Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD8981

Datum uitspraak2008-07-24
Datum gepubliceerd2008-07-30
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers93266 / HA RK 08-39
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afwijzing van een verzoek om een voorlopig deskundigenbericht wegens een zwaarwegend belang van verweerders


Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN Sector Civiel – Afdeling Handel zaaknummer / rekestnummer: 93266 / HA RK 08-39 Beschikking van 24 juli 2008 in de zaak van de stichting STICHTING GELRE ZIEKENHUIZEN, gevestigd te Apeldoorn, verweerster, procureur mr. P.C.L. van Breemen, advocaat mr. R. van Dijk (voorheen: mr. J.J.W. Remme) te Utrecht, tegen 1. [verzoeker 1], 2. [verzoeker 2], handelende voor zichzelf alsmede in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van hun minderjarige kind [naam kind verzoekers], wonende te Apeldoorn, verzoekers, procureur mr. J.H. Stam, advocaat mr. E. Wytema te Amsterdam. Partijen worden hierna mede aangeduid als het Ziekenhuis en [verzoekers]. 1. Het verloop van de procedure. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift - het verweerschrift - de mondelinge behandeling ter terechtzitting van 10 juli 2008, waarvan aantekening is gehouden. 2. De feiten 2.1. Door bij het Ziekenhuis werkzame artsen en verpleegkundigen is in de nacht van 25 op 26 december 2003 een bevalling begeleid van verzoekster sub 1. In deze nacht is [naam kind verzoekers] (hierna: [naam kind verzoekers]) met een spoedsectio ter wereld gekomen. [naam kind verzoekers] heeft een ernstige hersenbeschadiging, is meervoudig gehandicapt en behoeft intensieve verzorging. 2.2. Bij beschikking van 9 mei 2006 (rekestnummer 76057 / HA RK 06-07) heeft de rechtbank op verzoek van [verzoekers] een voorlopig deskundigenbericht gelast, met benoeming van prof. dr. H.H.H. Kanhai, als gynaecoloog verbonden aan het Leids Universitair Medisch Centrum, tot deskundige. Bij schrijven van 5 juli 2007 heeft prof. dr. Kanhai de definitieve versie van het deskundigenbericht ter griffie van de rechtbank gedeponeerd (productie IV bij het verzoekschrift). Daarin is onder meer vermeld: “Slotopmerkingen: de ernstige perinatale asfyxie bij de zoon van mevrouw en meneer [verzoekers] is een direct gevolg van de solutio placentae. Gezien het ernstig gestoorde neonatale beloop en de ernstige handicap bij het kind bestaat er een relatie met de perinatale asfyxie. Het is aannemelijk dat eerder ingrijpen door middel van een sectio caesarea de ernst van de perinatale asfyxie in gunstige zin zou hebben beïnvloed. Achteraf gezien is het zeer waarschijnlijk dat de foetale nood leidend tot perinatale asfyxie is ontstaan ergens na het breken van de vliezen. Helaas was de kwaliteit van de (inwendige) CTG registratie onvoldoende om de aard en de ernst van de foetale nood te beoordelen en is er geen MBO (micro-bloed gas analyse) verricht om de situatie te objectiveren.” 2.2. Naar aanleiding van een vraag c.q. opmerking van het Ziekenhuis aan prof. dr. Kanhai die betrekking heeft op de bevindingen van kinderarts Bakker, die na de geboorte van [naam kind verzoekers] bij diens geneeskundige behandeling betrokken is geweest, heeft prof. dr. Kanhai bij brief van 5 juli 2007, die onderdeel uitmaakt van zijn deskundigenbericht, geantwoord: “Ik heb mij als perinatoloog/obstretricus bezig gehouden met de vragen zoals die mij gesteld zijn door de Rechtbank. Ik acht het niet raadzaam om in te gaan op opmerkingen die een kinderarts of patholoog-anatoom in deze zaak maken. Ik laat graag de opmerkingen van de kinderarts en de patholoog anatoom voor hun rekening en buiten mijn expertise (ondermeer op basis van de vragen van de rechtbank). (…)” 2.3. In een verslag van dr. C.E. Essed, patholoog anatoom bij het Ziekenhuis, is als conclusie vermeld (productie V bij het verzoekschrift): “Placenta met een nettogewicht van 540 gram met diffuus een chorangiose en met retroplacentair recente kleine haematomen met tekenen van uteroplacentaire circulatiestoornissen en infarceringen. Tevens tekenen van asfyxie.” 