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, overweegt het hof als volgt. 4.7.1. Het hof heeft in beginsel rekening te houden met de in de procedure omtrent het hoofdverblijf van de beide kinderen gegeven beschikkingen van het hof Arnhem van 7 november 2006, van 3 juli 2007 en van 18 december 2007. Bij beschikking van 7 november 2006 heeft het hof Arnhem, voor de duur van het raadsonderzoek, bepaald dat de kinderen met ingang van 20 november 2006 - gedurende periodes van zes weken – twee weken bij de man verblijven, een wissel- weekend bij de vrouw, een week bij de man, twee weken bij de vrouw, een wisselweekend bij de man en een week bij de vrouw. Bij beschikking van 3 juli 2007 heeft het hof Arnhem overwogen het in het belang van de kinderen te achten dat de vrouw belast wordt met het eenhoofdig gezag over de kinderen en dat omgang tussen de man en de kinderen plaatsvindt gedurende één weekeinde per veertien dagen. Het hof Arnhem heeft de uiteindelijke beslissingen ten aanzien hiervan aangehouden en partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de te benoemen deskundige en de aan deze te stellen vragen in het kader van forensische conflictbemiddeling. Tijdens deze forensische conflictbemiddeling diende onder meer de wijze van de overgang van de kinderen naar de vrouw en de realisatie van de omgangsregeling tussen de man en de kinderen aan bod te komen. Bij beschikking van 4 september 2007 is een forensisch mediator/deskundige benoemd. Nadat de forensische conflictbemiddeling geen resultaten bleek te hebben opgeleverd, heeft het hof Arnhem op 18 december 2007 bepaald dat de vrouw zal worden belast met het eenhoofdig gezag over [zoon A.] en [zoon B.], dat de kinderen zullen worden ingeschreven op het adres van de vrouw en dat de man omgang zal hebben met de kinderen iedere veertien dagen van zaterdag 9.00 uur tot zondag 20.00 uur. 4.7.2. Het hof stelt vast dat in de periode van 20 november 2006 tot 18 december 2007 sprake was van een wijziging van omstandigheden ten opzichte van de beschikking van het hof Arnhem van 24 februari 2004, in de zin dat [zoon A.] en [zoon B.] rechtens gedurende de helft van de tijd bij de man mochten verblijven. Feitelijk verblijft [zoon A.] sedert 30 juli 2005 en [zoon B.] sedert 12 juli 2007 onafgebroken bij de man. Ondanks voornoemde beschikkingen verblijven de kinderen derhalve nog altijd bij de man en heeft de vrouw de kinderen al geruime tijd niet gezien. De man heeft zich eerder evenmin gehouden aan de bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 29 april 1999 vastgestelde omgangsregeling en de bij beschikking van de rechtbank Arnhem van 31 maart 2006 vastgestelde zgn. co-ouderschapsregeling. Veroordelingen van de man tot naleving van voornoemde omgangsregelingen door de voorzieningenrechter in de rechtbank Roermond van respectievelijk 22 april 2005 en 17 mei 2006 hebben hierin geen verandering gebracht. De man is daarnaast blijkens de brief van het arrondissementsparket te Roermond van 17 juli 2007 bij vonnis van de politierechter van 22 juni 2007 veroordeeld wegens het ‘opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaar oud is, meermalen gepleegd’ in de periode van 2 juni 2006 tot en met 23 oktober 2006. De man heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Evenmin heeft de man ooit vrijwillig voldaan aan zijn bijdrageplicht jegens de vrouw. Het hof kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat de man volledig het recht in eigen handen neemt en, zoals eerder de rechtbank in de beschikking waarvan beroep in wezen ook al oordeelde, zich niets gelegen laat liggen aan rechterlijke uitspraken. Bovendien lijkt de man daarbij enkel zijn eigen belang voorop te stellen in plaats van het belang van de kinderen. 