Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG3270

Datum uitspraak2008-11-04
Datum gepubliceerd2008-11-04
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Alkmaar
Zaaknummers14.810308-08
Statusgepubliceerd


Indicatie

Dodelijk verkeersongeval op Texel; voorwaardelijk opzet; doodslag bewezen verklaard.


Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR Sector straf Parketnummer : 14.810308.08 (P) Datum uitspraak : 4 november 2008 TEGENSPRAAK VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het OPENBAAR MINISTERIE tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Duitsland) op [geboortedatum], wonend [adres en woonplaats] (Duitsland), thans gedetineerd in de PI Noord-Holland Noord, HvB Zwaag. 1. Onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 oktober 2008. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. G. Lieffijn, advocaat te Den Helder, en door de verdachte naar voren is gebracht. Op de terechtzitting heeft mevrouw [moeder slachtoffer 1], moeder van het slachtoffer [slachtoffer 1], een slachtofferverklaring voorgelezen. 2. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat 1 primair hij op of omstreeks 13 juli 2008 te De Cocksdorp, gemeente Texel, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet op de/een voor het openbaar verkeer openstaande weg, (de Krimweg, aldaar) - een motorrijtuig (personenauto) bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 540 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn en/of na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht en/of - gereden met een snelheid van (ongeveer) 80 km per uur, in ieder geval met een (veel) hogere snelheid dan de aldaar toegestane snelheid van 50 km per uur en/of is hij, verdachte, met die snelheid, althans met een gezien de omstandigheden ter plaatse te hoge snelheid, een bocht ingereden en/of - (vervolgens) de controle over de door hem bestuurde personenauto verloren, althans is hij, verdachte, met de door hem bestuurde personenauto in de naast die (Krim-)weg gelegen berm en op het naast die (Krim-) weg gelegen fietspad terechtgekomen, tengevolge waarvan hij, verdachte, (met die snelheid) met zijn personenauto is aangereden tegen, althans in botsing is gekomen met die [slachtoffer 1], die op dat moment als fietster op het naast die (Krim-)weg gelegen fietspad, hem, verdachte, tegemoet reed, (waardoor die [slachtoffer 1] van haar fiets werd gelanceerd/geslingerd) tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden; 1 subsidiair hij op of omstreeks 13 juli 2008 te De Cocksdorp, gemeente Texel, als verkeersdeelnemer), namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Krimweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1] werd gedood, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend - die personenauto te besturen, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 540 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn en/of althans na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat hij, verdachte wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht en/of - te rijden met een snelheid van (ongeveer) 80 km per uur, in ieder geval met een (veel) hogere snelheid dan de aldaar toegestane snelheid van 50 km per uur en/of met die snelheid, althans een te hoge snelheid een bocht in te rijden en/of - (vervolgens) zijn voertuig niet (steeds) onder controle te houden en/of met de door hem bestuurde personenauto in een naast die (Krim-)weg gelegen berm en op het naast die (Krim-)weg gelegen fietspad te rijden, althans terecht te komen en/of tengevolge waarvan hij, verdachte, (met die snelheid) met zijn personenauto is aangereden tegen, althans in botsing is gekomen met die [slachtoffer 1], die op dat moment als fietster op het naast die (Krim-)weg gelegen fietspad hem, verdachte tegemoet reed (waardoor die [slachtoffer 1] van haar fiets werd gelanceerd/geslingerd), waardoor die [slachtoffer 1] werd gedood, terwijl verdachte verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede of derde lid van de Wegenverkeerswet 1994 en/of terwijl het feit werd veroorzaakt of mede werd veroorzaakt doordat hij, verdachte, een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate had overschreden; 2 hij op of omstreeks 13 juli 2008 te De Cocksdorp, gemeente Texel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever] van het leven te beroven, met dat opzet met zijn, verdachte's, personenauto (met hoge snelheid), op die [aangever] (die zich op de rijbaan bevond, teneinde hem, verdachte, te laten stoppen) is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 3 hij op of omstreeks 13 juli 2008 te De Cocksdorp, gemeente Texel, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Krimweg, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) werd gedood en/of letsel en/of schade was toegebracht, althans door het ongeval naar verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht (te weten [slachtoffer 1]) in hulpeloze toestand werd achtergelaten. 3. Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 4. Vrijspraak Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd. De rechtbank acht niet bewezen dat het opzet van de verdachte erop was gericht om [aangever] het leven te benemen, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet. De [aangever] heeft ten overstaan van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, verklaard dat hij op de weg is gaan staan en gepoogd heeft de auto tegen te houden. Hij realiseerde zich dat hij weg zou moeten stappen en hij heeft op het laatste moment een aantal snelle passen gemaakt. Zijn echtgenote, [getuige 2], heeft bij de politie verklaard dat haar man niet op het laatste moment, in een paniekreactie, moest wegspringen maar dat hij dat moment juist redelijk kon inschatten. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft zij verduidelijkt dat haar man het goed heeft kunnen inschatten en op tijd opzij gesprongen is. De getuige [getuige 3] heeft hierover ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard te weten dat [aangever] zich niet laat aanrijden. Zij heeft verklaard [aangever] kort na dit incident te hebben gesproken, waarbij hij [aangever] wel duidelijk maakte dat hij zo laat mogelijk was weggesprongen. Ook deze getuige heeft verklaard dat [aangever] goed in staat is om in te schatten wanneer hij weg moet springen. De rechtbank neemt daarnaast in aanmerking dat de aangever ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij de auto van verdachte aan zag komen toen deze nog 200 à 250 meter verwijderd was. De snelheid van de auto van verdachte loopt volgens de schatting van de getuigen, gehoord door de politie en door de rechter-commissaris, uiteen maar wordt veelal geschat op 60 à 70 km/u. Reeds uit deze weergave van de feitelijke gang van zaken blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat er geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat de aangever als gevolg van het handelen van de verdachte, zou komen te overlijden. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de bespreking van de vraag of de verdachte, die in alle door hem afgelegde verklaringen heeft verklaard de aangever niet op de rijbaan te hebben zien staan, een zodanige kans bewust zou hebben aanvaard. De verdachte dient derhalve van het onder 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken. 5. Bewijsmotivering met betrekking tot feit 1: A. standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. De verdachte heeft de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer bewust aanvaard, in die zin dat hij haar dood op de koop toe heeft genomen. Aldus is sprake van opzet in voorwaardelijke zin. Daartoe stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de verdachte, gelet op het feit dat hij onder invloed van alcohol als bestuurder van een auto is opgetreden en daarbij met een gevaarlijk hoge snelheid heeft gereden, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een aanrijding (met een fietser, een zogenaamde zwakkere verkeersdeelnemer) zou plaatsvinden en de dood van - in dit geval – [slachtoffer 1] zou intreden. B. standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 1 primair ten laste is gelegd. In zijn visie is er geen sprake van opzet bij de verdachte op de dood van [slachtoffer 1], ook niet in voorwaardelijke vorm. Verdachte heeft niet de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een andere verkeersdeelnemer zou doodrijden. Hij heeft juist geprobeerd dit te voorkomen door te trachten zijn auto in de hand te houden. Er is daarnaast geen enkele aanwijzing in het dossier dat verdachte ten aanzien van zichzelf en zijn medepassagier het risico wilde lopen met de auto uit de bocht te vliegen. De raadsman benadrukt dat verdachte voorafgaand aan het ongeval weliswaar te hard, maar niet afwijkend heeft gereden. Na het ongeval is hij weggereden voor de politie omdat hij in paniek was. Naar de mening van de raadsman kan ook dit geen argument zijn om voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] aan te nemen. Ten aanzien van feit 1 subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Daarbij heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte niet betwist dat hij onder invloed van alcohol en te hard heeft gereden. C. beoordeling van de tenlastelegging De rechtbank zal allereerst het onder feit 1 primair ten laste gelegde beoordelen. De verdachte heeft zowel tegenover de politie als tijdens het onderzoek op de terechtzitting veelvuldig verklaard zich weinig of niets te kunnen herinneren van hetgeen zich voor, tijdens en na het ongeval heeft voorgedaan. Bij het ontbreken van een verklaring hieromtrent van de verdachte dient de rechtbank te onderzoeken of het voor doodslag vereiste opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, kan worden aangenomen op grond van de omstandigheden van het geval. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden . De verdachte komt op 13 juli 2008, de dag van het ongeluk, samen met [getuige 4] in een auto naar Texel (p. 140). De verdachte begint die dag om 13.00 à 14.00 uur met het drinken van alcohol. In de loop van de middag en de vroege avond drinkt hij 5 à 6 halve liters bier en een aantal slokken likeur. Aan het eind van de middag en het begin van de avond rijdt hij als bestuurder van zijn auto, een Opel Omega type Caravan, met [getuige 4] naast zich, twee maal via de Krimweg heen en weer naar het strand. Om 20.30 uur à 21.00 uur die avond drinkt verdachte voor het laatst alcohol. Tegen half 10 rijdt hij als bestuurder van de auto, met [getuige 4] naast zich, weer naar het strand. Op de Krimweg rijdt hij 70 à 80 km/uur. Hij ziet op een afstand twee mensen rijden op het fietspad . In een tamelijk scherpe bocht naar links breekt de auto naar rechts uit (p. 141). De maximum snelheid ter plaatse is 50 km/u. Er zijn slipsporen van de rechter autowielen in de berm en er zijn sporen van de wielen op het fietspad aangetroffen. Op het fietspad raakt [slachtoffer 1], die met [slachtoffer 2] de verdachte fietsend tegemoet rijdt (p. 137), vol de rechterkant van de auto van de verdachte (p. 105). Door de klap vliegt [slachtoffer 1] door de lucht en komt 30 meter verderop terecht in een weiland. De verdachte rijdt zonder te stoppen door. Op de parkeerplaats aan het eind van de Krimweg stopt de verdachte. Hij bekijkt de schade aan zijn auto en zegt tegen [getuige 4] dat hij het goed verkeerd heeft gedaan (p. 142). Hij rijdt over de Krimweg terug en passeert de plaats van het ongeval zonder te stoppen. Een gealarmeerde politieman rijdt met zijn auto achter de auto van de verdachte aan (p. 29). Hij ziet die auto slingerend rijden: meermalen wordt de wegas onnodig overschreden en meermalen wordt met de rechterwielen over de graskeien rechts naast de rijbaan gereden. De verdachte verhoogt zijn snelheid excessief. Hierbij wordt een - gecorrigeerde - snelheid van 140 kilometer per uur bereikt. Op de Pontweg lukt het de politieman om de auto te laten stoppen. De verdachte ondergaat om half twaalf die avond een ademanalyseonderzoek (p. 174). Hieruit blijkt dat zijn adem op dat moment 540 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bevat. [Slachtoffer 1] is op 13 juli 2008 om ongeveer 22.30 uur overleden. Ze had schaafwonden over haar hele lichaam, een bekkenbreuk, botbreuken aan haar rechterbeen en rechterarm en mogelijk een schedelbasisbreuk en een gebroken nek. Als doodsoorzaak wordt vermeld dat de diverse letsels hebben geleid tot inwendige bloedingen en hersenletsel, met circulatiestilstand en het overlijden van het slachtoffer als gevolg. De verdachte voelde de uitwerking van de alcohol, maar hij dacht dat het niet zo dramatisch was dat er iets kon gebeuren. In het verleden heeft verdachte ongeveer vijf keer een black out gehad, met name door de combinatie van bier en sterke drank. De rechtbank stelt vast dat het hier gaat om een aanrijding tussen een 'sterke' verkeersdeelnemer, te weten de verdachte rijdend in zijn personenauto, en een 'zwakke' verkeersdeelnemer, te weten [slachtoffer 1] op haar fiets. In die situatie is voor de beoordeling van de vraag of verdachte geacht moet worden door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans te hebben aanvaard dat als gevolg van een botsing de fietsster het leven zou laten, niet relevant of ook voor verdachte zelf of diens auto enig risico uit een botsing zou voortvloeien. De rechtbank volgt het hierop gerichte betoog van de raadsman dan ook niet. Overigens blijkt de aanvaarding door verdachte van enig risico voor zichzelf reeds uit diens hierboven vastgestelde verkeersgedragingen, zowel kort voor het ongeval als op eerdere en latere momenten op die dag. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte op 13 juli 2008 meerdere beslissingen heeft genomen, waarbij het hem kennelijk telkens om het even is geweest of hij die avond met zijn auto in botsing zou komen met een zwakkere verkeersdeelnemer als [slachtoffer 1]. Een dergelijk gevolg heeft de verdachte op de koop toe genomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte - door op vorenomschreven wijze te handelen - bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de dood van het slachtoffer zou veroorzaken. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat verdachte op de hoogte was van het wegverloop ter plaatse, na de aanrijding is doorgereden, nog gestopt is om de schade aan zijn auto te bekijken, is teruggekeerd naar de plaats van de aanrijding en vervolgens met hoge snelheid een achtervolger heeft proberen af te schudden. Derhalve heeft verdachte zich ook na de aanrijding niet bekommerd om de risico’s voor andere verkeersdeelnemers. Onder alle bovengenoemde omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, zoals in de bewezenverklaring onder 1 primair is omschreven. met betrekking tot feit 3: A. het standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van dit feit. B. het standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van het bewijs van dit feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. C. beoordeling van de tenlastelegging De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit feit heeft begaan, gelet op de bekennende verklaring van verdachte bij de politie (p. 140) en het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse van 20 augustus 2008 waarin is vermeld dat de verdachte, gelet op de enorme schade aan de auto, heeft moeten merken dat hij betrokken was bij een ongeval (p. 105). D. bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste heeft begaan, met dien verstande dat 1 primair hij op 13 juli 2008 te De Cocksdorp, gemeente Texel, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Krimweg, - een motorrijtuig (personenauto) bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 540 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn en - gereden met een veel hogere snelheid dan de aldaar toegestane snelheid van 50 km per uur en is hij met die snelheid een bocht in gereden en - is verdachte vervolgens de controle over de door hem bestuurde personenauto verloren, tengevolge waarvan hij met die snelheid met zijn personenauto in botsing is gekomen met die [slachtoffer 1] die hem, verdachte, op dat moment als fietsster op het naast die Krimweg gelegen fietspad tegemoet reed, waardoor die [slachtoffer 1] van haar fiets werd “gelanceerd”, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden; 3 hij op 13 juli 2008 te De Cocksdorp, gemeente Texel, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Krimweg, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] letsel en/of schade was toegebracht. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: ten aanzien van feit 1: doodslag. met betrekking tot feit 3: overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994. 7. Strafbaarheid van de verdachte J.C.O.M. Woestenburg, als psychiater verbonden aan het NIFP te Alkmaar, heeft omtrent de persoon van de verdachte gerapporteerd bij consultbrief, gedateerd 24 juli 2008. Hij concludeert daarin dat uit de verhoren van de verdachte geen aanwijzingen blijken voor het bestaan van psychiatrische problematiek in engere zin, noch voor aanzienlijke persoonlijkheidsproblematiek. Ook de medische dienst van de PI waarin verdachte verblijft, kan geen bijzonderheden rapporteren over genoemde gebieden, aldus de heer Woestenburg. Hij acht nader onderzoek niet zinvol. Verdachte is strafbaar omdat niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit. 8. Oplegging van de hoofdstraf Eis van de officier: De officier van justitie heeft gerequireerd dat de rechtbank - de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten bewezen zal verklaren, - de verdachte daarvoor een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van 8 jaren, met aftrek conform artikel 27 Wetboek van Strafrecht, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zal opleggen voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest; - de onder de verdachte in beslag genomen auto verbeurd zal verklaren. Standpunt van de verdediging: De raadsman heeft bepleit dat de rechtbank de verdachte, na vrijspraak voor de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zal veroordelen tot aanmerkelijk lagere straffen dan die de officier heeft gevorderd en dat zij een deel van die straffen in voorwaardelijke vorm zal opleggen. Feit- en verdachte gerelateerde factoren: De rechtbank heeft de op te leggen hoofdstraf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte. Verdachte heeft zich als bestuurder van een auto schuldig gemaakt aan het aanrijden van een fietsster, [slachtoffer 1], terwijl hij onder invloed was van alcohol. [Slachtoffer 1] is kort na het ongeval overleden. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het doorrijden na dit ongeval. Met zijn gedrag heeft de verdachte de verkeersveiligheid in hoge mate in gevaar gebracht. De rechtbank rekent het hem zwaar aan dat hij de op hem rustende verantwoordelijkheid voor de veiligheid van andere verkeersdeelnemers geheel heeft genegeerd. In Duitsland mag verdachte tot zijn 21e levensjaar alcohol drinken en aan het verkeer deelnemen in het geheel niet combineren; er is daar een 0-promillage grens. De verdachte weet dus dat hij in zijn eigen land als beginnend bestuurder tot een risicogroep behoort. Desondanks is hij zich in Nederland te buiten gegaan aan de consumptie van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol en heeft hij daarnaast ook door zijn rijsnelheid op risicovolle wijze deelgenomen aan het verkeer, met fataal gevolg. Doodslag behoort tot de ernstigste feiten in het strafrecht. De respectloosheid voor het leven van zwakkere verkeersdeelnemers blijkt ook uit het feit dat de verdachte zich na het ongeluk niet heeft bekommerd om het lot van de (mogelijke) slachtoffers. Het leed, toegebracht aan hen die achterbleven, is groot en onherstelbaar. De verklaring van de moeder van het slachtoffer op de terechtzitting geeft op indringende wijze weer hoe intens de pijn en het verdriet van de gezinsleden is na het verlies van [slachtoffer 1], en hoe vérstrekkend de gevolgen zijn voor anderen. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank voorts gelet op het omtrent de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport, gedateerd 8 oktober 2008, opgemaakt door N. Bakker, als reclasseringswerker verbonden aan de Brijder verslavingszorg te Alkmaar. Rapporteur vermoedt alcoholmisbruik bij de verdachte. Hij leidt uit diens korte en uitwijkende antwoorden af dat de verdachte niet eerlijk is over zijn alcoholgebruik. De verdachte beseft niet dat zijn gedrag zeer onverantwoord is. RISc, een instrument om de recidivekans te meten, geeft aan dat de kans op recidive laag is. De rapporteur schat deze kans echter hoger in omdat RISc geen goed instrument is om deze kans te meten bij rijden onder invloed. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank tenslotte gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 15 juli 2008, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder terzake van een strafbaar feit tot straf is veroordeeld, alsmede op een bericht in het dossier (p. 48) waarin is vermeld dat de verdachte ook in Duitsland geen strafblad heeft. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een forse vrijheidsstraf geboden en op haar plaats is. Nu de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde, zal de rechtbank een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals bepleit door de verdediging, acht de rechtbank gelet op het vorenstaande niet aangewezen. 9. Oplegging van de bijkomende straffen Gelet op de aard en de ernst van het onder 1 primair bewezen verklaarde is de rechtbank is van oordeel dat als bijkomende straf een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van na te noemen duur dient te worden opgelegd. Daarbij ziet de rechtbank geen aanleiding om deze straf deels in voorwaardelijke vorm op te leggen, zoals door de raadsman bepleit. De rechtbank is voorts van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen personenauto dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde met behulp van deze auto is begaan. 12. Toegepaste wettelijke voorschriften De beslissingen berusten op de artikelen 33a, 33b, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 7 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 13. Beslissing De rechtbank: • Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. • Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. • Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten. • Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar. • Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 5 (VIJF) JAREN. Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht. • Ontzegt de verdachte wegens het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 (ACHT) JAREN. Bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de tijd dat het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd (en ingehouden) is geweest. • Verklaart verbeurd: een personenauto, merk Opel Omega, kleur paars, kenteken [letter cijfer combinatie]. Dit vonnis is gewezen door mr. J. Westdorp, voorzitter, mr. P.H.B. Littooy en mr. M.E. Francke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Huisman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 november 2008.