Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD8804

Datum uitspraak2008-06-25
Datum gepubliceerd2008-07-29
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers383698
Statusgepubliceerd


Indicatie

De Postbank is er niet in geslaagd om aan te tonen dat eiseres haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Aangezien ook de Postbank niet weet wat er werkelijk is gebeurd, volstaat zij – noodgedwongen – met een bespreking van een aantal scenario’s die in theorie ertoe zouden hebben kunnen geleid dat de onbevoegde gebruiker buiten toedoen van eiseres kennis heeft genomen van de bij de bankpas(sen) behorende pincode(s). Daarbij meent zij afdoende te hebben beargumenteerd waarom die scenario’s onaannemelijk zijn. De Postbank meent dan ook dat de conclusie geen andere kan zijn dan dat eiseres bedoeld of onbedoeld haar pincode aan een derde heeft verstrekt, bijvoorbeeld doordat zij een (tweede) briefje met daarop haar pincodes in haar tas heeft bewaard. Naar het oordeel van de rechtbank miskent de Postbank daarmee de aard en omvang van de stelplicht en de bewijslast die op haar rust ter afwenteling van de aansprakelijkheid die ingevolge artikel 6 lid 2b van de Voorwaarden in beginsel bij haar rust. Aantonen dat een geheimhoudingsplicht is geschonden, vergt meer dan de onaannemelijkheid van het tegendeel te betogen. Het feit dat de onderhavige casus onvoldoende aanknopingspunten biedt voor positieve bewijslevering door de Postbank, komt voor haar risico en brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.