4.7.3. Het voorgaande neemt echter niet weg dat het hof - anders dan de rechtbank - van oordeel is dat in het kader van de kinderalimentatie de feitelijke situatie zoals deze is geweest, de doorslag dient te geven bij de beantwoording van de vraag wie van de ouders welke bijdrage dient te leveren of heeft geleverd in de kosten van verzorging en opvoeding van de beide kinderen. 4.7.4. Het hof Arnhem heeft bij beschikking van 24 februari 2004 de behoefte van de kinderen in 2003 vastgesteld op een bedrag van € 310,- per kind per maand. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt deze behoefte per 1 januari 2007 € 329,97 per kind per maand en per 1 januari 2008 € 337,23 per kind per maand. 4.7.5. Voor wat betreft de periode tot 12 juli 2007 geldt dat [zoon B.] de helft van de tijd bij de man verbleef en de helft van de tijd bij de vrouw. Voor die periode gaat het hof er voor wat betreft [zoon B.] vanuit dat het redelijk is, gezien de toen gepraktiseerde co-ouderschapsituatie, dat de man de helft van de geldende bijdrage (€ 141,54 per maand in 2005, € 142,82 per maand in 2006 en € 145,39 per maand in 2007) moet blijven voldoen. 4.7.6. Vast staat dat [zoon A.] reeds vanaf 30 juli 2005 volledig bij de man verblijft en dat hij sedertdien nauwelijks contact heeft gehad met de vrouw. Met ingang van 12 juli 2007 verblijft [zoon B.] eveneens volledig bij de man en heeft de vrouw ook hem nauwelijks meer gezien. Gelet op het voorgaande dient ervan te worden uitgegaan dat de man met betrekking tot [zoon A.] vanaf 30 juli 2005 en met betrekking tot [zoon B.] vanaf 12 juli 2007 voor een deel in voornoemde behoefte heeft voorzien. Het had voor de hand gelegen dat de man vanaf dat moment alle kosten voor zijn rekening zou hebben genomen, aangezien het de vrouw aan draagkracht ontbrak. De vrouw heeft gesteld dat, ook nadat de kinderen volledig bij de man zijn gaan wonen, zij nog kosten voor de kinderen, met name voor [zoon B.], heeft voldaan en nog altijd voldoet. Zij heeft daartoe een aantal facturen en bewijzen van betaling overgelegd. Het hof overweegt dat ouders na scheiding in beginsel naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen in de kosten van de kinderen. Zoals het hof hierna zal oordelen is de draagkracht van de man nog immer toereikend sinds de vaststelling van zijn bijdrageplicht door het hof Arnhem bij beschikking van 24 februari 2004. De vrouw was destijds, mede in aanmerking genomen de AOW-uitkering van haar huidige echtgenoot, niet in staat een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van beide kinderen te leveren. Gesteld noch gebleken is dat die situatie sedert genoemde beschikking van het hof Arnhem is gewijzigd. Voor zover er sprake is van door de vrouw voor beide kinderen betaalde kosten gedurende de voor dit geschil relevante periode (voor [zoon A.] met ingang van 4 oktober 2006 (zie hierna onder rechtsoverweging 4.8) en voor [zoon B.] met ingang van 12 juli 2007), gaat het hof ervan uit dat de man zijn toezegging, dat hij deze kosten aan de vrouw zal vergoeden, gestand zal doen (zie grief IV). 4.7.7. Voor wat betreft de toekomst overweegt het hof dat ter zitting is gebleken dat de kinderen in strijd met de beschikking van het hof Arnhem van 18 december 2007 tot op de dag van de mondelinge behandeling in hoger beroep feitelijk hun hoofdverblijf bij de man hebben gehouden. De vrouw heeft ter zitting aangekondigd maatregelen te zullen gaan nemen om de feitelijke situatie in overeenstemming te brengen met de juridische situatie (kinderen verblijf bij haar). Niet duidelijk is op welke wijze en op welk moment dit zal gaan gebeuren. Voor het hof staat evenwel vast dat zodra de feitelijke situatie in overeenstemming is gebracht met de juridische situatie en dus zodra de kinderen conform voornoemde beschikking van het hof Arnhem hun verblijf bij de vrouw hebben, de verplichting van de man tot betaling van de kinderalimentatie aan de vrouw moet herleven zonder dat daarvoor een nadere rechterlijke beslissing is vereist. 