Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF9098

Datum uitspraak2008-10-08
Datum gepubliceerd2008-10-15
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/2533
Statusgepubliceerd


Indicatie

Gezinshereniging / middelenvereiste / duurzame middelen
In geschil is de vraag of, indien over de gehele periode van drie jaar als bedoeld in artikel 3.75 lid 3 Vb 2000 gemiddeld een inkomen is verworven dat gelijk is aan die norm, voldaan is aan het vereiste dat referenten beschikken over een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74 onder a Vb 2000. Niet betwist is dat referenten in de driejaarsperiode gedurende twee maanden geen gezamenlijk inkomen hebben verworven dat tenminste gelijk is aan de toepasselijke Wwb-norm. Met ingang van 30 oktober 2007 (Staatsblad 2007, 436) is artikel 3.75 lid 3 Vb 2000 gewijzigd. Uit de Nota van Toelichting blijkt dat met deze wijziging, in navolging van de uitspraak van de AbRS van 13 juli 2007 (JV 2007, 416), is beoogd ten aanzien van de middelen van bestaan een duidelijker onderscheid te maken tussen de zelfstandigheid, de duurzaamheid en de hoogte van die middelen. De rechtbank vindt hierin steun voor haar oordeel dat de uitleg die verweerder aan artikel 3.75 lid 3 Vb 2000 geeft, namelijk dat daaruit volgt dat gedurende de driejaarsperiode maandelijks inkomsten ter hoogte van het Wwb-normbedrag moeten zijn verworven, niet als een redelijke wetsuitleg kan worden aangemerkt. De rechtbank acht daarbij van belang dat met deze wijziging is beoogd de koppeling los te laten tussen het vereiste dat in een ononderbroken periode van drie jaar middelen van bestaan moeten zijn verworven en het vereiste dat de middelen van bestaan gedurende die periode voldoende moeten zijn geweest. Uit de letterlijke tekst van artikel 3.75 lid 3 Vb 2000 valt nu, anders dan verweerder stelt, nog slechts af te leiden dat er gedurende een ononderbroken periode van drie jaar middelen van bestaan uit arbeid in loondienst moeten zijn verworven. Verder wordt van belang geacht dat de uitleg die verweerder aan voornoemde bepaling geeft niet is neergelegd in het beleid met betrekking tot het vereiste van voldoende middelen van bestaan, zoals dat is neergelegd in paragraaf B1/4.3.3. Vc 2000. Verweerder heeft ter zitting verwezen naar paragraaf B1/4.3.2 Vc 2000. Nog daargelaten echter dat deze paragraaf betrekking heeft op het beleid dat verweerder voert met betrekking tot het vereiste van de duurzaamheid van de middelen van bestaan, kan daaruit evenmin worden afgeleid dat gedurende de driejaarsperiode maandelijks een inkomen ter hoogte van het Wwb-normbedrag moet zijn verworven. Verweerders interpretatie van artikel 3.75 lid 3 Vb 2000 heeft verder tot gevolg dat in geval van flexibele arbeid, zoals in het onderhavige geval, waarvoor kenmerkend is dat sprake is van een wisselende arbeidsomvang en daardoor een wisselend inkomen, slechts onder uitzonderlijke omstandigheden zou kunnen worden voldaan aan het bepaalde in artikel 3.75 lid 3 Vb 2000. Deze wetsuitleg van verweerder maakt het immers voor de betrokken vreemdeling onmogelijk om een maand, waarin onvoldoende inkomen is verworven, per kwartaal of op jaarbasis te compenseren. Het bestreden besluit is op dit onderdeel derhalve onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Beroep gegrond.


Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage zittinghoudende te Amsterdam meervoudige kamer vreemdelingenzaken Uitspraak artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) reg. nr.: AWB 08/2533 V-nr.: [..] inzake: [eiser], geboren op [1988], van Ghanese nationaliteit, wonende te Accra, eiser, gemachtigde: mr. F. Kiliç, advocaat te Amsterdam, tegen: de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder, gemachtigde: mr. J.M. Siedler, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie. I. PROCESVERLOOP Op 22 november 2005 heeft eiser bij de Nederlandse ambassade te Accra een aanvraag ingediend om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met het oog op verblijf bij zijn moeder [..], en zijn stiefvader [..] (referenten). Bij besluit van 17 februari 2006 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het daartegen door eiser gemaakte bezwaar is bij besluit van 3 juli 2006 ongegrond verklaard. Dit besluit is op 24 oktober 2006 ingetrokken, waarna verweerder op 16 mei 2007 het bezwaar opnieuw ongegrond heeft verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 november 2007 (AWB 07/22053) gegrond verklaard. Bij besluit van 14 januari 2008 heeft verweerder wederom het bezwaar ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van 21 januari 2008 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Na sluiting van de behandeling van eisers zaak door de enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken ter zitting van 3 juni 2008 heeft de rechtbank aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en de zaak te verwijzen naar een meervoudige kamer. Het onderzoek ter zitting is op 14 augustus 2008 hervat in aanwezigheid van eisers gemachtigde, eisers stiefvader [..] en de gemachtigde van verweerder. II. OVERWEGINGEN 1. Een aanvraag tot het verlenen van een mvv wordt getoetst aan dezelfde criteria als die gelden bij een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000. 2. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, worden afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. 2.1 Ingevolge artikel 3.22, eerste lid, onder a, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, van het Vb 2000 verleend indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, onder a, van het Vb 2000. 2.2 Ingevolge artikel 3.74, aanhef en onder a, van het Vb 2000 zijn de in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 bedoelde middelen voldoende, indien het netto-inkomen gelijk is aan de bijstandsnormen als bedoeld in artikel 21 van de Wet werk en bijstand (Wwb), voor de desbetreffende categorie alleenstaanden, alleenstaande ouders of echtparen en gezinnen, met inbegrip van vakantiegeld. 2.3 Ingevolge artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 zijn - voor zover hier van belang - middelen van bestaan verkregen uit arbeid in loondienst eveneens duurzaam, indien op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven gedurende een ononderbroken periode van drie jaren middelen van bestaan uit arbeid in loondienst zijn verworven en de middelen van bestaan gedurende nog zes maanden beschikbaar zijn. 3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit - kort weergegeven en voor zover hier van belang - op het standpunt gesteld dat eiser niet voor de gevraagde mvv in aanmerking komt. Daartoe heeft verweerder overwogen dat, voor zover getoetst wordt aan het gezinsherenigingsbeleid voor minderjarigen, niet is gebleken dat referent en referente aan het middelenvereiste voldoen. Bij toetsing aan de uitzonderingsregeling, zoals bedoeld in artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000, kunnen de middelen van referenten gedurende de hier bedoelde driejaarsperiode weliswaar worden aangemerkt als duurzaam, maar deze zijn niet voldoende. Gebleken is immers dat referenten in de driejaarsperiode gedurende twee maanden, te weten december 2005 en februari 2006, geen gezamenlijk inkomen hebben verworven dat tenminste gelijk is aan de Wwb-norm van € 1098,57 exclusief vakantietoeslag, aldus verweerder. 4. Eiser heeft - kort weergegeven en voor zover hier van belang - in beroep aangevoerd dat hij zich niet met verweerders standpunt kan verenigen. Volgens eiser geeft verweerder, door vast te houden aan de eis dat de middelen van bestaan iedere maand gedurende de periode van drie jaar voldoende moeten zijn geweest, een onredelijke uitleg aan artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000. Deze wetsuitleg maakt het immers onmogelijk om een maand, waarin onvoldoende inkomen is verworven, per kwartaal of op jaarbasis te compenseren. In dit verband heeft eiser verwezen naar de uitspraak van 26 juni 2006 (AWB 05/58051) van deze rechtbank en zittingsplaats. Voorts heeft verweerder volgens eiser nagelaten te motiveren waarom hij deze bepaling, in weerwil van de onlangs gewijzigde tekst daarvan, op deze wijze blijft interpreteren. Verweerder is daarmee, aldus eiser, voorbij gegaan aan de aan hem door de rechtbank gegeven opdracht in de uitspraak van 27 november 2007, die eerder in de onderhavige procedure is gedaan. 