2.4. In een verslag van de aan het Ziekenhuis verbonden kinderarts C.M. Bakker is onder meer vermeld (productie VI bij het verzoekschrift): “Overweging: klinisch was er geen duidelijke aanwijzing voor solutio placentae, wellicht is er toch sprake geweest van een chronisch intermitterende placenta-insufficiëntie met hierbovenop een acute partiële solutio. Hierbij zou ook kunnen passen het beeld van thalami afwijkingen, in combinatie met de op de MRI duidelijke multicysteuze leucomalacie. (…) Zoals moge blijken uit de bijgevoegde correspondentie in copie, werd [naam kind verzoekers] een aantal keren heropgenomen. Dit was steeds nodig in verband met onrust, ontroostbaar huilen en secundair hieraan voedingsproblemen. (…)” 3. Het verzoek 3.1. Het Ziekenhuis heeft verzocht om een voorlopig deskundigenonderzoek te gelasten met benoeming van dr. Groenendaal tot deskundige. 3.2. Het ziekenhuis heeft aan haar verzoek, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de navolgende stellingen ten grondslag gelegd. De bevindingen van de patholoog dr. C.E .Essed en de kinderarts C.M. Bakker duiden volgens het Ziekenhuis op langer bij [naam kind verzoekers] bestaande uteroplacentaire circulatiestoornissen als resultaat van een minder goede zuurstofvoorziening die al enige dagen voor de bevalling zou hebben bestaan. Het debat tussen partijen is niet afgerond en een aantal vragen die voor de juridische beoordeling van de onderhavige casus van belang zijn, zijn nog onbeantwoord. Het Ziekenhuis acht het aangewezen dat de rechtbank een deskundige op het terrein van de neonatologie zal benoemen ter beantwoording van de door het ziekenhuis geformuleerde vragen. Het Ziekenhuis heeft belang bij een voorlopig bericht van een deskundige op het terrein van de neonatologie omdat zij rekening houdt met het feit dat zij door [verzoekers] in rechte zal worden betrokken zodat behoefte bestaat, ter ondersteuning van haar stellingen, een deskundige te raadplegen. 4. Het verweer 4.1. [verzoekers] hebben geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek tot uitvaardiging van een bevel tot een voorlopig deskundigenbericht. 4.2. [verzoekers] voeren in hun verweerschrift de navolgende verweren aan. Een onderzoek door een neonatoloog levert geen enkele bijdrage aan de discussie die tussen partijen in de medische aansprakelijkheidszaak wordt gevoerd. Het deskundigenbericht van prof. dr. Kanhai biedt aanknopingspunten voor de stelling dat de betrokken hulpverleners niet hebben gehandeld zoals van redelijk handelend hulpverleners verwacht mag worden. Het is niet relevant of er sprake was van een a-typisch verlopen placentaloslating of een al langer bestaande placenta insufficiëntie of uteroplacentaire circulatiestoornissen, aangezien kort voor de bevalling om 02.45 uur de foetale conditie van [naam kind verzoekers] nog goed was. Als de arts-assistent vanaf dat moment actief zou hebben gehandeld, zou eerder een besluit zijn genomen tot het verrichten van een spoedsectio en zou de hersenbeschadiging van [naam kind verzoekers] dan achterwege zijn gebleven. Een exacte vaststelling van de precieze oorzaak van de complicaties is dus ook niet relevant. Evenmin is de exacte oorzaak van de aard van de placentaproblematiek relevant voor de beoordeling van het causaal verband tussen de gestelde normschending en de schade. Bij aankomst in het ziekenhuis om 01.00 uur was er sprake van duidelijk waarneembare symptomatiek die in de richting wees van een placentaloslating, te weten ruim vaginaal bloedverlies. Voor de beoordeling van het causaal verband is de aard van de placentaproblematiek niet van belang. Een deskundige zal geen uitspraak kunnen doen over de vraag of er sprake was van een placenta-insufficiëntie en zo ja, wat de gevolgen daarvan op de ontwikkeling van de foetus zijn geweest, laat staan dat iets