
Jurisprudentie
BG2128
Datum uitspraak2008-10-22
Datum gepubliceerd2008-10-31
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Roermond
Zaaknummers88560 / FA RK 08-1136
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-10-31
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Roermond
Zaaknummers88560 / FA RK 08-1136
Statusgepubliceerd
Indicatie
Ontheffing van het gezag. Moeder wil zelf de ontheffing. Belang van het kind.
Uitspraak
RECHTBANK ROERMOND
Sector civielrecht
Zaaknummer: 88560 / FA RK 08-1136
Beschikking van 22 oktober 2008
op het verzoek van:
De raad voor de kinderbescherming,
gevestigd te 6041CB Roermond, Slachthuisstraat 57.
Als belanghebbenden merkt de rechtbank naast de minderjarige [het kind], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1994], aan:
[de moeder],
wonende te [woonplaats], [adres],
hierna te noemen moeder;
[de vader],
wonende te [woonplaats], [adres],
hierna te noemen vader;
de heer [pleegouder] en mevrouw [pleegouder]
wonende te [woonplaats], [adres],
hierna te noemen de pleegouders;
Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
gevestigd te 6041 CB Roermond, Slachthuisstraat 33.
1. Het verloop van de procedure
1.1. Dit blijkt uit het volgende:
- het verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 20 augustus 2008;
- de mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 18 september 2008 en waarbij zijn verschenen:
- moeder;
- de pleegouders;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming te Roermond;
- een medewerker van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg.
Vader heeft telefonisch aan de rechtbank laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.
2. De vaststaande feiten
2.1. Op basis van de gedingstukken kan het volgende worden vastgesteld.
2.2. Vader en moeder zijn gehuwd geweest, uit welk huwelijk de minderjarige is geboren.
2.3. Moeder heeft het ouderlijk gezag over de minderjarige.
2.4. De minderjarige verblijft sinds 2001 bij de pleegouders.
3. Het verzoek
3.1. De raad voor de kinderbescherming verzoekt de rechtbank moeder te ontheffen van het ouderlijk gezag over de minderjarige, met benoeming van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg tot voogdes.
4. Het oordeel van de rechtbank
4.1. Gelet op het bepaalde in artikel 1:266 BW kan de rechtbank, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, op de grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.
4.2. De pleegmoeder van [het kind] heeft ter zitting opgemerkt dat
[het kind] noch de pleegouders zijn ingelicht over dit verzoek. Er heeft in het bijzijn van pleegmoeder wel een gesprek plaatsgevonden tussen mevrouw [X] van de raad voor de kinderbescherming en [het kind], maar dat ging alleen over het feit dat moeder een voogd wilde nemen. Mevrouw [X] heeft aan de pleegouders meegedeeld, dat een en ander een grote impact op [het kind] zal hebben, zodat de nodige zorgvuldigheid vereist was. Vervolgens is echter zonder enige vooraankondiging dit verzoek tot ontheffing ingediend. [het kind] heeft daarop zeer heftig gereageerd. Zij is heel boos en vindt het verzoek in het geheel niet in haar belang. Een gesprek van [het kind] met moeder voorafgaande aan de zitting had volgens pleegmoeder veel leed kunnen voorkomen.
Bovendien is aan de pleegouders meegedeeld, dat [het broertje] (het broertje van [het kind]) niet naar de zitting zou komen. Om die reden is [het kind] nu ook niet gekomen. Nu blijkt, ter zitting, dat [het broertje] wel aanwezig is en gehoord wordt.
4.3. De raadsmedewerker heeft meegedeeld de gang van zaken te betreuren. Het is de taak van verzoeker betrokkenen te informeren en zonodig te begeleiden.
4.4. De rechtbank is van oordeel dat, uit de inhoud van het verzoekschrift en de daarbij gevoegde rapportage en het ter zitting verhandelde is gebleken, dat moeder ongeschikt of onmachtig is de plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige te vervullen.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat, ondanks de onzorgvuldige gang van zaken voorafgaande aan dit verzoek, het belang van de minderjarige zich niet tegen de ontheffing verzet. Moeder wenst de ontheffing zelf. Die wens leeft al jaren bij haar. Ze kan de verantwoordelijkheden, die gepaard gaan met het gezag, vooral het papierwerk, niet aan.
Moeder heeft ter zitting opgemerkt, dat zij heel graag een goed contact met haar dochter wil blijven houden en dat er gevoelsmatig niets voor haar verandert.
De rechtbank is met de raad voor de kinderbescherming van oordeel dat een ontheffing voor zowel moeder als [het kind] duidelijkheid schept. Ook al begrijpt de rechtbank dat dit verzoek voor [het kind] aanvoelt als een verdere verwijdering van moeder, feitelijk verandert er niets. Moeder beslist immers al jarenlang niet meer zelfstandig over [het kind], zodat deze maatregel geen inbreuk hoeft te maken op de onderlinge verhouding tussen moeder en dochter. Voor moeder weegt de last van het gezag zwaarder dan zij kan dragen.
[het kind] en haar broertje [het broertje], die in een ander pleeggezin verblijft en ten aanzien van wie ook een verzoek tot ontheffing van moeder voorligt, krijgen, indien het verzoek wordt toegewezen, dezelfde voogdes. Dat acht de rechtbank in het belang van de kinderen.
Het belang van [het kind] verzet zich om voormelde redenen dan ook niet tegen een ontheffing van moeder van het gezag.
4.5. De rechtbank zal het verzoek tot ontheffing dan ook toewijzen.
4.6. Tegelijk met de uit te spreken ontheffing van het gezag van moeder zal de rechtbank de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg tot voogdes benoemen, nu deze zich bereid heeft verklaard de voogdij op zich te nemen.
5. De beslissing
De rechtbank:
5.1. ontheft moeder van het ouderlijk gezag over de minderjarige:
[het kind], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1994];
5.2. benoemt tot voogdes de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
gevestigd te 6041 CB Roermond, Slachthuisstraat 33;
5.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
De beslissing is gegeven door mr. P.C.G. Brants, mr. R.H.A.M. Beaumont en mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, kinderrechters, ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2008 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
tn
Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.