Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BG6957

Datum uitspraak2008-11-26
Datum gepubliceerd2008-12-23
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200807142/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vreemdelingenbewaring / staandehouding
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 juni 2001 in zaak nr. 200102145/1, AB 2001, 268) vormt de staandehouding in de gevallen, waarin daarop zonder feitelijke onderbreking ophouding en/of bewaring volgt, het begin van een reeks beslissingen, erop gericht de vreemdeling, ten aanzien van wie gebleken is dat hij illegaal hier te lande verblijft, onder de macht van de tot uitzetting bevoegde autoriteiten te brengen en te houden. Daarbij wordt een opvolgende beslissing steeds mede gebaseerd op de gegevens die zijn vergaard bij of op basis van een voorafgaande beslissing en is niet in de laatste plaats wat betreft het verhoor van de vreemdeling ook in procedureel opzicht niet steeds een scherpe scheidslijn te trekken tussen de toepassing van de artikelen 50 en 59 van de Vw 2000. Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 mei 2006 in zaak nr. 200602768/1, aangehecht ter voorlichting van partijen) mag de rechter bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de bewaring slechts een direct daaraan voorafgaande staandehouding op de voet van artikel 50 van de Vw 2000 betrekken.


Uitspraak

200807142/1. Datum uitspraak: 26 november 2008 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 16 september 2008 in zaak nr. 08/32265 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris van Justitie. 1. Procesverloop Bij besluit van 6 september 2008 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 16 september 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en het verzoek om schadevergoeding toegewezen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 september 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. In grief 1 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, door te overwegen dat de vreemdeling in het kader van de uitoefening van de bevoegdheid neergelegd in artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) is aangesproken en is verzocht zijn persoonsgegevens te verstrekken maar dat geen sprake is van de in dit artikel vereiste feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren, heeft miskend dat sprake is van een feitelijke onderbreking tussen de aanwending van de bevoegdheid tot staandehouding en de aanwending van de bevoegdheden tot ophouding en inbewaringstelling. Door in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de inbewaringstelling een oordeel te geven over de rechtmatigheid van de staandehouding is de rechtbank buiten de grenzen van het geschil getreden, aldus de staatssecretaris. 2.1.1. Volgens het op ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende proces verbaal (van een onherroepelijk vonnis of arrest) van 5 september 2008 troffen verbalisanten de vreemdeling aan op perron 6 van het station en maakte een praatje met hem. De identiteit van de vreemdeling is vastgesteld door middel van een Colombiaans paspoort met een gelijkende foto. Verbalisanten hebben hem nagetrokken. Er bleken nog signaleringen voor drie geldbedragen open te staan. De vreemdeling kon niets betalen. De vreemdeling is aangehouden op grond van artikel 564 van het Wetboek van Strafvordering. Volgens het op ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende proces verbaal van overbrenging en ophouding van 6 september 2008 is de vreemdeling na aanhouding en onderzoek ter zake van overtreding van een strafbaar feit door de (hulp)officier van Justitie op die datum heengezonden en direct aansluitend op grond van artikel 50, tweede of derde lid, van de Vw 2000 overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor. De vreemdeling is aldaar opgehouden en vervolgens in bewaring gesteld. 2.1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 juni 2001 in zaak nr. 200102145/1, AB 2001, 268) vormt de staandehouding in de gevallen, waarin daarop zonder feitelijke onderbreking ophouding en/of bewaring volgt, het begin van een reeks beslissingen, erop gericht de vreemdeling, ten aanzien van wie gebleken is dat hij illegaal hier te lande verblijft, onder de macht van de tot uitzetting bevoegde autoriteiten te brengen en te houden. Daarbij wordt een opvolgende beslissing steeds mede gebaseerd op de gegevens die zijn vergaard bij of op basis van een voorafgaande beslissing en is niet in de laatste plaats wat betreft het verhoor van de vreemdeling ook in procedureel opzicht niet steeds een scherpe scheidslijn te trekken tussen de toepassing van de artikelen 50 en 59 van de Vw 2000. Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 mei 2006 in zaak nr. 200602768/1, aangehecht ter voorlichting van partijen) mag de rechter bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de bewaring slechts een direct daaraan voorafgaande staandehouding op de voet van artikel 50 van de Vw 2000 betrekken. 2.1.3. Niet in geschil is dat de vreemdeling vreemdelingrechtelijk is staande gehouden. Uit de processen-verbaal, als hiervoor weergegeven, blijkt dat na de staandehouding van de vreemdeling de aanwending van niet bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden is gevolgd, zodat sprake is van een feitelijke onderbreking tussen de aanwending van de vreemdelingrechtelijke bevoegdheden tot staandehouding en de inbewaringstelling. Door in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de inbewaringstelling een oordeel te geven over de rechtmatigheid van de staandehouding is de rechtbank derhalve buiten de grenzen van het geschil getreden. Grief 1 slaagt. 2.2. De grieven 2 en 3 missen zelfstandige betekenis. 2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het vorenoverwogene en nu geen andere beroepsgronden zijn voorgedragen, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 6 september 2008 ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding. 2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 16 september 2008 in zaak nr. 08/32265; III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond; IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, ambtenaar van Staat. w.g. Lubberdink voorzitter w.g. Bakker ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2008 395. Verzonden: 26 november 2008 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, voor deze, mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak