Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG4548

Datum uitspraak2008-10-16
Datum gepubliceerd2008-11-18
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Alkmaar
Zaaknummers96720 / ES RK 07-846
Statusgepubliceerd


Indicatie

Echtscheidingsprocedure tussen partijen die beiden zowel de Nederlandse als de Iraanse nationaliteit hebben. Daarnaast is gebleken dat partijen twee maal met elkaar in het huwelijk zijn getreden. De vrouw verzoekt echtscheiding naar Nederlands recht uit te spreken in het eerst gesloten huwelijk. De man verzoekt dit huwelijk te ontbinden met toepassing van Iraans recht. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw toe om de echtscheiding naar Nederlands recht uit te spreken, echter niet op grond van de, door de man weersproken, rechtskeuze voor toepassing van Nederlands recht, maar vanwege het ontbreken van haar werkelijke maatschappelijke band met Iran. Het verzoek van partijen te bepalen dat het tweede tussen hen gesloten huwelijk rechtsgeldigheid mist wordt afgewezen, aangezien dit verzoek niet op enige rechtsgrond is gebaseerd. Voorts wordt het door de man verzochte met betrekking tot de bruidschat afgewezen.


Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR Sector civiel recht BB zaak- en rekestnummer: 96720 / ES RK 07-846 datum: 16 oktober 2008 Beschikking van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken in de zaak van: [verzoekster], wonende in het arrondissement Alkmaar, verzoekende, tevens verwerende partij, procureur mr. F.J.J. Baars, advocaat mr. M.H. Schmidt aanvankelijk te Zaandam, gemeente Zaanstad, thans te Amsterdam, tegen: [verweerder], (zoals blijkt uit de beëdigde vertaling van de huwelijksverklaring van het op 16 juli 2001 tussen partijen gesloten huwelijk op de Ambassade van de Islamitische Republiek Iran te Den Haag), blijkens de op 16 juli 2002 in de gemeente Heiloo opgemaakte huwelijksakte en het uittreksel uit de basisadministratie van de gemeente Alkmaar genaamd Rouhallah BEHJOU, wonende te Alkmaar, gerekwestreerde, tevens verzoekende partij, procureur mr. C.H.P. de Boer, advocaat aanvankelijk mr. K. Mohassel Zadeh te 's-Gravenhage, thans mr. P.C. Smit te Utrecht. Partijen zullen verder ook worden aangeduid als de vrouw en de man. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE Ter griffie van deze rechtbank is op 3 augustus 2007 het inleidende verzoekschrift van de vrouw ingekomen waarin wordt verzocht tussen partijen, Nederlanders, echtscheiding uit te spreken van het tussen partijen op 16 juli 2002 in de gemeente Heiloo gesloten huwelijk. Voorts is hierbij verzocht nevenvoorzieningen als bedoeld in artikel 827 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te treffen. Bij brief van 4 december 2007 van mr. Baars, met als bijlage een brief van 3 december 2007 van mr. Schmidt, is het verzoek van de vrouw om de in het verzoekschrift vermelde lening (alvast) aan de man toe te scheiden ingetrokken. De man heeft bij verweerschrift, tevens verzoekschrift, verweer gevoerd. Voorts heeft de man zijnerzijds de rechtbank verzocht echtscheiding op grond van Iraans recht uit te spreken en (neven)voorzieningen als bedoeld in artikel 827 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te treffen. Bij brief van 13 december 2007 heeft mr. De Boer een taxatierapport met betrekking tot de echtelijke woning in het geding gebracht. Bij brief van 16 januari 2008 heeft mr. De Boer een huwelijksverklaring overgelegd, vergezeld van een beëdigde vertaling, betreffende een op 16 juli 2001 tussen partijen gesloten huwelijk op de Ambassade van de Islamitische Republiek Iran te Den Haag. Bij brief van 11 maart 2008 van mr. Baars met als bijlage een brief van 7 maart 2008 van mr. Schmidt, wordt meegedeeld dat het juist is dat partijen op 16 juli 2001 