bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0852

Datum uitspraak2008-08-19
Datum gepubliceerd2008-09-16
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGemeensch. Hof van Justitie v.d. Ned. Antillen en Aruba
ZaaknummersEJ 1566/07 - H-402/07
Statusgepubliceerd


Indicatie

Werknemer wil 100% doorbetaald worden tijdens ziekte, maar contract zegt 70% toe. Bedrijf had bij korte periodes steeds 100% betaald, maar nu het een langere periode betreft kan bedrijf zich op contract beroepen. Vakantiegeld wordt uitbetaald als bedrijfsresultaten en individuele prestaties daartoe aanleiding geven. Dit uitgangspunt moet worden gerespecteerd, maar er mag geen sprake zijn van willekeur want dit zou strijdig zijn met de eisen van goed werkgeverschap. Volgens Hof kon werkgever in casu niet in redelijkheid besluiten tot het onthouden van vakantiegeld.


Uitspraak

UITSPRAAK: 19 augustus 2008 ZAAKNRS: EJ 1566/07 - H-402/07 HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA Beschikking in de zaak van: de naamloze vennootschap CARIBBEAN ACCOUNTING & TAX CONSULTANTS N.V., gevestigd in Aruba, appellante, gemachtigde: mr. G.W. Rep, tegen [naam werkneemster], wonende in Aruba, geïntimeerde, gemachtigde: mr. P.R.C. Brown. Partijen worden hierna aangeduid als “CATC” en “[werkneemster]”. 1. Het verloop van de procedure 1.1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (ver-der: GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen gewezen beschikking van 4 oktober 2007. De inhoud van deze beschikking geldt als hier ingevoegd. 1.2. CATC is in hoger beroep gekomen van de beschikking van 4 oktober 2007, voor zover daarin een eindbeschikking is gegeven, door indiening op 15 november 2007 van een beroepschrift ter griffie van het GEA. CATC heeft daarbij een aantal bezwaren geformu-leerd en toegelicht en geconcludeerd dat het Hof het verzoek van [werkneemster] alsnog zal afwijzen, kosten rechtens. 1.3. [werkneemster] heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend, waarin de in-houd van het beroepschrift is bestreden en is geconcludeerd tot bevestiging van de be-streden beschikking, met veroordeling van CATC in de kosten van beide instanties. 1.4. Op de daarvoor bepaalde dag heeft de gemachtigde van CATC pleitnotities overge-legd en die van [werkneemster] daarvan afgezien. Partijen hebben vervolgens een be-schikking gevraagd. De uitspraak daarvan is bepaald op heden. 2. Ontvankelijkheid Aangezien het hoger beroep tijdig en op de juiste wijze is ingesteld, kan CATC daarin worden ontvangen. 3. Bezwaren Voor de inhoud van de bezwaren wordt verwezen naar het beroepschrift. 4. Beoordeling 4.1. [werkneemster] is van 8 januari 2004 tot 1 mei 2007 in dienst geweest van CATC, laatstelijk tegen een (basis)salaris van Afl. 6.500,- bruto per maand. In maart en april 2007 is zij een aantal dagen ziek geweest. CATC heeft haar over die dagen 70% van haar salaris uitbetaald. CATC heeft haar over de periode van 1 juli 2006 tot 1 mei 2007, in te-genstelling tot de voorgaande jaren, geen vakantietoeslag betaald. In deze procedure vordert [werkneemster] betaling van loon tot een bedrag van Afl. 6.279,69 bruto, met nevenvorderingen, onder meer op grond van de stelling dat zij recht heeft op betaling van haar volledige salaris over voormelde ziektedagen en dat zij aanspraak heeft op vakantietoeslag over vorengenoemde periode. Het GEA heeft de vordering toegewezen, met de maximale wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het toegewezen bedrag. 4.2. CATC komt in de eerste plaats op tegen het oordeel van het GEA dat [werkneemster] aanspraak kan maken op haar volledige salaris over de ziektedagen in maart en april 2007. Zij benadrukt dat in de schriftelijke arbeidsovereenkomst is bepaald dat de werknemer in geval van ziekte 70% van het salaris zal ontvangen. Zij betwist verder dat [werkneemster] en de met haar vergelijkbare collega’s bij ziekte altijd 100% in plaats van 70% uitbetaald hebben gekregen, zoals het GEA als vaststaand heeft aangenomen. Zij wijst er daarbij op dat bij haar slechts de gewoonte is om bij kortstondige ziektes - voor periodes van maximaal één week - het salaris volledig door te betalen en dat [werkneemster] vóór 2007 nooit eerder langer dan een week ziek was geweest. Volgens haar is daarom niet een zodanige trend ontstaan dat [werkneemster] bij langduriger ziekte, zoals hier aan de orde is, aanvulling kan eisen. 