Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG5804

Datum uitspraak2008-10-14
Datum gepubliceerd2008-12-03
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
ZittingsplaatsDordrecht
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 06/51301, 07/34048
Statusgepubliceerd


Indicatie

Middelenvereiste / toestsingsmoment
Vaststaat dat referente op het moment van de beschikking op bezwaar een arbeidscontract had voor de duur van zes maanden. Met ingang van 25 september 2007 is dat contract omgezet in een contract voor onbepaalde tijd. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door het nemen van een besluit op bezwaar op 3 augustus 2007. Uit de tekst van artikel 3.75, eerste lid, van het Vb 2000 blijkt dat aan het vereiste van voldoende en duurzame middelen van bestaan moet worden voldaan op het moment van het indienen van de aanvraag of op het moment van de bestreden beslissing. Het is aan verzoeker om aan te tonen dat referente aan het middelenvereiste voldoet. Uit het verslag van de hoorzitting van 29 mei 2007 blijkt niet dat is aangetoond dat referente met ingang van 25 september 2007 aan het middelenvereiste zou gaan voldoen. Er zijn door referente op het moment van de hoorzitting slechts verwachtingen uitgesproken dat haar contract voor zes maanden verlengd zou worden. Bij de afsluiting van de hoorzitting is namens verweerder meegedeeld dat binnen zes weken een besluit genomen zou worden. Nu verzoeker ook niet in die tussentijd heeft gemeld dat het contract van referente omgezet zou worden naar een contract voor onbepaalde tijd, of heeft verzocht om aanhouding van de beslissing op bezwaar totdat duidelijkheid bestond over de omzetting van het contract van referente, kan niet gesteld worden dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door het het besluit op bezwaar niet aan te houden tot na 25 september 2007.


Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats Dordrecht Sector Bestuursrecht Vreemdelingenkamer procedurenummers: AWB 06/51301 en AWB 07/34048, V-nummer: 180.202.0074, uitspraak van de voorzieningenrechter inzake [verzoeker], wonende te Zwijndrecht, verzoeker, gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker, advocaat te Dordrecht, tegen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. C. Brand, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. 1. Ontstaan en loop van het geding Verweerder heeft bij besluit van 13 oktober 2006 afwijzend beslist op de aanvraag van verzoeker tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf bij partner [naam partner]’. Tegen dit besluit heeft verzoeker bij faxbericht van 19 oktober 2006 bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij schrijven van 19 oktober 2006 heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bij besluit van 3 augustus 2007 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoeker bij faxbericht van 31 augustus 2007 beroep ingesteld. Het verzoek om voorlopige voorziening is op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aangemerkt als een verzoek dat wordt gedaan hangende dat beroep. Het verzoek om voorlopige voorziening is op 26 september 2008 ter zitting behandeld. Verzoeker is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek is gedaan terwijl beroep is ingesteld bij de rechtbank en hij van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 (van de Vw 2000) worden afgewezen indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan en de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Ingevolge artikel 3.74, aanhef en onder d, van het Vb 2000, voor zover hier van belang, zijn de in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet bedoelde middelen van bestaan voldoende, indien het netto-inkomen gelijk is aan 120 procent van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, en artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet. Ingevolge artikel 3.75, eerste lid, van het Vb 2000 zijn de in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Wet bedoelde middelen van bestaan duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Ingevolge artikel 3.75, derde lid van het Vb 2000, zijn, in afwijking van het eerste lid, middelen van bestaan verkregen uit arbeid in loondienst eveneens duurzaam, indien op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven gedurende een ononderbroken periode van drie jaren middelen van bestaan uit arbeid in loondienst zijn verworven en de middelen van bestaan gedurende nog zes maanden beschikbaar zijn. Indien tijdens de periode van drie jaren gedurende een periode van in totaal niet langer dan zesentwintig weken een werkloosheidsuitkering is ontvangen, wordt die uitkering gelijkgesteld met inkomen uit arbeid in loondienst. Ingevolge artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, op grond van artikel 16, eerste lid, onder d, van de Wet worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien de