Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BD9005

Datum uitspraak2008-07-30
Datum gepubliceerd2008-07-30
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
Zaaknummers16/712119-07
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vrijspraak vrouwenhandel, ontvoering en deelname criminele organisatie. Veroordeling voor diefstal, met geweld tegen personen. Jeugddetentie van zes maanden, waarvan vijf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Taakstraf bestaande uit honderd uur werkstraf. De rechtbank gelast tevens de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde werkstraf van veertig uur.


Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht Parketnummer: 16/712119-07 Datum uitspraak: 30 juli 2008 Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen: [verdachte E], geboren op [1990] te [geboorteplaats], wonende te [adres]. Raadsman: mr. G.W.L.A.M. Koppen. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 juli 2008. De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Op vordering van de officier van justitie is wijziging van het onder 1 ten laste gelegde feit ter terechtzitting toegestaan. Van de dagvaarding en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd. Vrijspraak Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 1, 3 en 4 is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 1 met parketnummer 16/712119-07: De rechtbank overweegt dat met betrekking tot [aangeefster y] voldoende vaststaat dat [aangeefster y] prostitutiewerkzaamheden is gaan verrichten en dat -onder meer- verdachte daarbij een rol heeft gespeeld. De rechtbank is echter van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de in de dagvaarding genoemde (strafbare) middelen zijn gehanteerd, zodat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is van mensenhandel. Ten aanzien van feit 3 met parketnummer 16/712119-07: Op grond van de aangifte van [aangever X] en de verklaringen van verdachte en de medeverdachten staat in voldoende mate vast dat aangever op 2 december 2007 samen de medeverdachten [verdachte B] en [verdachte C] in een auto naar Breda is (mee)gereden, dat hij een nacht heeft verbleven in de woning van (de ex-vriendin van) medeverdachte [verdachte A] in Breda en dat hij op 3 december 2007 met de trein is teruggereisd naar Amersfoort. De rechtbank is echter met de officier en de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat daarbij sprake is geweest van een situatie waarbij aangever wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd en beroofd is gehouden. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 4 met parketnummer 16/712119-07: Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk -kort gezegd- mensenhandel. De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van aangeefster [aangeefster y]. Nu zich in het dossier ook overigens geen aanknopingspunten bevinden dat verdachte deel heeft uitgemaakt van een dergelijke criminele organisatie, dient verdachte te worden vrijgesproken. De bewezenverklaring (De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de – navolgende – beoordeling van het bewijs en de motivering daarvan, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het op ambtseed in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL0940/07-019792J.) [aangeefster y] en [aangever X] hebben aangifte gedaan van diefstal met geweld uit hun woning. [getuige w] was op dat moment eveneens in de woning en heeft een getuigenverklaring afgelegd. Getuige [getuige w] heeft verklaard dat zij door medeverdachte [verdachte A] stevig werd vastgehouden bij haar armen en dat hij zijn knie op haar bovenbeen heeft gezet. Hij heeft tegen haar gezegd dat ze haar mond moest houden, anders zou hij haar vast tapen en tape op haar mond doen. Verder hoorde zij medeverdachte [verdachte A] zeggen dat hij haar katten zou vermoorden. De medeverdachten [verdachte B] en [verdachte A] hebben tegen de getuige gezegd dat zij haar zouden verkrachten voor het gezicht van [aangeefster y]. Voorts heeft de getuige gezien dat [aangever X] een paar keer werd geslagen. Bij het verhoor bij de rechter-commissaris heeft de getuige verklaard dat [aangeefster y] een klap heeft gekregen met een vlakke hand in haar gezicht. Voorts heeft [getuige w] verklaard dat verdachten allemaal verklaarden dat ze voor geld kwamen en dat dit geld was van [aangeefster y] dat op haar rekening zou staan. Op het moment dat [aangeefster y] in de woning arriveerde hebben verdachte en zijn medeverdachten zich verborgen gehouden in de kinderslaapkamer. Vervolgens zijn zij tevoorschijn gekomen, hebben ze de tassen van [aangeefster y] doorzocht en er geld uitgehaald. De verklaring van [getuige w] komt op belangrijke punten overeen met de aangiften van [aangeefster y] en [aangever X]. Voorts hebben verdachte en zijn medeverdachten D. [verdachte A] , [verdachte B] en [verdachte C] bekend dat zij in de nacht van 1 december 2007 in de woning van [aangeefster y] zijn geweest. Medeverdachte [verdachte B] heeft bekend dat hij vanuit de woning een koffer met een messenset en ondergoed heeft weggenomen. Verder is er een geldbedrag weggenomen . Deze goederen behoorden toe aan [aangeefster y]. Gezien het voorgaande acht de rechtbank het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen als hieronder is vermeld, namelijk dat hij op 1 december 2007 te Amersfoort tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag en een koffer met een messenset en een hoeveelheid ondergoed, toebehorende aan [aangeefster y], welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [aangeefster y] en [aangever X] en [getuige w], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen, voornoemde [aangever X] - meerdere malen heeft geslagen en voornoemde [aangeefster y] - met de vlakke hand tegen haar gezicht heeft geslagen en voornoemde [getuige w] - met kracht heeft vastgepakt bij haar armen en - een knie op haar been heeft gezet en - hierbij mondeling heeft toegevoegd: * "Je moet je mond houden, anders tape ik je vast en krijg je tape op/over je mond", en * "Ik vermoord je katten" en * "We gaan je verkrachten voor het gezicht van [aangeefster y]" Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. De strafbaarheid van het feit Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op. Diefstal, vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. De strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Motivering van de op te leggen sanctie De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte van de feiten 3 en 4 wordt vrijgesproken en ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd- jeugddetentie voor de duur van 24 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van de reclassering. Voorts heeft de officier van justitie toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging verzocht. Vervolgens heeft de officier van justitie ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster y] toewijzing van € 2.750,00 aan materiële schade gevorderd en € 1.500,00 aan immateriële schade, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard. Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte en zijn medeverdachten hebben de slachtoffers midden in de nacht in de woning van een van hen overvallen. Deze overval had ten doel een geldbedrag dat een van de slachtoffers in huis zou hebben te bemachtigen. Verdachte en zijn medeverdachten hebben met geweld en bedreiging met geweld een geldbedrag, een koffer met een messenset en ondergoed buitgemaakt. Door het gewelddadige karakter van de overval is er een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers, des te meer nu zij in de woning van een van hen zijn overvallen. In een woning moet men zich veilig en geborgen kunnen voelen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij niet heeft stilgestaan bij de mogelijk nog lang nawerkende gevolgen die een dergelijke gebeurtenis kan hebben voor de slachtoffers. Voorts veroorzaakt een dergelijke overval angst en onrust in de samenleving. Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op: - de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 9 juli 2008, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten; - een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Raad voor de Kinderbescherming, d.d. 4 juni 2008, opgemaakt door J. de Ronde, Raadsonderzoeker, waarin de Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd om de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich houdt aan de regels vanuit Reclassering Nederland en hun programma ‘Intensieve Aanpak Jong Volwassenen’; - een omtrent verdachte opgemaakt psychiatrisch en psychologisch rapport respectievelijk d.d. 31 maart 2008 en 3 april 2008 van respectievelijk M.M.W.H. Plouwen en I. van Asselt, beiden inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten - indien bewezen - lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundigen over en maakt deze tot de hare. In beiden rapporten wordt begeleiding, uitgevoerd door het volwassenentraject van Reclassering Nederland, geadviseerd. De rechtbank acht, alles afwegende, een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur alsmede een taakstraf als na te melden passend en geboden. Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan, nu de verdachte, anders dan door de officier van justitie geëist, ook voor feit 1 wordt vrijgesproken. De vordering van de benadeelde partij [aangeefster y] De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 2 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 3.000,00 wegens materiële schade en een bedrag van € 700,00 wegens immateriële schade. Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte bewezenverklaarde feit. De materiële schade wordt begroot op € 1.500,00. De vordering zal daarom tot voormeld bedrag worden toegewezen. Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de immateriële schade en het overige deel van de materiële schade is niet van zo eenvoudige aard dat deze onderdelen van de vordering zich lenen voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat deze delen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht. De verdachte is op de voet van de artikelen 6:6 e.v. BW niet tot vergoeding gehouden indien en voor zover het toegewezen bedrag reeds door (een) mededader(s) is voldaan. Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. De vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling Bij onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in de rechtbank te Breda van 17 april 2007 is de verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Blijkens een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is de proeftijd ingegaan op 2 mei 2007. De officier van justitie vordert thans dat de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke werkstraf wordt gelast. Nu de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, te weten het hiervoor bewezen verklaarde feit, heeft de veroordeelde voornoemde voorwaarde overtreden. De rechtbank zal de tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke werkstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie gelasten. De rechtbank heeft acht geslagen op artikel 77dd van het Wetboek van Strafrecht. De toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77l, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77dd van het Wetboek van Strafrecht. DE BESLISSING De rechtbank beslist als volgt: Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot JEUGDDETENTIE voor de duur van 6 MAANDEN. Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 5 MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast. Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren. Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien: - de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt; - de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft: - dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens de Reclassering Nederland te geven aanwijzingen, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht, met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen. Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht. Veroordeelt de verdachte voorts tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit: een werkstraf voor de duur van 100 uren, te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 50 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht. Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis. Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster y], domicilie kiezende te Utrecht, ten dele toe tot een bedrag van € 1.500,00 (zegge vijftienhonderd euro). Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door (een) mededader(s) is betaald. Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter. Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 1.500,00 (zegge vijftienhonderd euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald. Ten aanzien van parketnummer 02/605196-07: Gelast de tenuitvoerlegging van de werkstraf, groot 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij voornoemd vonnis d.d. 17 april 2007. Heft het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op. Dit vonnis is gewezen door mr. W. Foppen, kinderrechter en mrs. M.P. Gerrits-Janssens en C.E.M. Nootenboom-Lock, bijgestaan door mr. S.L.D. Marx als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juli 2008. Mr. W. Foppen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.