zijn gehuwd op de Ambassade van de Islamitische Republiek Iran te Den Haag, en dat het tweede huwelijk gesloten te Heiloo op 16 juli 2002 niet geldig blijkt te zijn. Voorts doet de vrouw hierbij een rechtskeuze voor toepassing van Nederlands recht op de echtscheiding, de uitkering in haar levensonderhoud en de verdeling. Tenslotte verzoekt de vrouw, indien de rechtbank van oordeel is dat op het verzoek tot echtscheiding Iraans recht van toepassing is, om een nadere termijn teneinde de rechtsgrond van het verzoek aan te vullen. Bij brief van 20 maart 2008 van mr. Smit verzoekt de man, gelijk hij reeds in het verweerschrift heeft aangegeven, Iraans recht toe te passen op het echtscheidingsverzoek. Voorts verzoekt de man in de beschikking te bepalen dat het op 16 juli 2002 in Heiloo gesloten huwelijk rechtsgeldigheid mist. Bij brief van 10 april 2008 van mr. Baars, met als bijlage een brief van 8 april 2008 van mr. Schmidt, heeft de vrouw haar rechtskeuze voor Nederlands recht op de echtscheiding nader onderbouwd met de stelling dat haar werkelijke maatschappelijke band met Iran, het land van de oorspronkelijke gemeenschappelijke nationaliteit van partijen, ontbreekt. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij omstreeks mei 2000 uit Iran is gevlucht, dat zij in de asielprocedure terecht is gekomen, maar uiteindelijk een verblijfsvergunning bij partner heeft gekregen nadat partijen waren gehuwd, dat zij hier haar bestaan heeft opgebouwd, in Nederland heeft gestudeerd, dat zij hier werkt en dat zij geenszins van plan is naar Iran terug te keren. De vrouw heeft voorts het verzoekschrift aangevuld/gewijzigd in die zin dat wordt verzocht de echtscheiding uit te spreken van het op 16 juli 2001 op de Ambassade van de Islamitische Republiek Iran te Den Haag gesloten huwelijk. Ook heeft de vrouw, indien de rechtbank van oordeel is dat Iraans recht van toepassing is op het verzoek tot echtscheiding, haar verzoek aangevuld met de rechtsgrond dat het huwelijk door toedoen van verwijtbaar gedrag van de man niet langer in stand kan blijven. Tenslotte wordt meegedeeld dat de vrouw zich met betrekking tot het in Heiloo op 16 juli 2002 gesloten huwelijk aansluit bij hetgeen namens de man in voormelde brief van 20 maart 2008 is gesteld. Mr. Smit heeft bij brief van 27 mei 2008, met als bijlagen een brief van de man van 26 februari 2008, een verklaring van 6 maart 2008 van de behandelend specialist van de man en een perspublicatie omtrent de bruidschat, nadere informatie verstrekt omtrent de voorwaarden voor toepassing van Iraans recht op de echtscheiding. Tenslotte heeft de vrouw bij brief van 15 juli 2008 van mr. Baars met als bijlage een brief van 11 juli 2008 van mr. Schmidt een (nadere) onderbouwing gegeven voor haar behoefte aan een uitkering tot levensonderhoud. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2008, waarbij zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door mr. Schmidt en de man, bijgestaan door mr. Smit. Bij brief van 29 september 2008 heeft mr. Schmidt ten aanzien van beide partijen nog een GBA-uittreksel overgelegd, waaruit blijkt sinds wanneer partijen de Iraanse dan wel de Nederlandse nationaliteit bezitten. DE BEHANDELING VAN DE ZAAK Het ingediende verzoekschrift met overgelegde bescheiden voldoet aan de in artikel 815 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vermelde voorschriften. De rechtbank heeft de in de beschikking vermelde voornamen en geslachtsnamen van partijen en de datum en plaats van de huwelijksvoltrekkingen overgenomen uit de desbetreffende bescheiden. Door de omstandigheid dat partijen beiden zowel de Nederlandse als de Iraanse nationaliteit bezitten draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter zodat eerst de vraag dient