4.7.8. Ten aanzien van de draagkracht van de man overweegt het hof als volgt. De thans geldende kinderalimentatie is, zo blijkt uit de beschikking van het hof Arnhem van 24 februari 2004, gebaseerd op het fiscaal jaarloon van de man als bouwkundig calculator over 2002 van € 37.129,-. De man heeft ter zitting verklaard dat hij zijn opleiding tot bouwkostendeskundige aan de Hogeschool Arnhem Nijmegen (HAN) inmiddels heeft afgerond en dat hij is gestart met de vervolgopleiding tot kostenadviseur. Daarnaast is gebleken dat de man, in tegenstelling tot zijn stelling in zijn inleidend verzoekschrift dat zijn dienstverband bij CB [Z.] bv op 31 december 2005 is beëindigd, nog altijd werkzaamheden verricht binnen CB [Z.] bv. De man heeft ter zitting zelfs verklaard dat hij CB [Z.] bv heeft opgericht, maar dat zijn partner in plaats van hem als directeur-grootaandeelhouder vermeld staat, zodat hij niet aansprakelijk gesteld kan worden. De man heeft hiermee naar het oordeel van het hof feitelijk toegegeven dat hij zijn leven en zijn financiën zo heeft ingericht dat op hem geen enkel verhaal mogelijk is. De man heeft daarnaast ter zitting verklaard dat het verwerven van opdrachten hem steeds beter afgaat, dat hij thans zo’n twintig opdrachtgevers (architecten en ingenieurs) heeft aan wie hij adviezen met betrekking tot kosten geeft en dat van hem binnenkort een publicatie is te verwachten in een vooraanstaand vakblad. Gelet hierop en mede gelet op de door CB [Z.] bv behaalde omzet van € 40.000,- in 2007 dient de man naar het oordeel van het hof in staat te worden geacht om tenminste een inkomen te verwerven ter hoogte van zijn inkomen over 2002 van € 37.129,-. Dit geldt temeer, nu de man thans als bouwkostendeskundige beter gekwalificeerd is en geacht wordt een hoger inkomen te kunnen verwerven dan destijds als bouwkundig calculator. De man heeft ter zitting aangegeven dat hij thans 16 tot 20 uur per week werkzaam is binnen CB [Z.] bv. Voor zover de man stelt dat hij niet in staat is om meer uren te werken, omdat hij bezig is met een vervolgopleiding, gaat het hof daaraan voorbij. Zoals het ook eerder de eigen keuze van de man is geweest om zich niet langer op de arbeidsmarkt te begeven en een opleiding tot bouwkostendeskundige te volgen, is het thans de eigen keuze van de man om met een vervolgopleiding te starten, waarvan de kosten (volgens de man) maar liefst € 14.000,- bedragen en waardoor de winst van CB [Z.] bv wordt gedrukt. De man heeft immers ter zitting verklaard dat zijn opleidingskosten door CB [Z.] bv worden voldaan. Gelet op de reeds bestaande, dringende onderhoudsverplichting jegens de kinderen dient het volgen van de opleiding voor eigen rekening en risico van de man te komen. Bovendien is gebleken dat de vervolgopleiding geen dagopleiding betreft en dat de man in het kader van deze opleiding slechts eenmaal per week op donderdag van 16.00 uur tot 20.00 uur lessen volgt. Naar het oordeel van het hof valt niet in te zien waarom de man hiernaast niet fulltime werkzaamheden kan verrichten binnen CB [Z.] bv. Voor wat betreft de lasten van de man overweegt het hof dat de man in zijn inleidend verzoekschrift slechts een premie zorgverzekering van € 122,62 per maand, een door hem te betalen alimentatie voor zijn dochter [dochter C.] uit een eerder huwelijk en een premie pensioenverzekering van € 100,- per maand heeft opgevoerd. De hoogte van de premie zorgverzekering blijkt uit het door de man overgelegde giroafschrift van juni 2006. De man heeft nagelaten om een recente zorgpolis in het geding te brengen. Het hof heeft in het geheel geen gegevens tot zijn beschikking met betrekking tot de door de man opgevoerde alimentatie voor dochter [dochter C.]