Uitspraak

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 383698 / HA ZA 07-3060 Vonnis van 25 juni 2008 in de zaak van A, wonende te ( plaats ), eiseres, procureur mr. R.P.F. Kamphuis, tegen de naamloze vennootschap POSTBANK N.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde, procureur mr. S.R. Hendriksen. Partijen zullen hierna A en de Postbank genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 31 oktober 2007 - de conclusie van antwoord - het tussenvonnis van 19 maart 2008 - het proces-verbaal van comparitie van 14 mei 2008. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. A, thans 89 jaar oud, heeft bankrekeningen bij de Postbank en de Fortis Bank (hierna: Fortis). In elk geval tot februari 2006 beschikte A ook over bij deze bankrekeningen behorende bankpassen met pincodes. 2.2. Op het gebruik van de bankrekening bij de Postbank zijn (onder meer) de Voorwaarden gebruik geld- en betaalautomaten (hierna: de Voorwaarden) van toepassing. De Voorwaarden luiden - voor zover hier van belang - als volgt: “[…] Artikel 3: Zorgplicht cliënt [...] 3.2 De PIN-code is strikt persoonlijk en niet overdraagbaar. Cliënt is ten aanzien van de hem toegekende PIN-code verplicht geheimhouding ten opzichte van een ieder, daaronder mede begrepen familieleden, huisgenoten, mederekeninghouders en gemachtigden, te betrachten en mag deze code niet op de bankpas vermelden. Indien hij enige aantekening van de PIN-code maakt, zal hij dat in zodanige vorm doen dat de PIN-code niet voor derden herkenbaar is. Niet-naleving van het in dit artikellid bepaalde leidt tot aansprakelijkheid van cliënt overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 lid 2 c sub 3. [...] Artikel 6: Aansprakelijkheid [...] 6.2 [...] b. Cliënt is gedurende de periode tot het moment van melding bij het door de bank aangegeven meldpunt aansprakelijk voor de gevolgen van onbevoegd gebruik tot een bedrag van € 150,- per bankpas. [...] c.3 De aansprakelijkheid van cliënt voor de gevolgen van onbevoegd gebruik dat plaatsvindt gedurende de periode tot het moment van melding bij het door de bank aangegeven meldpunt wordt verhoogd indien de bank kan aantonen dat de onbevoegde transactie(s) heeft (hebben) kunnen plaatsvinden doordat cliënt zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 3 lid 2 niet heeft nageleefd, tot het bedrag van de onbevoegde transacties die hebben plaatsgevonden tot het moment van melding. […] d. In geval van opzet, grove schuld of grove nalatigheid aan de zijde van cliënt is cliënt onbeperkt aansprakelijk, een en ander onverminderd de verplichting van bank om (de mogelijkheid van) schade te beperken. [...]” 2.3. Tot februari 2006 heeft A slechts sporadisch gebruik gemaakt van haar bankpassen. Met de bankpas van Fortis heeft zij van 2002 tot medio 2005 alleen geld opgenomen op vertoon van haar paspoort bij de kas van het kantoor van Fortis te Amstelveen. De laatste transactie met die pas en pincode vóór februari 2006 was op 6 december 2005 bij een geldautomaat van voornoemd kantoor. Met de bankpas en pincode van de Postbank heeft A in 2005 negen betalingen verricht, hoofdzakelijk bij de kapper. De laatste transactie vóór februari 2006 was op 23 december 2005. 2.4. Op 9 februari 2006 is A gebeld door de Postbank met de mededeling dat met haar bankpas bij geldautomaten grote bedragen van haar bankrekening bij de Postbank waren opgenomen. A heeft vervolgens ontdekt dat zij niet meer beschikte over haar bankpassen van Fortis en de Postbank. Diezelfde dag heeft A haar bankpassen laten blokkeren. Bij navraag bleek dat ook van haar bankrekening bij Fortis grote geldbedragen met haar bankpas bij geldautomaten waren opgenomen. In de periode van 4 februari 2006 tot en met 9 februari 2006 is een bedrag van in totaal € 14.650,00 opgenomen van de bankrekening bij Fortis en € 12.850,00 van de bankrekening bij de Postbank. Bij die geldopnames zijn de pincodes telkens zonder fouten ingetoetst. 2.5. A heeft bij de politie aangifte gedaan van onbevoegd gebruik van haar bankpas door (een) derde(n). 2.6. Zowel Fortis als de Postbank hebben de afzonderlijke verzoeken van A tot vergoeding van de door haar geleden schade afgewezen. 2.7. Bij onherroepelijk vonnis van 29 augustus 2007 van deze rechtbank is Fortis veroordeeld tot betaling aan A van € 14.500, zijnde de schade als gevolg van het onbevoegd gebruik van de Fortis bankpas minus € 150. 3. Het geschil 3.1. A vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van de Postbank tot betaling van € 12.700, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 9 maart 2006 en de proceskosten. 3.2. A legt aan haar vordering ten grondslag dat de zij op grond van artikel 6 lid 2b van de Voorwaarden zelf slechts tot een bedrag van € 150 per bankpas aansprakelijk is voor de gevolgen van onbevoegd gebruik. A meent daarom recht te hebben op vergoeding van de door haar geleden schade ad € 12.850 minus € 150. 3.3. De Postbank voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. Niet in geschil is dat de onder 2.4 genoemde opnames het gevolg zijn van onbevoegd gebruik. Verder heeft de Postbank ter comparitie aangegeven geen beroep (meer) te doen op opzet, grove schuld of grove nalatigheid aan de zijde van A. Uitgangspunt is dan dat de Postbank op grond van artikel 6 lid 2b van de Voorwaarden de door A geleden schade, minus een bedrag van € 150, dient te vergoeden, tenzij de Postank kan aantonen dat A de geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 3 lid 2 van de Voorwaarden heeft geschonden. Een complicerende factor daarbij is echter dat in deze procedure in het geheel niet kan worden vastgesteld hoe de onbevoegde gebruiker de bankpassen en de daarbij behorende pincodes van A heeft bemachtigd. 