te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt. Deze vraag kan ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding in bevestigende zin worden beantwoord, nu uit de overgelegde stukken is gebleken dat partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Met betrekking tot de (neven)voorzieningen komt de rechtbank rechtsmacht toe op grond van de woonplaats van partijen. Partijen zijn blijkens de overgelegde bescheiden op 16 juli 2001 op de Ambassade van de Islamitische Republiek Iran te Den Haag gehuwd. Voorts blijkt dat zij op 16 juli 2002 in de gemeente Heiloo een huwelijk hebben gesloten. Partijen hebben erkend dat zij op dat moment reeds met elkaar gehuwd waren. De rechtbank zal ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding uitgaan van het op 16 juli 2001 op de Ambassade van de Islamitische Republiek Iran te Den Haag gesloten huwelijk. Vervolgens komt aan de orde welk rechtsstelsel op het verzoek tot echtscheiding en de (neven)voorzieningen van toepassing is. Met betrekking tot het op het verzoek tot echtscheiding toe te passen rechtsstelsel overweegt de rechtbank als volgt. De vrouw heeft primair een rechtskeuze gedaan voor toepassing van Nederlands recht. De man heeft de rechtskeuze van de vrouw voor toepassing van Nederlands recht weersproken, zodat de rechtskeuze van de vrouw niet tot toepassing van Nederlands recht kan leiden. Subsidiair heeft de vrouw verzocht Nederlands recht toe te passen op het verzoek tot echtscheiding nu voor haar de werkelijke maatschappelijke band met Iran ontbreekt. Ter onderbouwing van haar subsidiaire standpunt heeft de vrouw aangegeven dat bij haar een werkelijke maatschappelijke band met Iran ontbreekt, aangezien zij omstreeks mei 2000 uit Iran is gevlucht, dat zij in de asielprocedure terecht is gekomen, maar uiteindelijk een verblijfsvergunning bij partner heeft gekregen nadat partijen waren gehuwd, dat zij hier haar bestaan heeft opgebouwd, dat zij in Nederland heeft gestudeerd, dat zij hier werkt en dat zij geenszins van plan is om terug te keren naar Iran. Ten aanzien van hetgeen de vrouw subsidiair heeft gesteld is de rechtbank van oordeel dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen werkelijke maatschappelijke band meer heeft met Iran. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om met toepassing van Nederlands recht het op 16 juli 2001 op de Ambassade van de Islamitische Republiek Iran te Den Haag gesloten huwelijk te ontbinden toewijzen. Het vorenstaande leidt er toe dat, nu partijen niet geacht worden de Iraanse nationaliteit gemeenschappelijk te hebben, het verzoek van de man om Iraans recht toe te passen op het echtscheidingsverzoek dient te worden afgewezen. Het verzoek van partijen te bepalen dat het op 16 juli 2002 in de gemeente Heiloo tussen hen gesloten huwelijk rechtsgeldigheid mist zal door de rechtbank worden afgewezen, aangezien dat verzoek in het kader van de onderhavige procedure niet op enige rechtsgrond is gebaseerd. De nevenvoorziening tot toekenning van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw ten laste van de man wordt beheerst door het Nederlandse rechtsstelsel nu dit rechtsstelsel van toepassing is op het verzoek tot echtscheiding. De nevenvoorziening tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap wordt beheerst door het Nederlandse rechtsstelsel, aangezien partijen hun eerste huwelijksdomicilie in Nederland vestigden. De rechtbank zal de nevenvoorziening met betrekking tot de verdeling, gezien het daarop toe te passen rechtsstelsel, als gegrond en onvoldoende gemotiveerd bestreden toewijzen. Het door de vrouw in dit kader gedane verzoek om de in het verzoekschrift vermelde lening (alvast) aan de man toe te scheiden behoeft, gelet op voormelde intrekking, geen verdere bespreking. Met betrekking tot het verzoek van