. Voor het hof is niet duidelijk of de man daadwerkelijk maandelijks een onderhoudsbijdrage ten behoeve van [dochter C.] voldoet, laat staan welk bedrag. Ten aanzien van de door de man opgevoerde premies pensioenverzekering merkt het hof op dat de man deze pensioen- verzekeringen heeft afgesloten nadat partijen uit elkaar zijn gegaan, en dat het hof Arnhem reeds in haar beschikking van 24 februari 2004 deze last voor wat betreft de participatie privépensioen Hooge Huys bij de bepaling van de draagkracht van de man buiten beschouwing heeft gelaten, omdat de pensioenvoorziening van de man geen hogere prioriteit heeft dan de onderhoudsverplichting van de man jegens de kinderen. Dit geldt naar het oordeel van het hof ook voor de participatie privépensioen van Reaal. Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat de man niet in staat is om de oorspronkelijke kinderbijdrage van thans € 297,17 per kind per maand aan de vrouw te voldoen, zodra de kinderen hun verblijf bij de vrouw zullen hebben. 4.8. Als ingangsdatum van de te wijzigen kinderalimentatie houdt het hof de datum van indiening van het verzoekschrift van de man in eerste aanleg aan, te weten 4 oktober 2006. Dit is de datum vanaf welke de vrouw rekening heeft kunnen en moeten houden met een wijziging in de kinderbijdragen. 4.9. Het vooroverwogene betekent naar het oordeel van het hof dat de door de man te betalen kinderalimentatie voor wat betreft [zoon A.] op nihil dient te worden gesteld over de periode met ingang van 4 oktober 2006 tot de datum van deze beschikking. Voor wat betreft [zoon B.] betekent het dat de door de man ten behoeve van hem te betalen kinderalimentatie dient te worden vastgesteld op € 142,82 per maand over de periode met ingang van 4 oktober 2006 tot en met 31 december 2006, op € 145,39 per maand over de periode met ingang van 1 januari 2007 tot 12 juli 2007 en op nihil over de periode met ingang van 12 juli 2007 tot de datum van deze beschikking. De kinderalimentatie voor beide kinderen dient voor wat betreft de periode vanaf de datum van deze beschikking uitsluitend op nihil te worden gesteld indien en voor zover de kinderen hun verblijf bij de man hebben. Zodra de kinderen hun verblijf bij de vrouw hebben, herleeft de alimentatie-verplichting van de man jegens de kinderen aldus. 5. De beslissing Het hof: vernietigt de beschikking van de rechtbank Roermond van 10 oktober 2007; en opnieuw rechtdoende: wijzigt de beschikking van het hof Arnhem van 24 februari 2004 aldus dat: - de daarbij ten laste van de man vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de thans nog minderjarige [zoon A.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats], op nihil wordt gesteld over de periode van 4 oktober 2006 tot de datum van deze beschikking; - de daarbij ten laste van de man vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de thans nog minderjarige [zoon B.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats], wordt gesteld op: • € 142,82 per maand over de periode met ingang van 4 oktober 2006 tot en met 31 december 2006; • € 145,39 per maand over de periode met ingang van 1 januari 2007 tot 12 juli 2007; • nihil over de periode met ingang van 12 juli 2007 tot de datum van deze beschikking; - de kinderbijdrage voor beide kinderen op nihil wordt gesteld met ingang van de datum van deze beschikking uitsluitend indien en voor zover zij hun hoofdverblijf bij de man houden; bepaalt dat de bij beschikking van het hof Arnhem van 24 februari 2004 vastgestelde verplichting van de man tot betaling van kinderalimentatie (inclusief de tot dan verschenen indexeringen) voor [zoon A.] en [zoon B.] aan de vrouw herleeft indien en voor zover de kinderen hun verblijf bij de vrouw zullen hebben, en derhalve zonder dat daarvoor een afzonderlijke rechterlijke beslissing is vereist; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. Pellis, Smeenk-van der Weijden en Everaars-Katerberg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 17 juli 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.