5. Niet in geschil is dat referenten in de driejaarsperiode gedurende twee maanden, te weten in december 2005 en februari 2006, geen gezamenlijk inkomen hebben verworven dat tenminste gelijk is aan de Wwb-norm van € 1098,57. Het geschil spitst zich toe op de vraag of, indien over de gehele periode van drie jaar als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 gemiddeld een inkomen is verworven dat gelijk is aan die norm, voldaan is aan het vereiste dat referenten beschikken over een netto-inkomen als bedoeld in artikel 3.74, aanhef en onder a, van het Vb 2000. 6. Evenmin is in geschil dat uit de tekst van artikel 3.74, aanhef en onder a, van het Vb 2000 niet valt af te leiden dat het netto-inkomen maandelijks gelijk dient te zijn aan de bijstandnormen als bedoeld in artikel 21 van de Wwb. Verweerder heeft zich echter in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt gesteld dat uit artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 volgt dat de middelen van bestaan gedurende een ononderbroken periode van drie jaren voldoende dienen te zijn. Ook heeft verweerder verwezen naar paragraaf B1/4.3.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 waarin - voor zover hier van belang - ten aanzien van het vereiste van de duurzaamheid van de middelen van bestaan is vermeld dat in geval van gezinshereniging aantoonbaar reeds gedurende drie jaar onafgebroken moet zijn gewerkt en in die gehele periode een inkomen uit arbeid moet zijn verworven dat ten minste gelijk is aan de toepasselijke norm voor echtparen. 7. De rechtbank overweegt in dat verband als volgt. 7.1 Voorheen luidde de tekst van artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 - zover hier van belang - als volgt: “In afwijking van het eerste lid, zijn middelen van bestaan verkregen uit arbeid in loondienst eveneens duurzaam, indien op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven gedurende een ononderbroken periode van drie jaren voldoende middelen van bestaan uit arbeid in loondienst zijn verworven en de middelen van bestaan gedurende nog zes maanden beschikbaar zijn”. Met ingang van 30 oktober 2007 (Staatsblad 2007, 436) is artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 in die zin gewijzigd dat het woord “voldoende” is komen te vervallen. Uit de Nota van Toelichting blijkt dat met deze wijziging, in navolging van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 13 juli 2007 (JV 2007, 416), is beoogd ten aanzien van de middelen van bestaan een duidelijker onderscheid te maken tussen de zelfstandigheid, de duurzaamheid en de hoogte van die middelen. 7.2 De AbRS heeft in de hiervoor bedoelde uitspraak onder meer overwogen dat de wetgever in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 ten aanzien van middelen van bestaan een onderscheid heeft gemaakt tussen de zelfstandigheid, de duurzaamheid en de hoogte ervan. Het vereiste van zelfstandigheid heeft, mede gelet op het bepaalde in artikel 3.73 van het Vb 2000, betrekking op de bron waaruit die middelen worden verworven. Het vereiste van duurzaamheid heeft, mede gelet op het bepaalde in artikel 3.75 van het Vb 2000, betrekking op de beschikbaarheid van die middelen gedurende een vastgestelde periode. Daarnaast is vereist dat de middelen van bestaan, mede gelet op het bepaalde in artikel 3.74 van het Vb 2000, van voldoende hoogte zijn. Hieruit volgt, aldus de AbRS, dat de duurzaamheid van de middelen van bestaan dient te worden onderscheiden van de hoogte ervan, nu dit twee onderscheiden vereisten betreft. 7.3 De rechtbank vindt in hetgeen in rechtsoverweging 7.1 en 7.2 is overwogen, steun voor haar oordeel dat de uitleg die verweerder aan deze bepaling geeft, namelijk dat daaruit volgt dat gedurende de driejaarsperiode maandelijks inkomsten ter hoogte van het Wwb-normbedrag moeten zijn verworven, niet als een redelijke wetsuitleg kan worden aangemerkt. 7.4 In de eerste plaats acht de rechtbank daarbij van belang dat met de wijziging in artikel 3.75 van het Vb 2000 is beoogd om de koppeling los te laten tussen het vereiste dat in een ononderbroken periode van drie jaar middelen van bestaan worden verworven en het vereiste dat de middelen van bestaan gedurende die periode voldoende moeten zijn geweest. Uit de letterlijke tekst van die bepaling valt nu, anders dan verweerder stelt, nog slechts af te leiden dat er gedurende een ononderbroken periode van drie jaar middelen van bestaan uit arbeid in loondienst moeten zijn verworven. 