Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH2636

Datum uitspraak2009-01-29
Datum gepubliceerd2009-02-11
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers23-002089-08 (promis)
Statusgepubliceerd


Indicatie

Gewapende overval op een filiaal van het Kruidvat. De verdachte ontkent en stelt dat hij zag dat een man op straat een jas uittrok, die op straat liet vallen en vervolgens in een auto wegreed. Hij heeft, naar zijn zeggen, die jas aangetrokken. Vlak daarna is verdachte, die voldeed aan het van de overvaller opgegeven signalement, aangehouden. In het trappenhuis waar hij werd aangehouden werd een geldbedrag van 135 euro aangetroffen. Het bedrag en de coupures stemden overeen met het bedrag en de coupures zoals buitgemaakt bij de overval. In de jaszakken van verdachte werd een pistool aangetroffen en een bivakmuts. Hof acht verklaring van verdachte ongeloofwaardig, mede omdat tussen het tijdstip van aanhouden van verdachte en het tijdstip van de overval slechts enkele minuten zaten. Verweer van de raadsman dat niet is onderzocht of een ander die overval kon hebben gepleegd wordt verworpen.


Uitspraak

arrestnummer: parketnummer: 23-00-08 (promis) datum uitspraak: 29 januari 2009 TEGENSPRAAK ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 15 april 2008 in de strafzaak onder parketnummer van het openbaar ministerie tegen R H S, geboren te ….op….., wonende te ……, thans gedetineerd in HvB Lelystad te Lelystad. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 23 augustus 2007, 20 november 2007, 28 februari 2008 en 1 april 2008 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 30 september 2008, 2 december 2008 en 15 januari 2009. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 20 november 2007 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen. Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs A. Vaststaande feiten (getuige) heeft verklaard dat hij op 30 mei 2007, omstreeks 12.30 uur, als winkelsurveillant werkzaam was in het Kruidvat aan het ……. te Amsterdam. Hij zag een man in de winkel staan. Deze man droeg een bivakmuts met daarin drie gaten. Door de gaten in de muts kon (getuige) zijn huidkleur zien: zwart. De man droeg een lange zwarte jas tot op zijn knieën. De man bleek in het bezit te zijn van een vuurwapen. (Getuige) zag dat de man zich naar hem omdraaide en meteen het wapen op hem richtte. (Getuige) hoorde dat de man tegen hem zei: “Jij hebt vast de sleutels.” De man drukte hem het wapen tegen zijn rug en gaf hem de opdracht om hem naar de kluis te brengen. (Getuige) en de man zijn naar het kantoor van de winkel gelopen. De deur van het kantoor bleek op slot. (Getuige) zag dat de man de deur opentrapte. In het kantoor was (een werkneemster) (het hof begrijpt hier en elders: (naam werkneemster) aanwezig. (De werkneemster) kreeg van de man de opdracht de kluis open te maken. (De werkneemster) moest de inhoud van de kluis in een mandje doen. (getuige)zag dat zij wat rolletjes klein geld in het mandje deed. (Een getuige) heeft verklaard dat zij een man zag met een bivakmuts op. De man was in het zwart gekleed. Zij heeft de overvaller gevraagd wat hij wilde. Zij hoorde hem zeggen dat hij geld wilde. Zij liep naar de kluis. Intussen was de overvaller bezig om mensen uit de winkel het magazijn in te krijgen. Zij opende de kluis en haalde er een rolletje muntgeld en wat briefgeld in een rolletje uit. De eerste keer dat zij het wapen zag was toen hij met dat wapen in het bakje roerde om te kijken wat hij wilde hebben. Het briefgeld was in totaal 135 euro in biljetten van 10 en 5 euro. (Een getuige) heeft verklaard dat zij op 30 mei 2007, omstreeks 12.30 uur, op haar werk was, bij een filiaal van de drogisterij “Kruidvat”, gevestigd aan het …..te Amsterdam. Zij zag voor de kassa naast de beveiligingsambtenaar een overvaller staan. Hij had een donkerbruin getinte huidskleur. Hij droeg een bivakmuts en sprak Nederlands met een Surinaams accent. Hij had een vuurwapen bij zich. Zij hoorde de overvaller zeggen: “Meekomen jullie.” (De getuige) (het hof begrijpt hier en elders:…….) moest achter de kassa weglopen. Zij hoorde de dader zeggen: “Naar achteren gaan.” Zij zag dat I en Z haar kant opliepen. Zij hoorde de dader zeggen: “Maak die deur open, maak open die deur.” Zij zag dat de dader de deur opentrapte. Zij moest met L. en I. de magazijnruimte ingaan. Zij zag dat de overvaller zijn vuurwapen nog steeds in een van zijn handen had. L. heeft de bovenste kluis geopend. (Naam getuige) was getuige van de overval op het Kruidvat. Zij is, toen de overval plaatsvond, de drogisterij uitgelopen en is een naast de drogisterij gelegen bar ingelopen, waar zij heeft gevraagd de politie te bellen. Zij heeft aan de politie het signalement van de dader doorgegeven. (De aangever) heeft verklaard dat hij als adviseur veiligheidszaken van de Firma Kruidvat gerechtigd is tot het doen van aangifte van deze overval. De beelden van de beveiligingscamera heeft hij op een lap-top staan en ter beschikking van de politie gesteld. Er blijkt een bedrag van 135 euro te zijn weggenomen. Aan niemand werd recht of toestemming gegeven tot het plegen van het feit. Op 30 mei 2007, omstreeks 12.33 uur, kregen verbalisanten (naam verbalisanten) opdracht om naar het …..te Amsterdam te gaan, waar een overval op het Kruidvat had plaatsgevonden. Hun werd medegedeeld dat de verdachte over de Tweede Van Swindenstraat in de richting van de Linnaeusstraat/Oosterpark was weggerend. Tevens kregen verbalisanten een signalement van de verdachte: een Surinaamse man, die een lange zwarte jas draagt en in het bezit is van een vuurwapen. Verbalisanten hebben postgevat op de kruising Oosterparkstraat/Linnaeusstraat. Zij zagen een jongen die volledig aan het signalement voldeed. Zij zagen dat de verdachte hen aankeek en stopte met lopen. Verbalisant (naam verbalisant) riep tegen de verdachte dat hij moest stoppen. Hij zag dat de verdachte een bezweet voorhoofd had. Hij zag dat verdachte zich omdraaide en wegrende. Verbalisanten hebben de achtervolging ingezet. Meermalen is verdachte toegeroepen te stoppen, waaraan hij geen gehoor gaf. De verdachte stak een plein over in de richting van de Vrolikstraat, waar hij met kracht tegen een centrale portiekdeur duwde, die vervolgens openging. Verbalisant rende achter de verdachte aan. Bij binnenkomst zag verbalisant de verdachte de centrale trap oprennen. Verbalisant riep nogmaals tegen verdachte dat hij moest stoppen. Verdachte draaide zich om en liep naar verbalisant toe. Vervolgens werd verdachte door verbalisant aangehouden. Bij de fouillering van de verdachte werden in zijn jaszakken een vuurwapen en een bivakmuts aangetroffen. Kort hierna meldde zich een man bij verbalisanten. Hij kwam uit het gemeenschappelijke trapportaal. Hij had briefjes van 5 en 10 euro in zijn handen, die hij zojuist op de trap had gevonden . Dit geld, 7 maal 5 euro en 10 maal 10 euro, werd inbeslaggenomen. De bivakmuts en het vuurwapen werden inbeslaggenomen, alsmede de kleding van verdachte, bestaande uit onder meer een zwarte jas en een paar witte Converse sportschoenen. De sportschoenen zijn voorzien van een opvallend dikke donkerblauwe zool. Uit de bewakingsbeelden van het Kruidvat bleek dat de dader van de overval lichtgekleurde sportschoenen met een dikke donkerkleurige zool droeg. Op 31 mei 2007 stelden verbalisanten (namen verbalisanten) een onderzoek in naar de verblijfplaats van de verdachte aan de (adres). In deze woning van de moeder van verdachte werd een slaapkamer door verdachte gebruikt. In deze slaapkamer werd een zwarte capuchon aangetroffen. Deze capuchon was voorzien van drie drukknopen met het opschrift “NEW SILK” aan de binnenzijde. Aan de onder de verdachte inbeslaggenomen zwarte jas bleek dat een capuchon met drie drukknopen bevestigd kon worden. Tevens bleek dat de drukknopen van de inbeslaggenomen jas de opdruk “NEW SILK” bevatte. De capuchon werd inbeslaggenomen. Van die capuchon en de inbeslaggenomen jas zijn negen foto’s gemaakt. De moeder van de verdachte heeft verklaard dat Rufus (het hof begrijpt: de verdachte) 3 jassen heeft, waaronder een ¾ zwarte winterjas van stof. Deze jas werd niet in de woning aangetroffen. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde voorts Het onder de verdachte inbeslaggenomen vuurwapen betrof een pistool met het opschrift Pietro Beretta, kaliber 7.65 mm. Het voorwerp is bestemd om projectielen door een loop af te schieten en de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Derhalve is dit een pistool in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. B. Eigen waarneming hof Op de zich in het dossier bevindende foto’s is te zien dat de jas en de capuchon dezelfde kleur hebben en dat de capuchon ook daadwerkelijk op de jas past. Op de inbeslaggenomen camerabeelden van het Kruidvat is te zien dat de overvaller schoenen met een lichte kleur en met een donkere zool droeg. C. Verklaring van de verdachte De verdachte heeft verklaard dat hij op 30 mei 2007 te Amsterdam, na een bezoek aan Mc Donald’s aan het ……te Amsterdam, zag dat een man op straat een jas op de grond gooide, in een auto stapte en wegreed. Hij zag iets uit de jas steken en dacht dat het geld was. Uit nieuwsgierigheid heeft verdachte de jas aangetrokken. Hij voelde dat er iets in die jas zat. Hij is met de jas aan doorgelopen in de richting van het Oosterpark, zodat hij daar rustig kon kijken wat er in de jas zat. Kort daarna zag hij de politie op hem afkomen. Hij is toen weggerend, omdat hij geen identiteitsbewijs bij zich had. De verdachte ontkent dat hij de overval heeft gepleegd. Ook ontkent hij dat hij geld uit de jas heeft achtergelaten in het gemeenschappelijke trappenhuis waar hij is aangehouden. D. Standpunt verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Niet is onderzocht of een ander dan verdachte de overval heeft gepleegd. De raadsman heeft verwezen naar de verklaring van de assistent bedrijfsleidster(naam bedrijfsleidster), die tijdens de overval een “onderbuik gevoel” kreeg en moest denken aan een stagiaire genaamd(naam stagiaire), die bij dit filiaal van het Kruidvat werkt, maar zich had ziek gemeld en de dag van de overval niet op het werk was komen opdagen. De bivakmuts die in de jas werd aangetroffen is op DNA sporen onderzocht, meer in het bijzonder de binnenkant van de bivakmuts ter hoogte van beide mondhoeken. Er is DNA aangetroffen van de verdachte, maar ook van een andere persoon, nu er sprake was van een DNA-mengprofiel. In het rapport wordt geconcludeerd dat het onvolledige DNA-profiel aan verdachte kan toebehoren, maar zulks sluit niet uit dat ook anderen aan dit profiel beantwoorden. De raadsman heeft gesteld dat aan de inhoud van de NFI-rapportages geen bewijskracht kan worden ontleend, omdat de inhoud daarvan onvoldoende redengevend is voor de vermeende betrokkenheid van verdachte bij het hem ten laste gelegde. De verdachte heeft op 30 mei 2007 bij zijn aanhouding reeds aangegeven dat zijn onschuld zou kunnen blijken uit camerabeelden van de McDonald’s, waar hij op het moment van de overval, naar de raadsman stelt, aanwezig was. Toen de politie trachtte deze beelden veilig te stellen, waren zij al gewist. Nu het alibi van de verdachte niet direct is gecontroleerd is mogelijk ontlastend bewijsmateriaal verloren gegaan. E. Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan. Zij vindt de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft, gelet op de verklaringen van de getuigen en de bevindingen van de politie ongeloofwaardig. F. Bijzondere overwegingen over het bewezenverklaarde Heeft de stagiaire de overval gepleegd? (Naam getuige), die zelf 1,80 meter lang is, schatte de lengte van de overvaller op 1,75 meter, omdat de overvaller iets kleiner was dan hij. (Naam getuige) schatte de lengte van de overvaller op 1,75 meter. (Naam), filiaalmanager van het Kruidvat, ……te Amsterdam, heeft verklaard dat hij (naam) als stagiaire heeft aangenomen. Hij omschrijft hem als een kleine tengere jongen van zo’n 1,65 meter lang met rasta-vlechten tot op zijn schouders. (Naam getuige) heeft verklaard dat haar “onderbuikgevoelens” niet waren gebaseerd op het gedrag van (stagiaire), maar op het feit dat er op de dag van de overval geen mannen in de winkel aanwezig waren en (stagiaire) die dag ziek was. Het hof heeft bij de behandeling in hoger beroep geconstateerd dat verdachte geen tenger, maar een fors postuur heeft. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat thans voldoende is onderzocht of er sprake is geweest van enige betrokkenheid van (stagiaire) bij de overval op het Kruidvat en dat genoegzaam is gebleken dat dit niet het geval is geweest. DNA-onderzoek Bij brief van 10 juli 2007 is het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag verzocht om vast te stellen of het DNA-profiel van de verdachte overeenkomt met het aan te treffen DNA-profiel afkomstig van de binnenzijde van de bivakmuts. Op 13 november 2007 heeft verdachte meegewerkt aan de afgifte van zijn DNA door middel van wangslijm. Op 16 november 2007 heeft het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag (hierna: NFI) omtrent de resultaten van dit onderzoek rapport uitgebracht. De conclusie van dat rapport luidt dat het DNA-profiel van de verdachte matcht met de onvolledige DNA-mengprofielen van de bemonsteringen van de bivakmuts. Dit betekent dat de verdachte één van de celdonoren kan zijn. Op 31 maart 2008 heeft het NFI nader gerapporteerd. Uit dit onderzoek is gebleken dat in de bemonsteringen van de bivakmuts onvolledige DNA-mengprofielen zijn verkregen, waarin DNA-kenmerken zichtbaar zijn van (ten minste) twee personen. Het DNA-profiel van de verdachte matcht met de onvolledige DNA-mengprofielen van het celmateriaal in de bemonsteringen van de bivakmuts. Dit betekent dat deze twee bemonsteringen celmateriaal bevatten dat afkomstig kan zijn van de verdachte en dat vermengd is met het celmateriaal van (tenminste) één andere persoon. Uitgaande van het scenario dat het verkregen DNA-mengprofiel wordt verklaard door een mengsel van DNA van de verdachte en één willekeurig gekozen persoon, zijn de verkregen resultaten van het DNA-onderzoek ongeveer 38 duizend maal waarschijnlijker dan onder het scenario dat het verkregen DNA-mengprofiel wordt verklaard door een mengsel van DNA van twee willekeurige personen. Naar aanleiding van beide rapporten heeft de raadsman van verdachte 41 schriftelijke vragen gesteld aan het NFI. Uit de antwoorden op die vragen is onder meer gebleken dat, hoewel niet kan worden uitgesloten dat het onvolledige DNA-mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering van de bivakmuts kan worden verklaard door een mengsel van DNA van verdachte en meerdere willekeurig gekozen personen, er in het celmateriaal in deze bemonstering geen aanwijzingen zijn verkregen dat de bemonstering bestaat uit een mengsel van celmateriaal van meer dan twee personen (antwoord op vraag 34). De rechtbank heeft terecht aangenomen dat de uitkomst van het DNA-onderzoek de onschuld van de verdachte niet uitsluit. Nu deze uitkomst ook wijst op een DNA-profiel van een ander dan de verdachte, zal het hof de resultaten van het DNA-onderzoek buiten beschouwing laten. Het hof zal de vraag of wettig en overtuigend bewezen is of verdachte de overval op het Kruidvat heeft gepleegd, alleen beoordelen in het licht van de overige bewijsmiddelen. Bewakingsbeelden Kruidvat De politie heeft op 1 juni 2007, twee dagen na de overval, onderzoek bij McDonald’s gedaan. Gelet op het aantal onderzoekshandelingen dat de politie moest verrichten, kan niet gezegd worden dat de politie op dit punt niet voortvarend is geweest. Uit dat onderzoek is gebleken dat de in het desbetreffende filiaal van McDonald’s gemaakte bewakingsbeelden van 30 mei 2007 niet meer aanwezig waren. Dat de bewakingsbeelden niet meer aanwezig waren, kan niet aan de politie worden verweten. Aan de omstandigheid dat ontlastend bewijsmateriaal mogelijk verloren is gegaan, omdat niet tijdig zou zijn onderzocht of verdachte ten tijde van de overval in de McDonald’s was, verbindt het hof dan ook geen gevolgen. G. Conclusie Gelet op het voorgaande en bezien in het licht van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, met name de zeer korte tijdspanne van hoogstens enkele minuten tussen het tijdstip van de melding, dat van het vertrek van de overvalleer uit het Kruidvat en dat van de aanhouding, waarbij nog in ogenschouw moet worden genomen dat de politie werd gebeld terwijl de overval nog plaatsvond, de omstandigheid dat in het trapportaal waar verdachte is aangehouden 135 euro in dezelfde coupures als de buit van de overval is aangetroffen en het aantreffen van een capuchon in de slaapkamer van de verdachte die wat betreft kleur, vorm en bevestigingsmethode past bij de jas die verdachte droeg, acht het hof de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig en gaat daarom daaraan voorbij. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat niet valt te begrijpen waarom de vermeende overvaller, terwijl daarvoor geen aanwijsbare reden bestond, zijn jas met daarin 135 euro, een pistool en een bivakmuts uittrok, op de straat liet vallen en vervolgens in een auto stapte en wegreed. Bewezenverklaarde Uit het vorenstaande volgt dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde: hij op 30 mei 2007 te Amsterdam met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld (naam slachtoffer) en anderen heeft gedwongen tot de afgifte van 135 euro, toebehorende aan de firma Kruidvat, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte een vuurwapen heeft gericht op die (naam) en heeft getoond aan (slachtoffer) en (slachtoffer) en met dat vuurwapen die (slachtoffer) onder schot heeft gehouden en tegen die (slachtoffer) heeft gezegd “jij hebt vast de sleutels” en tegen die (slachtoffer) en (slachtoffer heeft gezegd “meekomen jullie” en “naar achteren gaan” en “maak die deur open, maak open die deur”. ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde: hij op 30 mei 2007 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Pietro Beretta, kal. 7.65 mm) voorhanden heeft gehad. Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde: Afpersing. Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde: Handelen in strijd met artikel 26 van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is. Oplegging van straf en maatregel De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden, met onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen bivakmuts. Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van – kort gezegd – voorarrest. Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen heeft de advocaat-generaal dezelfde beslissingen gevorderd als door de rechtbank zijn genomen. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewelddadige overval in een winkel. Verdachte heeft de medewerkers van die winkel - onder bedreiging van een pistool - geld afhan¬dig gemaakt. Verdachte had kennelijk niets anders voor ogen dan geldelijk gewin ten koste van anderen. Voor de slachtoffers moet deze gebeurtenis trau¬matisch zijn geweest. Voor de samenleving in het algemeen geldt dat dergelijke misdrijven gevoelens van onrust en onvei¬ligheid veroorzaken. Verdachte heeft een pistool in zijn bezit gehad. Het voorhanden hebben van een dergelijk wapen brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich. Blijkens een ten name van verdachte gesteld uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 22 december 2008 is ver¬dachte eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. Aan verdachte zijn toen gevangenisstraffen van aanzienlijke duur opge¬legd. Bij deze stand van zaken en mede gelet op de duur van gevangenisstraffen die het hof in andere vergelijkbare misdrijven pleegt op te leggen, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren in beginsel passend. In aanmerking genomen dat de berechting van verdachte enigszins is vertraagd doordat het DNA-onderzoek niet voortvarend heeft plaatsgevonden, vindt het hof aanleiding de duur van de op te leggen gevangenisstraf te matigen tot drie jaren en zes maanden. Onttrekking aan het verkeer De inbeslaggenomen en niet terugegeven voorwerpen, te weten een bivakmuts en een pistool Pietro Beretta 70, dienen aan het verkeer onttrokken te worden verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het onder 1 en 2 bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 57 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Beslissing Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven. Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij. Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren en 6 (zes) maanden. Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht. Verklaart ontrokken aan het verkeer een bivakmuts en een pistool, Pietro Beretta 70. Gelast de teruggave aan de firma Kruidvat van de USB-stick en € 135,-. Gelast de teruggave aan de verdachte van: - de zwarte gewatteerde capuchon;’ - kleding van het merk Japan Rags; - kleding (schoenen van het merk Converse All Star); - een shirt, ondergoed; - een jas. Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. J.P. Splint, W.M.C. Tilleman en N.F. van Manen in tegenwoordigheid van R.A.M. Truijens als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 januari 2009.