Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD8760

Datum uitspraak2008-07-25
Datum gepubliceerd2008-07-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/4368 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Niet terugkomen van eerder besluit. Heeft Uwv juiste maatstaf gehanteerd door vraag te stellen of sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden?


Uitspraak

06/4368 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 19 juni 2006, 05/1104 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 25 juli 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. K.B. Spoelstra, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 13 juni 2008, waar partijen met bericht van afwezigheid niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN 1. Bij besluit van 11 maart 2005 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld niet terug te komen van zijn beslissingen van 6 januari 2004 en 15 december 2004. Daarbij is afwijzend beslist op het verzoek van appellante om haar na afloop van de wettelijke wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toe te kennen. 2. Bij besluit van 22 juli 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. 3. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat het Uwv een juiste maatstaf heeft gehanteerd door de vraag te stellen of sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat van dergelijke feiten of omstandig-heden op grond waarvan de beslissingen van 6 januari 2004 en 15 december 2004 niet in stand kunnen blijven niet is gebleken. 4. In hoger beroep is namens appellante het standpunt herhaald dat er voldoende feiten naar voren zijn gekomen die moeten leiden tot een herziening van de eerdere beslissingen van het Uwv. 5. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. In hetgeen namens appellante is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. 6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen zodat als volgt moet worden beslist. 7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordig-heid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2008. (get.) A.T. de Kwaasteniet. (get.) W.R. de Vries. CB