te zeggen valt over het tijdstip waarop er sprake was van een (steeds meer) loszittende placenta. Bovendien zijn dit soort speculatieve uitspraken ontleend aan de mededeling van een kinderarts die zelf niet bij de geboorte betrokken was, zelf niet getuige was van het klinische beloop van de baring en afgaat op de mededeling van, moet worden aangenomen, de behandelende gynaecoloog. [verzoekers] betwisten tevens de conclusie van de patholoog- anatoom die de placenta heeft onderzocht. Het Ziekenhuis stelt de verkeerde deskundige voor en heeft niet ter zake doende, althans niet te beantwoorden, vragen geformuleerd. Het Ziekenhuis wil de casus voorleggen aan een neonatoloog, in deze zaak gaat het echter om de gesuggereerde herbeoordeling van de placenta in die zin dat naast de klinisch vastgestelde oorzaak van een solutio ook (in combinatie) sprake zou kunnen zijn van een andere oorzaak. Daar dient het PA-materiaal te worden herbeoordeeld, hetgeen niet de deskundigheid is van neonatoloog. Tenslotte hebben [verzoekers] bezwaar tegen de persoon van de door het Ziekenhuis voorgestelde deskundige, dr. F. Groenendaal. 4.3. Ter zitting hebben [verzoekers] nog aangevoerd dat het Ziekenhuis misbruik van recht maakt door het onderhavige verzoek in te dienen. [verzoekers] was voornemens om het Ziekenhuis te dagvaarden op het moment dat het verzoekschrift werd ingediend. Zij hebben daar slechts mee gewacht om te voorkomen dat mogelijkerwijs naar aanleiding van een eventueel nader deskundigenbericht nieuwe stellingen ingenomen zouden moeten worden en een eventuele comparitie aangehouden zal moeten worden. Dit zou dan tot extra kosten en (emotionele) belasting van [verzoekers] leiden. Wel hebben [verzoekers] er belang bij dat zo spoedig mogelijk duidelijkheid wordt verschaft over hun rechtspositie. Daarnaast hebben zij aangegeven dat het Ziekenhuis (op dit moment) geen belang heeft bij een deskundigenbericht en dat een nieuw onderzoek voor [naam kind verzoekers] en zijn ouders zeer belastend zal zijn. 5. De beoordeling. 5.1. Bij de beoordeling van het verzoek van het Ziekenhuis dient het navolgende te worden vooropgesteld. Een voorlopig deskundigenbericht kan mede ertoe dienen een partij de mogelijkheid te verschaffen om aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te krijgen omtrent voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden. (HR 9 februari 1998, NJ 1999, 478.) Aan de rechter die heeft te oordelen over het verzoek een dergelijk onderzoek te gelasten komt geen discretionaire bevoegdheid toe. Hij dient het onderzoek in beginsel te gelasten, mits het daartoe strekkende verzoek terzake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenbericht bewezen kunnen worden. Dit is echter anders indien de rechter op grond van in zijn beslissing te vermelden feiten en omstandigheden van oordeel is dat het verzoek in strijd is met een goede procesorde, dat van de bevoegdheid toepassing van dit middel te verlangen, misbruik wordt gemaakt – bijvoorbeeld omdat verzoeker wegens onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot het uitoefenen van die bevoegdheid kan worden toegelaten – of dat het verzoek moet afstuiten op een ander door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. (HR 19 december 2003, NJ 2004,584.) 5.2. Anders dan [verzoekers] hebben aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat het niet uitgesloten is dat het door het Ziekenhuis verlangde onderzoek meer informatie zou kunnen opleveren omtrent het vereiste causale verband tussen de aandoeningen van [naam kind verzoekers] en de aan het Ziekenhuis verweten beroepsfout(en). In zoverre is het verzoek ter zake dienend en heeft het Ziekenhuis derhalve belang bij het onderzoek, omdat zij aldus beter haar proceshouding ten opzichte van [verzoekers] in het kader van de door [verzoekers] te entameren bodemprocedure kan inschatten. 