Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG4969

Datum uitspraak2008-07-03
Datum gepubliceerd2008-11-27
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 06/9104 CSV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 22 november 2005 is aan eiseres een boete opgelegd krachtens artikel 12, eerste lid, van het Loonadministratiebesluit. Bij besluit van 29 september 2006 is het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank valt de boete buiten de reikwijdte van artikel 44, eerste lid, van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen (Invoeringswet Wfsv) en is de boete niet één van de in het tweede en derde lid van dat artikel genoemde beschikkingen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de boete eveneens buiten de reikwijdte van artikel 45 van de Invoeringswet Wfsv valt. Volgt gegrondverklaring, vernietiging van het bestreden besluit en herroeping van het besluit waarbij de boete is opgelegd.


Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 06/9104 CSV Uitspraakdatum: 3 juli 2008 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [X] BV, gevestigd te [Z], eiseres, en de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Bij besluit van 22 november 2005 heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd ten bedrage van € 10.983,75 (hierna: de boete). 1.2. Bij besluit van 29 september 2006 heeft verweerder het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen bij brief van 9 november 2006, ontvangen door de rechtbank op 10 november 2006, beroep ingesteld. 1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. 1.4. Eiseres heeft schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd. 1.5. Een eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2008 te 's-Gravenhage. Namens eiseres is verschenen [A]. Verweerder is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan de rechtbank. 1.6. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek van de zaak heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. 1.7. Het beroep is vervolgens behandeld op de zitting van 22 mei 2008. Namens eiseres is verschenen [A]. Verweerder is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1. Eiseres exploiteert een groot- en detailhandel in dames-, heren- en kinderkleding. In het handelsregister staat, voor zover hier van belang, vermeld dat bij eiseres 10 personen werkzaam zijn. 2.2. Verweerder heeft de zogenoemde jaaropgaven voor het jaar 2004 op 23 december 2005 ontvangen. 2.3. Verweerder heeft de onder 1.1. vermelde boete opgelegd omdat naar zijn opvatting eiseres niet heeft voldaan aan het gestelde in artikel 12, eerste lid, van het Loonadministratie-besluit, inhoudende dat een werkgever jaaropgaven moet indienen in de maand januari van het kalenderjaar, volgend op dat waarop zij betrekking hebben. 3. Geschil 3.1. In geschil is of de boete terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. 3.2. Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend en verweerder bevestigend. 3.3. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van het bestreden besluit en herroeping van het besluit waarbij de boete is opgelegd dan wel herziening van dit besluit waarbij de boete wordt verminderd tot € 2.228. 3.4. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 3.5. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. 4.Beoordeling van het geschil 4.1. De boete is een ´criminal charge´ in de zin van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Voor de boete geldt het in deze verdragen verankerde uitgangspunt dat niemand kan worden veroordeeld wegens handelen of nalaten dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde en dat, indien na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan dient te profiteren. De beoordeling van het voorliggende geschil over boeteoplegging dient zich dus mede - en zonodig ambtshalve - uit te strekken over de wettelijke grondslag van de overtreding en de daarop gestelde boete. 4.2. Krachtens artikel 48, derde lid, Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Invoeringswet Wfsv) zijn de Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CSV) en de daarop gebaseerde regelingen met ingang van 1 januari 2006 komen te vervallen. 4.3. Artikel 45 Invoeringswet Wfsv regelt het overgangsrecht voor beslissingen op bezwaarschriften en luidt - voor zover hier van belang- als volgt: '1. Het UWV, onderscheidenlijk de SVB, onderscheidenlijk het College zorgverzekeringen, is bevoegd te beslissen op een bezwaarschrift dat voor de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet is ingediend tegen een beschikking als bedoeld in artikel 44 en waarop op die datum nog niet is beslist, met toepassing van het recht zoals dit voor die datum gold.' Deze bepaling ziet dus op beslissingen op bezwaar tegen beschikkingen als bedoeld in artikel 44 Invoeringswet Wfsv, dat als volgt luidt: '1. De beschikkingen die het UWV, onderscheidenlijk de SVB, onderscheidenlijk het College zorgverzekeringen voor de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet heeft genomen op grond van een wettelijke bepaling die door de inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van de Wet financiering sociale verzekeringen en van deze wet komt te vervallen en die betrekking hebben of mede betrekking hebben op een periode, gelegen na de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet, blijven na die datum van kracht. -2. Tot de beschikkingen, bedoeld in het eerste lid, behoren de beschikkingen die door het UWV zijn genomen op grond van de hierna genoemde wettelijke bepalingen en die met ingang van de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet gelden als een beschikking, genomen op grond van het artikel, de artikelen of de paragraaf van de Wet financiering sociale verzekeringen die daarbij is genoemd: a. artikel 75 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering: artikel 40; b. artikel 63 van de Ziektewet: artikel 40; c. de Wet premieregime bij marginale arbeid: hoofdstuk 3, afdeling 6, § 3; d. de artikelen 97k of 97m van de Werkloosheidswet: de artikelen 95 of 97; e. artikel 78 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering: artikel 37. -3. Tot de beschikkingen, bedoeld in het eerste lid, behoren tevens de beschikkingen die voor de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet door het UWV zijn genomen over het verzekerd zijn op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en die betrekking hebben of mede betrekking hebben op een na die datum gelegen periode.' De boete valt buiten de reikwijdte van het eerste lid, aangezien zij niet (mede) betrekking heeft op een periode na 1 januari 2006, en is niet één van de in het tweede en derde lid genoemde beschikkingen. Daarmee valt de boete eveneens buiten de reikwijdte van artikel 45 Invoeringswet Wfsv. Bovendien geldt voor de boete het eerder aangehaalde verdragsrechtelijk uitgangspunt uit de mensenrechtenverdragen, dat de overtreder dient te profiteren van een na het begaan van het strafbare feit in de wet voorziene oplegging van een lichtere straf. Dat is hier aan de orde, aangezien de na 1 januari 2006 geldende wet- en regelgeving geen bepaling(en) bevat die naar inhoud en strekking overeenkomen met artikel 12 CSV en de daarop gebaseerde regelingen. 4.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beslissing op bezwaar en het primaire besluit niet in stand kunnen blijven. Het beroep wordt gegrond verklaard en deze besluiten worden vernietigd. 4.5. Gelet op het voorgaande wordt niet toegekomen aan beoordeling van de geschilpunten. 5. Proceskosten De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). 6. Beslissing De rechtbank: -verklaart het beroep gegrond; -vernietigt het bestreden besluit; -herroept het besluit waarbij de boete is opgelegd; -bepaalt dat deze uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit treedt; -veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 966, en wijst het Uwv aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan eiseres dient te voldoen; -gelast dat het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht van € 281 vergoedt. Deze uitspraak is gedaan op 3 juli 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. L. de Loor-Alwin en mr. M.M. Smorenburg in tegenwoordigheid van F.J. Crabbendam, griffier. Bij verhindering van mr. G.J. van Leijenhorst is deze uitspraak mede ondertekend door mr. L. de Loor-Alwin. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.