vreemdeling terzake van een misdrijf is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsontnemende maatregel, tot een taakstraf of tot een onvoorwaardelijke geldboete, dan wel indien hij terzake van misdrijf een transactieaanbod heeft aanvaard of jegens hem een strafbeschikking is uitgevaardigd. Ingevolge artikel 3.77, tweede lid, van het Vb 2000 wordt bij de toepassing van het eerste lid, onder c, wordt mede betrokken de buiten Nederland gepleegde inbreuk op de openbare orde, voorzover die naar Nederlands recht een misdrijf oplevert. Ingevolge artikel 3.77, vierde lid, van het Vb 2000 houdt verweerder, in geval de aanvraag verband houdt met gezinshereniging of gezinsvorming, bij de toepassing van het eerste lid, onder c, ten minste rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de vreemdeling en de duur van zijn verblijf, alsmede het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met het land van herkomst. 2.2. Het bestreden besluit strekt tot handhaving van het primaire besluit, waarbij de aanvraag van verzoeker is afgewezen omdat hij een gevaar voor de openbare orde vormt en tevens omdat de persoon bij wie verzoeker wil verblijven niet duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt. In het bestreden besluit heeft verweerder, kort samengevat en voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, het volgende overwogen. Verzoeker is in de gelegenheid gesteld om de strafvonnissen te overleggen van de door hem begane strafbare feiten. Hij heeft weliswaar op dit schrijven gereageerd, doch heeft niet genoemde strafvonnissen overgelegd. Uit ambtelijk verkregen informatie van het arrondissementsparket ‘s Gravenhage van 20 juni 2007 blijkt dat een strafvergelijkingsonderzoek zonder de uitgewerkte vonnissen niet mogelijk is. Gelet op de aard van sommige delicten is vooralsnog geen grond om aan te nemen dat de buiten Nederland gepleegde inbreuk op de openbare orde naar Nederlands recht geen misdrijf oplevert. Derhalve is niet vast komen te staan of de delicten waarvoor verzoeker in Australië is veroordeeld, hem gedurende een periode van vijf dan wel tien jaar kunnen worden tegengeworpen. Gelet hierop concludeert verweerder dat verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt. Voorts heeft verweerder overwogen dat niet is aangetoond dat [naam partner] (hierna: referente) duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. In bezwaar heeft referente aangevoerd dat zij inmiddels een nieuw arbeidscontract heeft met Survey Samling International BV, geldig van 26 maart 2007 tot en met 25 september 2007. Niet gesteld of gebleken is dat referente voor de duur van een jaar beschikt over de middelen van bestaan. Uit de opmerking in de overgelegde werkgeversverklaring van 18 mei 2007 dat er geen voornemens bestaan om het dienstverband binnenkort te beëindigen, kan niet worden afgeleid dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd na 25 september 2007 zal worden verlengd. Ook blijkt uit de overgelegde gegevens dat referentie niet gedurende een periode van drie jaar voldoende middelen van bestaan uit arbeid in loondienst heeft verworven. Referente heeft niet alle salarisstroken overgelegd, maar uit de wel overgelegde salarisstroken blijkt dat referente in 2005 en 2004 niet beschikte over voldoende middelen van bestaan. 2.3. Verzoeker kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verzoeker heeft alle documenten overgelegd waarover hij de beschikking kon krijgen. Uit de documenten blijkt dat het incidenten betreffen, die slechts gedurende vijf jaar aan verzoeker kunnen worden tegengeworpen. Deze delicten zijn meer dan vijf jaar voor de aanvraagdatum begaan, zodat deze thans niet meer aan verzoeker kunnen worden tegengeworpen. Ten onrechte heeft verweerder geen verder onderzoek gedaan naar het inkomen van referente. Inmiddels beschikt referente met ingang van 25 september 2007 over een contract voor onbepaalde tijd. Voorts heeft verweerder ten onrechte aangegeven dat in de periode voor 6 juli 2006 over de afgelopen drie jaar een inkomen dient te zijn verkregen van 120% van het minimumloon. Deze verhoging van de inkomenseis is pas vanaf 1 november 2004 in werking getreden, zodat voor 1 november 2004 de inkomenseis op 100% van het minimumloon dient te worden gesteld. Ten onrechte is geen toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 4:84 van de Awb en heeft verweerder de inburgering van eiser, zijn familieleven ex artikel 8 EVRM en zijn dienstverband in Nederland onvoldoende gewicht toegekend. Tevens heeft verzoeker verzocht om te bepalen dat aan hem een verblijfssticker zal worden toegekend, waarop staat vermeld dat arbeid is toegestaan en een tewerkstellingsvergunning niet is vereist. Ter zitting heeft verzoeker gesteld dat het onzorgvuldig is, het besluit op bezwaar te nemen vlak voor het tijdstip waarop bekend wordt of een dienstverband voor onbepaalde tijd wordt aangegaan. 