5.3. Tegenover het belang van het Ziekenhuis staat echter het belang van [verzoekers] bij afwijzing van het verzoek. Ter zitting is van de zijde van het Ziekenhuis vermeld dat de deskundige zeer waarschijnlijk [naam kind verzoekers] aan een onderzoek zal moeten onderwerpen, teneinde over de door het Ziekenhuis gewenste vraagstelling te rapporteren. Van de zijde van [verzoekers] is daarop aangegeven dat een dergelijk onderzoek zeer belastend zal zijn voor zowel [naam kind verzoekers] als zijn ouders, gelet op het feit dat [naam kind verzoekers] al zeer veel onderzoeken heeft moeten ondergaan. Overigens blijkt ook uit het verslag van de kinderarts Bakker dat [naam kind verzoekers] al veelvuldig is opgenomen in het ziekenhuis wegens onrust en ontroostbaar huilen. Te voorzien valt dat een hernieuwd onderzoek opnieuw gepaard zal gaan met de nodige onrust voor [naam kind verzoekers] en zijn familie. 5.4. Daarbij komt dat [verzoekers] de door het Ziekenhuis aan het te verrichten onderzoek ten grondslag gelegde uitgangspunten betwisten, nu zij zich niet kunnen verenigen met de conclusies van de aan het Ziekenhuis verbonden patholoog-anatoom en kinderarts. Het is daarom ook zeer de vraag of – nu reeds – een nader deskundigenbericht zal moeten worden uitgebracht door een deskundige die werkzaam is binnen de door het Ziekenhuis voorgestelde discipline. Gelet op de door [verzoekers] gedane betwisting van de door het Ziekenhuis voorgestelde vraagstelling is evenmin uitgesloten dat – na eventueel hernieuwd onderzoek van de placenta – zal blijken dat het door het Ziekenhuis gewenste deskundigenbericht niet volledig is en/of niet op de juiste uitgangspunten berust. Alsdan zal [naam kind verzoekers] wellicht nog een keer aan een onderzoek moeten worden onderworpen. 5.5. Nu een hernieuwd onderzoek door een deskundige voor [verzoekers] en voor [naam kind verzoekers] een aantasting van hun persoonlijke integriteit zal betekenen en belastend voor hen zal zijn en uit de stukken blijkt dat de aandoeningen van [naam kind verzoekers] al met de nodige onrust en alle gevolgen van dien gepaard gaan, kan het ondergaan van meer onderzoek dan noodzakelijk niet van [verzoekers] en [naam kind verzoekers] worden gevergd. Dit klemt te meer nu een (nader) deskundigenbericht later in het – reeds door [verzoekers] aangekondigde – hoofdgeding mogelijk zal zijn, zonder dat er een aanmerkelijk risico is dat bewijs verloren zal gaan. Dit onderzoek zal waarschijnlijk ook meer kunnen opleveren dan het thans verzochte onderzoek, omdat eerst moet zijn opgehelderd wat de uitgangspunten van een eventueel te verrichten onderzoek zijn, door wie een dergelijk nader onderzoek zou kunnen worden verricht en welke vragen in dat onderzoek betrokken moeten worden. Bij dit alles komt dat [verzoekers] belang hebben bij een spoedige inhoudelijke beoordeling van de aansprakelijkheid van het Ziekenhuis en daarom – zoals reeds in april 2003 de bedoeling was – na afwijzing van het door het Ziekenhuis ingediende verzoek aanstonds tot dagvaarding willen overgaan. 5.6. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval zwaarwichtige bezwaren – de belangen van [verzoekers] en [naam kind verzoekers] – in de weg staan aan toewijzing van het verzoek, dan wel dat het Ziekenhuis, wegens onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen, in redelijkheid niet tot het uitoefenen van haar bevoegdheid tot het verzoeken van een voorlopig deskundigenbericht kan worden toegelaten. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. 5.7. Het Ziekenhuis zal worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [verzoekers], die zijn begroot op € 452,00 aan salaris voor de procureur. DE BELISSING: De rechtbank, beschikkende, - wijst het verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht af - veroordeelt het Ziekenhuis in de proceskosten aan de zijde van [verzoekers] gevallen en begroot op € 452,00 aan salaris voor de procureur. Deze beschikking is gegeven door mr. S.B. Boorsma, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.