Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD8921

Datum uitspraak2008-07-30
Datum gepubliceerd2008-07-30
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800244/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 17 maart 2004 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie) (hierna: de minister) de aan [appellante] over het tijdvak van 1 juli 2000 tot 1 juli 2001 toegekende huursubsidie ad € 2.194,48 herzien en vastgesteld op € 359,39 en besloten de over dit tijdvak uitbetaalde subsidie ten bedrage van € 1.835,09 terug te vorderen.


Uitspraak

200800244/1. Datum uitspraak: 30 juli 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak nr. 07/333 van de rechtbank Maastricht van 6 december 2007 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie). 1. Procesverloop Bij besluit van 17 maart 2004 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie) (hierna: de minister) de aan [appellante] over het tijdvak van 1 juli 2000 tot 1 juli 2001 toegekende huursubsidie ad € 2.194,48 herzien en vastgesteld op € 359,39 en besloten de over dit tijdvak uitbetaalde subsidie ten bedrage van € 1.835,09 terug te vorderen. Bij besluit van 26 juli 2006 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 december 2007, verzonden op 6 december 2007, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 januari 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 6 juni 2008. De minister heeft een verweerschrift ingediend. [appellante] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juli 2008, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. J.C.A. Stevens, advocaat te Den Haag, is verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Bij de wet van 23 juni 2005 tot wijziging van een aantal wetten in verband met de invoering van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Aanpassingswet Algemene inkomensafhankelijke regelingen; Stb. 2005, 343), zijn onder meer de artikelen 33 en 36 van de Huursubsidiewet (hierna: Hsw) komen te vervallen. De wijzigingswet is met ingang van 1 september 2005 van kracht en geldt voor subsidietijdvakken, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Nu het subsidietijdvak waarop het in bezwaar gehandhaafde besluit van 17 maart 2004 ziet, vóór 1 januari 2006 is aangevangen, zijn de oude bepalingen van toepassing. Ingevolge artikel 33, eerste lid, van de Hsw zijn de huurder en de medebewoners verplicht uit eigen beweging aan de minister onmiddellijk alle inlichtingen te verstrekken waarover zij redelijkerwijs kunnen beschikken, en die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van de huursubsidie. Ingevolge artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, kan de minister de toekenning herzien, als huursubsidie is toegekend in afwijking van deze wet of de daarop berustende bepalingen. Ingevolge artikel 36, tweede lid, aanhef en onder a en c, kan aan een besluit als bedoeld in het eerste lid van dit artikel terugwerkende kracht worden verleend over ten hoogste vijf subsidietijdvakken, voorafgaande aan het lopende subsidietijdvak als de door de huurder of de medebewoners verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn geweest, dat een ander besluit zou zijn genomen indien de juiste of volledige gegevens bij de minister bekend zouden zijn geweest of als de huurder redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de huursubsidie ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Ingevolge artikel 36, derde lid, kan als het eerste lid toepassing vindt de ten onrechte of te veel uitbetaalde huursubsidie van de huurder worden teruggevorderd, of worden verrekend met aanspraken op huursubsidie van de huurder. De minister stelt de hoogte van het terug te vorderen of te verrekenen bedrag en de wijze van terugvordering of verrekening vast. 2.2. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft de minister ten grondslag gelegd dat bij de berekening van de aan [appellante] toegekende huursubsidie aanvankelijk een onjuist inkomen is gehanteerd. Bij besluit van 21 augustus 2000 is huursubsidie toegekend op basis van een rekeninkomen over 1999 van € 0,00. Na controle van de inkomensgegevens is evenwel gebleken dat het inkomen over 1999 € 14.727,00 bedraagt. Naar aanleiding van deze nieuwe inkomensgegevens van de Belastingdienst heeft de minister bij besluit van 17 maart 2004 de toekenning van huursubsidie over het subsidietijdvak van 1 juli 2000 tot 1 juli 2001 herzien en de te veel betaalde huursubsidie teruggevorderd. [appellante] heeft het aanvraagformulier ondertekend en daarmee heeft zij aangegeven dat zij de eventueel ten onrechte ontvangen huursubsidie zal terugbetalen. Zij had volgens de minister eerder kunnen aangeven dat het inkomen niet juist was naar aanleiding van het huursubsidiebericht of het besluit van 21 augustus 2000. 2.3. [appellante] komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten het recht op huursubsidie over de periode van 1 juli 2000 tot 1 juli 2001 te herzien en de teveel betaalde huursubsidie van haar terug te vorderen. [appellante] betoogt hiertoe in de eerste plaats dat de jaaropgave van 1999 niet valselijk is ingevuld. 2.3.1. Dit betoog faalt. Dat [appellante] de jaaropgave van 1999 niet valselijk heeft ingevuld, doet niet af aan de omstandigheid dat bij besluit van 21 augustus 2000, waarbij huursubsidie is toegekend voor het subsidietijdvak van 1 juli 2000 tot 1 juli 2001, een onjuist inkomen als uitgangspunt is gehanteerd, waardoor te veel huursubsidie is toegekend. [appellante] is ingevolge artikel 33, eerste lid, van de Hsw verplicht uit eigen beweging onmiddellijk de gegevens die van belang zijn voor de vaststelling van de huursubsidie ter beschikking te stellen. Het was dan ook aan [appellante] om, naar aanleiding van het huursubsidiebericht of het besluit van 21 augustus 2000, waarin het inkomen is vermeld dat op dat moment bij de minister bekend was, de juiste gegevens aan de minister ter beschikking te stellen. 2.4. Voorts stelt [appellante] zich op het standpunt dat de terugvordering is verjaard vanwege het tijdsverloop tussen 1999 en september 2004. 2.4.1. Dit betoog slaagt evenmin. Bij besluit van 21 augustus 2000 is huursubsidie over het subsidietijdvak van 1 juli 2000 tot 1 juli 2001 toegekend. Het besluit tot herziening van de toekenning van de huursubsidie over het betreffende subsidietijdvak dateert van 17 maart 2004. Hiermee is de minister bij de nadere vaststelling van de huursubsidie over het subsidietijdvak van 1 juli 2000 tot 1 juli 2001 gebleven binnen de wettelijk gestelde termijn van vijf subsidietijdvakken. 2.5. [appellante] voert tot slot aan dat de rechtbank ten onrechte zonder enige motivering aan de slechte levensomstandigheden en financiële positie van [appellante] voorbij is gegaan. 2.5.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister in de levensomstandigheden en de financiële positie van [appellante] geen aanleiding heeft hoeven zien om van de terugvordering van het bedrag van € 1.835,09 af te zien. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de minister, zoals ook ter zitting bij de Afdeling bevestigd, bij de vaststelling van de hoogte van de maandelijkse termijnen ter aflossing van dat bedrag met de actuele financiële situatie van [appellante] rekening houdt. Gelet hierop is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat er geen redenen voor de minister waren om af te zien van gebruikmaking van zijn bevoegdheid het ten onrechte uitgekeerde bedrag terug te vorderen. 2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat. w.g. Troostwijk w.g. De Leeuw-van Zanten lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2008 97-581.