4.3. In artikel 7 van de schriftelijke arbeidsovereenkomst is - in afwijking van de wettelijke regel dat de werknemer zijn (volledige) aanspraak op loon voor betrekkelijk korte tijd behoudt wanneer hij tengevolge van ziekte verhinderd is geweest de arbeid te verrichten - bepaald dat ingeval van ziekte van de werknemer de werkgever 70% van het maan-delijkse brutosalaris zal betalen. Gesteld noch gebleken is dat partijen daarover later an-dere afspraken hebben gemaakt. Wel staat vast dat [werkneemster] bij ziekteperiodes vóór 2007 steeds 100% in plaats van 70% van haar salaris kreeg uitbetaald. Onbetwist is echter ook dat het daarbij steeds om kortdurende ziektes ging. Op de stelling van CATC dat bij haar gebruik was om alleen bij kortstondige ziektes het salaris volledig uit te betalen en dat er ook aantoonbaar gevallen zijn (naar het Hof begrijpt: van andere werknemers) waarin 70% is uitbetaald, is [werkneemster] niet ingegaan. Dat CATC haar aan-vankelijk wel 100% van haar salaris over de maand maart 2007 heeft betaald, terwijl [werkneemster] de laatste twee weken van deze maand ziek was, is met deze stelling ook niet onverenigbaar. Zoals CATC onweersproken heeft gesteld (zie punt 2.15 van het verweerschrift), was de uitbetaling van het salaris voor deze maand al op 20 maart 2007 gereed, zodat daarin geen rekening is gehouden met eventuele correcties in de tweede helft van de maand. Gelet hierop is het door [werkneemster] gestelde onvoldoende om aan te kunnen nemen dat sprake was van een bestendig beleid bij CATC om in alle gevallen van ziekte het volledige salaris door te betalen, hetgeen overigens ook niet (voldoende gespecificeerd) ten bewijze is aangeboden. Onder deze omstandigheden kan ook niet worden gezegd dat [werkneemster] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat CATC bij haar langduriger ziekte in maart/april 2007 haar volledige salaris zou blijven betalen, of dat het beroep van CATC op de beperktere contractuele regeling op dit punt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De daarop gebaseerde vordering is dus niet toewijsbaar. Het bezwaar tegen het andersluidende oordeel van het GEA is ge-grond. 4.4. Uit de salarisspecificaties van maart en april 2007 (produkties III en IV bij het inleidend verzoekschrift) blijkt dat CATC wegens ziekte 70% van het salaris heeft betaald over 80 uren in maart en 137,33 uren in april 2007. [werkneemster] heeft onweersproken gesteld dat haar ziekteverzuim in maart 2007 feitelijk 73,5 uren bedroeg. Over 6,5 uren heeft CATC haar dus ten onrechte 70% in plaats van 100% uitbetaald. [werkneemster] heeft, wat deze maand betreft, dus nog wel recht op 30% x Afl. 37,50 (Afl. 6.500,-: 173,33) x 6,5 = Afl. 73,13. [werkneemster] heeft verder gesteld dat haar ziekteverzuim in april 2007 96 uren bedroeg. Zij is daarbij uitgegaan van de periode tot 18 april 2007, toen zij voor 50% hersteld werd verklaard en CATC haar vervolgens vrijstelde van haar werk voor de resterende duur van het dienstverband. Naar CATC niet heeft betwist, heeft zij daarbij geen enkel voorbehoud gemaakt, zodat moet worden aangenomen dat de ziekte van [werkneemster] daarbij geen rol meer speelde. [werkneemster] heeft dus ook nog recht op aanvulling van haar loon van 70% tot 100% over 41,33 (137,33 – 96) uren in april 2007, ofwel 30% x Afl. 37,50 x 41,33 = Afl. 464,96. In totaal heeft [werkneemster] wat dit betreft dus nog Afl. 538,09 van CATC te vorderen. Aan het beroep van CATC op verrekening op de grond dat volgens de arbeidsovereen-komst de eerste twee ziektedagen niet behoeven te worden uitbetaald, gaat het Hof voorbij. CATC heeft immers niet betwist dat zij dit onderdeel van de regeling nooit heeft toe-gepast, zodat een beroep daarop thans, zonder voorafgaande waarschuwing, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. 4.5. CATC klaagt er in de tweede plaats over dat het GEA ook de vordering ter zake van vakantiegeld heeft toegewezen. Zij wijst erop dat het op grond van de arbeidsovereenkomst aan de directie van CATC is om te bepalen of [werkneemster] voor de vakantie-geldbonus in aanmerking komt. Zij bestrijdt dat [werkneemster] een uitstekende beoorde-ling heeft gehad. Zij stelt dat [werkneemster] in 2006 een mindere produktiviteit had laten zien, regelmatiger (kort) ziek was of afwezig was in verband met een sollicitatie en niet goed binnen de groep lag, in januari 2007 een conflict had met [...] en zijn secretaresse en vanaf half maart tot en met april 2007 in het geheel niet meer heeft gewerkt. Zij meent daarom dat zij goede redenen had om deze bonus niet uit te keren. 