de vrouw ten laste van de man een uitkering tot levens-onderhoud vast te stellen overweegt de rechtbank als volgt. De vrouw heeft ter onderbouwing van de door haar gestelde behoefte verwezen naar hetgeen de rechtbank heeft opgenomen in de beschikking voorlopige voorzieningen van 13 september 2007 en meegedeeld dat haar omstandigheden sindsdien niet zijn gewijzigd. Daarnaast heeft de vrouw nog aangegeven dat zij op zoek gaat naar eigen huisvesting, hetgeen de nodige kosten met zich mee zal brengen. De rechtbank is van oordeel dat de door de vrouw gestelde behoefte aan een ten laste van de man vast te stellen uitkering in haar levensonderhoud als onvoldoende betwist is komen vast te staan. Daarbij zal de rechtbank de stelling van de man dat de vrouw door een wijziging van haar arbeidsovereenkomst er opzettelijk voor heeft gezorgd dat zij minder inkomen heeft passeren, nu uit de door de vrouw overgelegde stukken is gebleken dat de gewijzigde overeenkomst niet heeft geleid tot een lager inkomen. Bij de beoordeling van de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van de financiële gegevens zoals opgenomen in de beschikking voorlopige voorzieningen van 13 september 2007, nu de man heeft verklaard dat zijn huidige financiële situatie niet is gewijzigd ten opzichte van september 2007 en hij de ten behoeve van de mondelinge behandeling door de rechtbank verzochte stukken niet in het geding heeft gebracht. De rechtbank is van oordeel dat de man in staat kan worden geacht om ten behoeve van de vrouw een uitkering tot levensonderhoud te betalen van [euro] 550,-- bruto per maand, welk bedrag in overeenstemming wordt geacht met de wettelijke maatstaven. Ten aanzien van de bruidschat overweegt de rechtbank dat, nu Nederlands recht van toepassing is op de nevenvoorziening tot verdeling, het door de man in dit kader gedane verzoek geen verdere (afzonderlijke) bespreking behoeft. Gesteld noch gebleken is namelijk dat de bruidschat aan de vrouw zou zijn geschonken onder de voorwaarde dat deze niet in enige gemeenschap van goederen zou vallen, terwijl voorts is gesteld noch gebleken dat de bruidschat aan de vrouw zou zijn verknocht. Het verzoek van de man in dit kader, inhoudende dat hij akte vraagt van de mededeling van de vrouw dat zij geen aanspraak maakt op de bruidschat zal, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, worden afgewezen. DE BESLISSING De rechtbank : Spreekt tussen partijen, op 16 juli 2001 op de Ambassade van de Islamitische Republiek Iran te Den Haag gehuwd, ECHTSCHEIDING uit. Bepaalt dat de man aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud zal betalen van [euro] 550,-- bruto per maand telkens bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking. Bepaalt dat partijen met elkaar over zullen gaan tot verdeling van de huwelijksgoederen-gemeenschap waarin partijen naar Nederlands recht zijn gehuwd en benoemt, tenzij partijen binnen acht dagen na inschrijving van deze beschikking anders overeenkomen, notaris mr. G.W. Nagtglas Boot te Alkmaar, respectievelijk de ambtelijke bewaarder van zijn protocol om op een door deze te bepalen tijd en plaats de verdeling te bewerkstelligen. Benoemt voorts mrs. R.J. van Velzen en T.E. Wolfswinkel, advocaten te Alkmaar, tot onzijdige personen om de vrouw, respectievelijk de man, te vertegenwoordigen bij de verdeling, indien de vrouw, respectievelijk de man, daartoe niet meewerkt of wegblijft. Verklaart deze beschikking, behoudens ten aanzien van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad. Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht. coll.: Deze beschikking is gegeven door mr. H.E.C. de Wit, lid van gemelde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van DONDERDAG 16 oktober 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.