7.5 Verder acht de rechtbank daarbij van belang dat de uitleg die verweerder aan deze bepaling geeft niet is neergelegd in het beleid met betrekking tot het vereiste van voldoende middelen van bestaan, zoals dat is neergelegd in paragraaf B1/4.3.3. van de Vc 2000. Verweerder heeft ter zitting verwezen naar paragraaf B1/4.3.2 van de Vc 2000. Nog daargelaten echter dat die paragraaf betrekking heeft op het beleid dat verweerder voert met betrekking tot het vereiste van de duurzaamheid van de middelen van bestaan, kan daaruit evenmin worden afgeleid dat gedurende de driejaarsperiode maandelijks een inkomen ter hoogte van het Wwb-normbedrag moet zijn verworven. Daarin is immers slechts vermeld dat over de gehele periode een inkomen moet zijn verworven ter hoogte van dat normbedrag en daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat dit inkomen niet gemiddeld zou kunnen worden over die periode. 7.6 Verweerders interpretatie van artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 heeft verder tot gevolg dat in geval van flexibele arbeid, zoals in het onderhavige geval, waarvoor kenmerkend is dat sprake is van een wisselende arbeidsomvang en daardoor een wisselend inkomen, slechts onder uitzonderlijke omstandigheden zou kunnen worden voldaan aan het bepaalde in artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000. Deze wetsuitleg van verweerder maakt het immers voor de betrokken vreemdeling onmogelijk om een maand, waarin onvoldoende inkomen is verworven, per kwartaal of op jaarbasis te compenseren. Kortdurende perioden, bijvoorbeeld in verband met vakantie, waarin geen arbeid wordt verricht dan wel kortdurende perioden waarin slechts het minimum aantal uren wordt gewerkt, zullen dan tot gevolg hebben dat, hoewel het inkomen op kwartaal- dan wel op jaarbasis gedurende de drie relevante toetsingsjaren voldoende is, de uitzonderingsbepaling van artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 geen toepassing vindt. De consequentie hiervan is dat juist diegenen voor wie de uitzonderingsregeling in het leven is geroepen, daarop geen beroep zullen kunnen doen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de tekst van paragraaf B1/4.3.2 van de Vc 2000: “In verband met de flexibilisering van de arbeidsmarkt wordt door werkgevers steeds meer gebruik gemaakt van kortdurende en flexibele arbeidsovereenkomsten. Hierdoor worden minder arbeidsovereenkomsten met de minimale duur van één jaar afgesloten. Met het oog op deze ontwikkeling is in het Vb 2000 een uitzonderingsregel getroffen ten aanzien van de duurzaamheid van de middelen van bestaan. Beschikt de aanvrager of degene bij wie verblijf wordt beoogd niet over inkomsten die op het moment van de aanvraag, het beslismoment, of op enig tussenliggend moment nog voor een jaar beschikbaar zijn, of is er sprake van een flexibele arbeidsovereenkomst, dan wordt aan de hand van het arbeidsverleden vastgesteld of de duurzaamheid van de inkomsten voor de toekomst is gegarandeerd. Oproep- of afroepcontracten, nul-urencontracten, min/max-contracten, uitzendwerk, losse dienstverbanden, seizoenswerk, voorovereenkomsten, en overeenkomsten met uitgestelde prestatieplicht worden wel ‘flexibele arbeidsovereenkomsten’ genoemd. Als sprake is van arbeid voor een uitzendbureau, wordt aangenomen dat sprake is van flexibele arbeid als hier bedoeld, tenzij uit de overgelegde bescheiden uitdrukkelijk anders blijkt.” 8. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de in het bestreden besluit neergelegde overweging van verweerder, dat de middelen van bestaan van referenten op grond van het bepaalde in artikel 3.75, derde lid, van het Vb 2000 niet als voldoende kunnen worden aangemerkt, geen stand kan houden. Het bestreden besluit is op dit onderdeel dan ook onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. 9. Het beroep van eiser is reeds hierom gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. 10. Hetgeen overigens door eiser in beroep naar voren is gebracht behoeft derhalve geen bespreking meer. 11. De rechtbank ziet in hetgeen hiervoor is overwogen aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van de rechtbank. 12. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht. III. BESLISSING De rechtbank 1. verklaart het beroep gegrond; 2. vernietigt het bestreden besluit; 3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak; 4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644 ,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier; 5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 143,-- (zegge: honderd en drieënveertig euro). Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzitter, en mrs. M.J. Diemer en C.I.H. Kerstens-Fockens, rechters, in tegenwoordigheid van drs. Y.H.F. van Veldhuizen, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2008. De griffier, De voorzitter, Afschrift verzonden op: Conc: Yve Coll: ST D:B Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.