4.6. Artikel 5 onder d van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat de werknemer in aanmerking komt voor vakantiegeld als vermeld in de personeelsgids. In artikel 1.7 van de personeelsgids staat dat de medewerker jaarlijks een vakantietoeslag ad 5% van het in de voorgaande 12 maanden genoten bruto salaris ontvangt, indien de bedrijfsresultaten en de individuele prestaties daartoe aanleiding geven, zulks ter beoordeling van de directie. Zoals het GEA terecht heeft overwogen, moet dit contractuele uitgangspunt worden ge-respecteerd, maar betekent dit niet dat sprake mag zijn van willekeur, omdat dit strijdig zou zijn met de eisen van goed werkgeverschap. Bij de beoordeling of dit laatste het geval is, is van belang dat [werkneemster] op grond van de emailcorrespondentie, die partijen vóór het sluiten van de overeenkomst hadden gevoerd, ervan mocht uitgaan dat toekenning van vakantiegeld alleen achterwege zou blijven indien zij niet zou functioneren of indien de financiële situatie van het bedrijf dit niet zou toelaten (zie het emailbericht van [...] aan [werkneemster] uit december 2003, waarin dit met zoveel woorden is gesteld, produktie A bij de brief van de gemachtigde van [werkneemster] d.d. 6 september 2007). 4.7. Niet ter discussie staat dat de financiële situatie van het bedrijf geen beletsel vormde voor het toekennen van vakantiegeld. Het gaat er dus om of de individuele prestaties van [werkneemster] zodanig waren dat CATC haar deze beloning in redelijkheid kon onthouden. CATC heeft niet weersproken dat de arbeidsprestaties van [werkneemster], buiten haar ziekteperiodes om, in wezen niet verschilden van die in de twee voorgaande jaren, waarin haar wel vakantiegeld was toegekend. Dat zij in 2006 vaker wegens kortdurende ziekte en sollicitatiegesprekken afwezig is geweest (het laatste, naar onbetwist is, met toestemming van CATC) kan bezwaarlijk als disfunctioneren worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor het feit dat zij vanaf medio maart 2007 niet meer heeft gewerkt, nu onbetwist is dat zij tot 18 april 2007 daadwerkelijk ziek was en zij daarna door CATC voor de resterende dagen van het dienstverband van haar werk is vrijgesteld. De stellingen over de positie van [werkneemster] ten opzichte van haar collega’s en het conflict in januari 2007 acht het Hof verder onvoldoende om aan te kunnen nemen dat zij in dat opzicht heeft gedisfunctioneerd, zodanig dat CATC in redelijkheid tot het onthouden van vakantiegeld kon besluiten. Het Hof verenigt zich daarom met het oordeel van het GEA dat CATC op dit punt heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap en dat [werkneemster] op grond daarvan aanspraak kan maken op het bedoelde vakantiegeld. Het door [werkneemster] ter zake gevorderde bedrag van Afl. 3.250,- staat verder niet ter discussie, zodat het GEA dit terecht toewijsbaar heeft geacht. De betreffende klacht faalt derhalve. 4.8. CATC klaagt tenslotte over de toewijzing van de - maximale - wettelijke verhoging. Zij stelt dat zij goede gronden had om de gevorderde bedragen niet te voldoen en ver-zoekt daarom matiging van de verhoging. In aanmerking genomen dat tussen partijen een reëel verschil van mening bestond over de diverse door [werkneemster] gevorderde be-dragen en niet is gebleken dat CATC tegen beter weten in betaling heeft geweigerd, ziet het Hof aanleiding de verhoging te beperken tot 15% van het verschuldigde loonbedrag. De klacht is in zoverre dus terecht voorgesteld. 4.9. Tegen de vordering van [werkneemster] ter zake diverse onkostenvergoedingen (vas-te onkostenvergoeding ad Afl. 400,-, representatievergoeding ad Afl. 46,12, autovergoe-ding ad Afl. 92,30 en telefoonvergoeding ad Afl. 46,15, in totaal Afl. 584,57) heeft CATC geen verweer gevoerd. Ook het Hof zal van de verschuldigdheid van deze bedra-gen uitgaan. 4.10. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd. Het Hof zal, opnieuw rechtdoende, de vordering van [werkneemster] toewijzen tot het bedrag van Afl. 5.028,56 (Afl. 538,09 + Afl. 3.250,- + Afl. 584,57, vermeerderd met 15%). In de omstandigheid dat partijen over een weer gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld ziet het Hof aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten in hoger beroep draagt. BESLISSING: Het Hof: - vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarin een eindbeschikking is gegeven; en opnieuw rechtdoende: - veroordeelt CATC om aan [werkneemster] tegen kwijting te betalen de som van Afl. 5.028,56, vermeerderd met de wettelijke rente daarover gerekend vanaf 14 mei 2007 tot de dag der voldoening; - verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; - compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen proces-kosten draagt; - wijst het meer of anders gevorderde, voor zover in hoger beroep aan de orde, af. Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, E.P. van Unen en H.L. Wattel, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao uitgesproken op 19 augustus 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.