4.2. A heeft uitgelegd dat zij op 1 februari 2006 een vrouw, die zich valselijk voordeed als een medewerkster van de Thuiszorg, haar woning heeft laten controleren. Zij vermoedt dat bij die gelegenheid een derde haar woning is binnengeslopen en haar bankpassen uit haar portemonnee uit haar handtas in de woonkamer heeft gestolen. Deze derde heeft volgens A waarschijnlijk ook het briefje gevonden waarop zij stelt haar pincodes te hebben genoteerd. A wist zich niet meer te herinneren waar zij dat briefje had opgeborgen, maar een nicht van haar heeft het op 30 maart 2006 - dus ruim na de onbevoegde geldopnames - aangetroffen in een witte envelop, waarin verder nog een briefje van het gemeentelijke vervoerbedrijf zat. De envelop bevond zich in een brievenhouder, die weer in een kast - afgesloten, maar met de sleutel in het slot - in de huiskamer van A stond. Het betreffende briefje, dat door A als productie 1 bij dagvaarding in kopie is overgelegd, ziet er als volgt uit: A heeft ter comparitie toegelicht dat de krabbels aan de linkerzijde een steno notatie vormen van het woord “pincode”. Datzelfde geldt voor de krabbels die in de bovenste regel voor de cijferreeks “2684” staan. Onder die laatste krabbels staat de steno notatie voor “pinpas” of “giropas”, direct gevolgd door de cijferreeks met schuine strepen “104/12/485” - of “405” in plaats van “485” op het einde. Onder de cijferreeks “2684” staat “12440” en daaronder “6475”, aldus A. De rechtbank merkt daarbij nog op dat geen van beide partijen een aannemelijke relatie heeft weten te leggen tussen de bankpassen in kwestie en voornoemde de cijferreeksen “104/12/485” en “12440”. 4.3. De Postbank betwist bij gebrek aan wetenschap dat de onbevoegde gebruiker via bovenstaand briefje van de pincodes op de hoogte is geraakt. Zij wijst erop dat niet eens meer kan worden vastgesteld - aangezien banken niet op de hoogte zijn van de pincode van cliënten en A haar toenmalige pincode niet meer kan herinneren - of het briefje inderdaad de pincodes bevat van zowel de onbevoegde gebruikte Postbank- als de Fortispas. Zij acht de door A gesuggereerde gang van zaken ook onwaarschijnlijk, mede omdat het niet logisch voorkomt dat een derde van het briefje kennis heeft genomen, zonder het mee te nemen. In dat verband merkt de Postbank verder nog op dat de neef van A in het op 25 februari 2006 aan de Postbank gerichte schadeverzoek – voor de beweerde vondst van het hiervoor bedoelde briefje – had aangegeven dat A de pincode misschien ergens had opgeschreven en ergens in haar tas had bewaard. 4.4. Mocht de onbevoegde gebruiker echter inderdaad via bovenstaand briefje kennis hebben genomen van de pincodes, dan moet volgens de Postbank reeds om die reden worden geconcludeerd dat A haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Uit het feit dat de onbevoegde gebruiker met beide bankpassen geld heeft weten op te nemen zonder op enig moment een foute pincode in te toetsen, volgt dan immers al dat het briefje onvoldoende versleuteld was. 4.5. Die laatste conclusie deelt de rechtbank niet. Gelet op artikel 3 lid 2 van de Voorwaarden stond het A vrij om een aantekening van haar pincode te maken, mits in zodanige vorm dat die niet herkenbaar voor derden is. Door de wijze waarop A haar aantekening heeft gemaakt en die vervolgens heeft opgeborgen/bewaard, als vermeld in 4.2., heeft zij naar het oordeel van de rechtbank aan dat vereiste voldaan. Het enkele feit dat een derde die aantekening mogelijk toch onder ogen heeft gekregen en vervolgens een juiste relatie tussen die aantekening en de betreffende bankpas(sen) heeft gelegd, maakt dat niet anders. 4.6. Ook anderszins is de Postbank er niet in geslaagd om aan te tonen dat A haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Aangezien ook de Postbank niet weet wat er werkelijk is gebeurd, volstaat zij – noodgedwongen – met een bespreking van een aantal scenario’s die in theorie ertoe zouden hebben kunnen geleid dat de onbevoegde gebruiker buiten toedoen van A kennis heeft genomen van de bij de bankpas(sen) behorende pincode(s). Daarbij meent zij afdoende te hebben beargumenteerd waarom die scenario’s onaannemelijk zijn. Zo acht de Postbank het bijvoorbeeld onwaarschijnlijk dat de onbevoegde gebruiker de pincode(s) heeft ‘afgekeken’ bij (een) door A uitgevoerde transactie(s), aangezien de laatste transacties van A twee maanden voor het onbevoegde gebruik hebben plaatsgevonden. De Postbank meent dan ook dat de conclusie geen andere kan zijn dan dat A bedoeld of onbedoeld haar pincode aan een derde heeft verstrekt, bijvoorbeeld doordat zij een (tweede) briefje met daarop haar pincodes in haar tas heeft bewaard. 4.7. Naar het oordeel van de rechtbank miskent de Postbank daarmee de aard en omvang van de stelplicht en de bewijslast die op haar rust ter afwenteling van de aansprakelijkheid die ingevolge artikel 6 lid 2b van de Voorwaarden in beginsel bij haar rust. Aantonen dat een geheimhoudingsplicht is geschonden, vergt meer dan de onaannemelijkheid van het tegendeel te betogen, wat er ook zij van de onderbouwing daarvan. Het feit dat de onderhavige casus onvoldoende aanknopingspunten biedt voor positieve bewijslevering door de Postbank, zoals zij zelf ter comparitie heeft aangegeven, komt voor haar risico en brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. 4.8. Ook het subsidiaire beroep van de Postbank op eigen schuld van A faalt. Niet kan immers worden vastgesteld hoe de schade heeft kunnen ontstaan, dus evenmin in hoeverre die (deels) het gevolg is geweest van een aan A toe te rekenen omstandigheid. De vordering zal dan ook in zijn geheel worden toegewezen. 4.9. Postbank zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van A worden begroot op: - dagvaarding EUR 84,31 - vast recht 303,00 - salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00) Totaal EUR 1.291,31 5. De beslissing De rechtbank 5.1. veroordeelt Postbank om aan A te betalen een bedrag van EUR 12.700,00 (twaalfduizendzevenhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 9 maart 2006 tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt Postbank in de proceskosten, aan de zijde van A tot op heden begroot op EUR 1.291,31, 5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S.F. van Merwijk en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2008.?