2.4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat verzoeker alle documenten met betrekking tot zijn strafrechtelijk verleden uit Australië heeft overgelegd, waarover hij redelijkerwijs de beschikking kon krijgen. Nu verweerder geen nader onderzoek heeft verricht bij bijvoorbeeld de Australische autoriteiten, ziet verweerder aanleiding om in deze procedure verzoeker niet langer tegen te werpen dat hij een gevaar voor de openbare orde vormt. Gelet hierop beperkt het geschil zich tot de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de aanvraag dient te worden afgewezen, omdat de persoon bij wie verzoeker wil verblijven, niet beschikt over voldoende en duurzame middelen van bestaan. Vaststaat dat referente op het moment van de beschikking op bezwaar een arbeidscontract had voor de duur van zes maanden. Met ingang van 25 september 2007 is dat contract omgezet in een contract voor onbepaalde tijd. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door het nemen van een besluit op bezwaar op 3 augustus 2007. Uit de tekst van artikel 3.75, eerste lid, van het Vb 2000 blijkt dat aan het vereiste van voldoende en duurzame middelen van bestaan moet worden voldaan op het moment van het indienen van de aanvraag of op het moment van de bestreden beslissing. Het is aan verzoeker om aan te tonen dat referente aan het middelenvereiste voldoet. Uit het verslag van de hoorzitting van 29 mei 2007 blijkt niet dat is aangetoond dat referente met ingang van 25 september 2007 aan het middelenvereiste zou gaan voldoen. Er zijn door referente op het moment van de hoorzitting slechts verwachtingen uitgesproken dat haar contract voor zes maanden verlengd zou worden. Bij de afsluiting van de hoorzitting is namens verweerder meegedeeld dat binnen zes weken een besluit genomen zou worden. Nu verzoeker ook niet in die tussentijd heeft gemeld dat het contract van referente omgezet zou worden naar een contract voor onbepaalde tijd, of heeft verzocht om aanhouding van de beslissing op bezwaar totdat duidelijkheid bestond over de omzetting van het contract van referente, kan niet gesteld worden dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door het het besluit op bezwaar niet aan te houden tot na 25 september 2007. Nu referente op het moment van het nemen van bestreden besluit niet voldeed aan het bepaalde bij artikel 3.75, eerste lid van het Vb 2000, heeft verweerder terecht onderzocht of referente voldeed aan het bepaalde in artikel 3.75, derde lid, van het Vb2000. Referente heeft in de jaren 2004, 2005 en 2006 inkomsten uit arbeid genoten. Niet in geschil is dat referente over de jaren 2004 en 2005 niet heeft voldaan aan het vereiste van voldoende middelen van bestaan, zoals verwoord in artikel 3.74, aanhef en onder d, van het Vb 2000. Nu de inkomsten van referente over het jaar 2005 niet voldoende zijn, zal de voorzieningenrechter de grond dat verweerder over de periode tot november 2004 de norm van 100% van het minimumloon had moeten hanteren, verder buiten beschouwing laten. Verweerder heeft derhalve terecht geconstateerd dat de persoon, bij wie verzoeker wil verblijven niet over voldoende middelen van bestaan beschikt. Niet gebleken is dat door afwijzing van de aanvraag artikel 8 EVRM geschonden is. Verzoeker is nimmer in het bezit geweest van een verblijfsvergunning, die hem in staat stelde het familieleven met referente in Nederland uit te oefenen. Voorts is niet gebleken dat er een positieve verplichting op de Nederlandse staat rust om het verblijf van verzoeker in Nederland toe te staan. Referente voldeed ten tijde van het bestreden besluit niet aan het middelenvereiste en er is niet gebleken dat er voor verzoeker en referente een objectieve belemmering bestond om het gezinsleven in Australië uit te oefenen. Hierbij merkt de voorzieningenrechter eveneens op dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat het verzoeker vrij staat een nieuwe aanvraag in te dienen, indien hij kan aantonen dat referente inmiddels wel aan het middelenvereiste voldoet. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit rechtmatig is. Nu voorts nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak zal de voorzieningenrechter het beroep met toepassing van artikel 8:86 van de Awb ongegrond verklaren. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt. 3. Beslissing De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Aldus gegeven door mr. M.A.C. Prins, voorzieningenrechter, en door deze en mr. M.L. Bosman-Schouten, griffier, ondertekend. De griffier, De voorzieningenrechter, Uitgesproken in het openbaar op: Afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover daarbij op het beroep is beslist, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Men wordt verzocht een afschrift van de uitspraak mee te zenden. Voor zover op het verzoek is beslist staat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel open.