Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD8829

Datum uitspraak2008-07-22
Datum gepubliceerd2008-08-04
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/3530 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Leefvorm: weigering meewerken aan huisbezoek. Op grond van de gegevens kan niet redelijkerwijs worden getwijfeld aan de juistheid van de door betrokkene over zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen. Geen grond voor huisbezoek.


Uitspraak

07/3530 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 januari 2007, 06/4518 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College) Datum uitspraak: 22 juli 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M. de Boorder, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Boorder. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant ontving vanaf 1985 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. In verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd is de bijstand met ingang van 1 april 2004 beëindigd. Vervolgens ontving appellant met ingang van 1 april 2004 bijstand in aanvulling op zijn ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet. Het College is hierbij ervan uitgegaan dat appellant alleenstaande is en heeft appellant een toeslag van 20% toegekend op de grond dat hij de noodzakelijke kosten niet met een ander kan delen. 1.2. In het kader van een heronderzoek is besloten op het adres waar appellant woonachtig is, [adres] te [woonplaats], op 7 februari 2006 een huisbezoek af te leggen omdat het vermoeden bestond dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde. Appellant heeft geweigerd daaraan zijn medewerking te verlenen. 1.3. Daarin heeft het College aanleiding gezien om bij besluit van 8 februari 2006 de bijstand van appellant met ingang van 7 februari 2006 in te trekken. Het College heeft daarbij overwogen dat appellant geen inlichtingen heeft verschaft omtrent zijn woon- en leefsituatie zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. 1.4. Bij besluit van 12 mei 2006 heeft het College, voor zover hier van belang, het tegen het besluit van 8 februari 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft bij de thans aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 12 mei 2006 ongegrond verklaard. 3. Appellant zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Artikel 17, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) bepaalt voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan het college desgevraagd medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB. Indien de belanghebbende deze inlichtingen-/medewerkingsverplichting niet of niet in voldoende mate nakomt, en wanneer als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB worden ingetrokken. 4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 1 mei 2001, LJN ZB9247, de uitspraak van 3 september 2003, LJN AF3007, en de uitspraak van 11 april 2007, LJN BA2436) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is sprake indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid van de door betrokkene over zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen. 4.3. De Raad is van oordeel dat een in het geval van appellant van een zodanige grond voor het afleggen van een huisbezoek geen sprake was. De Raad heeft daarbij het volgende laten wegen. 4.4. In een rapport van januari 2006, opgesteld in het kader van een heronderzoek, is vermeld dat op het adres van appellant sinds 1983 ook [S.] woonachtig is, dat blijkens een rapport van 18 september 2003 er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding, dat volgens ditzelfde rapport op het adres van appellant ook [Z.] woonachtig is en dat in januari 2006 is geconstateerd deze laatste er thans niet meer woont. 4.5. Vervolgens is op 7 februari 2006 om 08.00 uur getracht bij appellant een huisbezoek af te leggen. Uit het hiervan opgemaakte rapport van 7 februari 2006 is af te leiden dat appellant de betreffende controleurs via de intercom te woord heeft gestaan en dat hij hen niet tot zijn woning heeft toegelaten omdat hij zijn privacy wilde bewaren en last had van migraine. De betreffende ambtenaren hebben daarop een registratieformulier bij appellant in de brievenbus gedaan met daarop de mededeling dat appellant niet meewerkt aan een huisbezoek. Voorts is daarin vermeld: “U dient mij vandaag voor 09.00 te bellen. Neemt u geen contact op wordt uw uitkering beëindigd.”. Geconstateerd is dat appellant die dag niet voor 09.00 uur contact heeft opgenomen, waarop het College de bijstand van appellant heeft ingetrokken. 4.6. Blijkens het rapport van 18 september 2003 - opgesteld naar aanleiding van een door appellant ingediende aanvraag om bijzondere bijstand - zijn volgens de gegevens van de GBA op het adres [adres] nog twee personen woonachtig, te weten [S.] en [Z.], doch bestaat er tussen appellant en deze twee personen geen relatie. Voorts is in dit rapport vermeld dat appellant binnen het pand [adres] beschikt over een zelfstandige woonruimte, waar hij alleen woont. Hierbij is verwezen naar informatie inzake de aan appellant verleende huursubsidie. 4.7. Bij het College was vanaf het begin van de bijstandverlening aan appellant, 1985, bekend dat [S.] ook op genoemd adres stond ingeschreven. Voorts was het College ermee bekend hoe het pand [adres] feitelijk werd bewoond. De enige wijziging ten opzichte van de door het College in 2003 beoordeelde situatie was gelegen in het feit dat [Z.] in januari 2006 niet meer op het adres [adres] stond ingeschreven. 4.8. Naar het oordeel van de Raad kan op grond hiervan evenwel niet redelijkerwijs worden getwijfeld aan de juistheid van de door appellant over zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen. Ook overigens blijken uit de gedingstukken geen concrete objectieve feiten of omstandigheden op grond waarvan sprake zou kunnen zijn van het voeren van een gezamenlijke huishouding door appellant. 4.9. Indien het College het vermoeden had dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding, had moeten worden bezien of gebruik had kunnen worden gemaakt van voor appellant minder ingrijpende onderzoeksmiddelen dan een huisbezoek. Het College had in dit verband onder meer contact kunnen opnemen met de Sociale Verzekeringsbank, die appellant na een onderzoek van diens woon- en leefsituatie met ingang van 1 april 2004 een ouderdomspensioen naar de norm van een alleenstaande heeft toegekend. 4.10. De Raad komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat appellant niet kan worden tegengeworpen dat hij zijn medewerking aan het huisbezoek heeft geweigerd. 4.11. Het voorgaande betekent dat er geen sprake is van schending van de op appellant rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting, zodat het College niet bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 7 februari 2006 in te trekken. 4.12. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 12 mei 2006, voor zover hierbij is beslist op het bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2006, wegens strijd met de wet vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding om, zelf in de zaak voorziend, het besluit van 8 februari 2006 te herroepen, nu dit besluit berust op dezelfde ondeugdelijk gebleken grondslag en niet aannemelijk is dat dit gebrek alsnog kan worden hersteld. 5. De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep gegrond; Vernietigt het besluit van 12 mei 2006 voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2006 ongegrond is verklaard; Herroept het besluit van 8 februari 2006; Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage; Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2008. (get.) Th.C. van Sloten. (get.) W. Altenaar. AR