Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD8837

Datum uitspraak2008-07-29
Datum gepubliceerd2008-07-31
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/1842 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geen duidelijkheid verschaft over feitelijke woonsituatie waardoor recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Schending inlichtingenverplichting.


Uitspraak

07/1842 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 februari 2007, 06/1740 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein (hierna: College) Datum uitspraak: 29 juli 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. drs. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.K. Jap-A-Joe, kantoorgenoot van mr. drs. Boumanjal. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.B. Scholten, werkzaam bij de gemeente IJsselstein. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Op 23 augustus 2005 heeft appellant bij het College een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd. 1.2. Appellant heeft in een bij zijn aanvraagformulier gevoegde schriftelijke toelichting verklaard dat hij bij zijn broer inwoont, aldaar op een matras slaapt die meestal bij de kinderen op de kamer ligt en, behalve wat kleding, geen bezittingen heeft waaruit blijkt dat hij op het adres van zijn broer woont. In het kader van de aanvraag is vervolgens een onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant waarbij medewerkers van de gemeente IJsselstein een drietal onaangekondigde huisbezoeken hebben afgelegd op het door appellant opgegeven adres [adres] te [plaatsnaam]. Blijkens het rapport van 1 november 2005 vertelde de broer van appellant bij het huisbezoek op 24 oktober 2005 dat appellant niet thuis was. Het tweede huisbezoek was op 31 oktober 2005 waarbij de deur niet is geopend. Bij het derde huisbezoek op 1 november 2005 heeft de broer van appellant opengedaan en ook toen is appellant niet aangetroffen en kregen de medewerkers van de gemeente geen toegang tot de woning, aldus het rapport. 1.3. Bij besluit van 2 november 2005 heeft het College de aanvraag om bijstand afgewezen. 1.4. Bij besluit van 7 maart 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 2 november 2005 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn woonsituatie waardoor zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 maart 2006 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. 3. De Raad overweegt het volgende. 3.1. De door de Raad te beoordelen periode strekt zich uit van 23 augustus 2005 tot en met de datum van het primaire besluit (2 november 2005). 3.2. De vraag waar iemand woont dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verschaffen, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de vaststelling van het recht op bijstand. 3.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat appellant geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijke woonsituatie. Daarbij kent de Raad betekenis toe aan hetgeen appellant bij zijn aanvraag zelf over zijn woonsituatie heeft verklaard. Hierdoor ontstond gerechtvaardigde twijfel of appellant destijds daadwerkelijk op dat adres woonachtig was. De Raad is van oordeel dat het op de weg van appellant lag de twijfel over zijn woonadres weg te nemen. Het College heeft bij de drie afgelegde huisbezoeken de feitelijke woonsituatie van appellant echter niet kunnen verifiëren. Dat de medewerkers van de gemeente niet op het adres zijn binnengelaten door de broer van appellant komt naar het oordeel van de Raad voor rekening en risico van appellant. 3.4. Hetgeen appellant onder verwijzing naar zijn inschrijving op het adres [adres], de brief van 3 november 2005 waarin de verhuurder van de woning de broer van appellant vanaf die datum toestaat dat appellant tijdelijk bij hem inwoont en de schriftelijke verklaring van zijn broer heeft aangevoerd doet aan het vorenstaande geen afbreuk aangezien de feitelijke woonsituatie van doorslaggevende betekenis is. Hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd leidt de Raad evenmin tot een ander oordeel. 3.5. Op grond van het voorgaande komt de Raad tot de conclusie dat appellant in strijd met de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft omtrent zijn woonsituatie en dat als gevolg daarvan zijn recht op bijstand ten tijde in geding niet kan worden vastgesteld. Dit betekent dat het College de afwijzing van de aanvraag van 23 augustus 2005 terecht heeft gehandhaafd. 3.6. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking. 3.7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2008. (get.) Th.C. van Sloten. (get.) N.L.E.M. Bynoe. AR