Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH7945

Datum uitspraak2009-03-24
Datum gepubliceerd2009-03-26
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers15/800150-08
Statusgepubliceerd


Indicatie

drugshandel en witwassen; verdachte heeft samen met anderen verdovende middelen met bestemming naar het buitenland vervoerd en daarnaast heeft verdachte samen met anderen voorbereidingshandelingen verricht, gericht op het uitvoeren van verdovende middelen. De rol van verdachte bestond uit het ronselen van koeriers voor het vervoeren van de cocaïne naar Engeland. Tevens begeleidde zij deze koeriers tijdens hun reis. Naar het oordeel van de rechtbank staan de door haar bewezen verklaarde feiten 1 en 2 in zodanig verband, dat zij moeten worden beschouwd als voortgezette handelingen. De bewezen verklaarde feiten zijn het gevolg van dezelfde (ongeoorloofde) wilsbesluiten en bestaan uit gelijksoortige handelingen.


Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM Sector Strafrecht Locatie Schiphol Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/800150-08 Uitspraakdatum: 24 maart 2009 Tegenspraak Strafvonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 6 en 10 maart 2009 in de zaak tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres]. 1. Tenlastelegging Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: feit 1 zij op of omstreeks 18 december 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; feit 2 zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 oktober 2007 tot en met 18 januari 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, - zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of - een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of - voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en) immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens): - (telefonische) contacten onderhouden met afnemers en/of koeriers en/of leveranciers van verdovende middelen en/of - koeriers geronseld en/of laten ronselen voor in- en uitvoer van verdovende middelen en/of geldbedragen van en naar Nederland en/of - (bolletjes) verdovende middelen geprepareerd en/of laten prepareren en/of - geld ontvangen van en/of beschikbaar gesteld en/of - (vlieg- en/of trein- en/of bus-)tickets geboekt en/of verstrekt en/of gekocht en/of laten boeken en/of laten verstrekken en/of laten kopen en/of - een onderkomen geregeld voor koeriers gedurende hun verblijf en/of laten regelen en/of - koeriers naar Schiphol en/of het Amstelstation gebracht en/of laten brengen en/of - verpakkingsmateriaal en/of gereedschap ten behoeve van het prepareren van verdovende middelen (te weten lepel, soldeerbout, weegschaal, mondkap, plakband, boterhamzakjes en folie) voorhanden gehad; feit 3 zij op of omstreeks 29 oktober 2007, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een of meer geldbedrag(en), heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een of meer een of meer geldbedrag(en), gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl zij wist(en) dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. 2. Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3. Oordeel van de rechtbank 3.1. Partiële vrijspraak Ten aanzien van feit 2 Ten aanzien van de onder feit 2 ten laste gelegde feitelijkheden overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 1 lid 5 van de Opiumwet bepaalt dat het begrip ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’ een ruime betekenis heeft en onder meer omvat: ‘het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden’. Deze ruime definitie van het begrip ‘uitvoer’ brengt met zich dat in sommige gevallen handelingen die - wanneer dit ruime begrip niet zou hebben bestaan - onder voorbereidingshandelingen of onder het pogingsbegrip zouden vallen, nu vallen onder het voltooide delict van artikel 2 onder A van de Opiumwet. De rechtbank is van oordeel dat het strijdig zou zijn met de systematiek van de Opiumwet indien dezelfde handelingen die door artikel 1 lid 5 van de Opiumwet onder het begrip ‘uitvoer’ worden gebracht (en daarmee het voltooide delict van artikel 2 onder A van de Opiumwet opleveren) tegelijkertijd aangemerkt zouden kunnen worden als voorbereidingshandelingen, in de zin van artikel 10a van de Opiumwet, ten aanzien van diezelfde uitvoer. Het voorgaande houdt in dat de rechtbank alle ten laste gelegde feitelijkheden die vallen in de categorie ‘met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden’, te weten: koeriers naar Schiphol en/of het Amstel station gebracht en/of laten brengen, met betrekking tot de uitvoer van 18 december 2007 niet zal aanmerken als voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet. In zoverre zal verdachte worden vrijgesproken. 3.2. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat: feit 1 zij op 18 december 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I; feit 2 zij in de periode van 1 december 2007 tot en met 18 januari 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en Amsterdam, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, - zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en/of heeft verschaft en/of - een of meer anderen getracht te bewegen om die feiten te plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of - voorwerpen en/of stoffen en/of gelden voorhanden heeft gehad waarvan zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) tezamen en in vereniging met een ander of anderen: - (telefonische) contacten onderhouden met afnemers en/of koeriers van verdovende middelen en/of - koeriers geronseld en/of laten ronselen voor in- en/of uitvoer van verdovende middelen en/of geldbedragen van en naar Nederland en/of - (bolletjes) verdovende middelen geprepareerd en/of laten prepareren en/of - geld ontvangen en/of beschikbaar gesteld en/of - (vlieg- en/of trein- en/of bus-)tickets geboekt en/of verstrekt en/of gekocht en/of - een onderkomen geregeld voor koeriers gedurende hun verblijf en/of - verpakkingsmateriaal en gereedschap ten behoeve van het prepareren van verdovende middelen (te weten lepel, soldeerbout, weegschaal, mondkap, plakband, boterhamzakjes en folie) voorhanden gehad; feit 3 zij op 29 oktober 2007, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, een voorwerp, te weten een geldbedrag, voorhanden heeft gehad, en omgezet, terwijl zij wisten dat bovenomschreven geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging. Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 3.2 Bewijsmiddelen De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen. De door de rechtbank als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde personen en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. De opgenomen schriftelijke stukken worden slechts gebruikt in samenhang met de andere bewijsmiddelen. Ten aanzien van feit 1 en feit 2 • Een schriftelijk stuk, te weten het tapgesprek d.d. 17 december 2007 om 12.01 uur tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] (dossierpagina 55, zaaksdossier C5), - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende: [medeverdachte 1] zegt dat [medeverdachte 4] naar hem moet komen want hij heeft wat business voor hen. • Een schriftelijk stuk, te weten het tapgesprek d.d. 17 december 2007 om 15.00 uur tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] (dossierpagina 57, zaaksdossier C5), - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende: [medeverdachte 1]: Vertel het me, man, ik heb meiden (‘chicks’) nodig. (…) [medeverdachte 4]: Ja, ik ben nog steeds voor je op zoek, toch. (…) [medeverdachte 1]: Een is goed, een is goed, weet je nog.. • Een schriftelijk stuk, te weten het tapgesprek d.d. 17 december 2007 om 17.02 uur tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] (dossierpagina 64, zaaksdossier C5), - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende: [medeverdachte 4] zegt dat het Turkse meisje net terug heeft gebeld en ZIJ zegt dat ZIJ iedereen weer bij elkaar zou brengen. (…) [medeverdachte 1] vind het fijn dat [medeverdachte 4] hard aan het werk is. • Een schriftelijk stuk, te weten het tapgesprek d.d. 18 december 2007 om 17.02 uur tussen [medeverdachte 4] en [betrokkene 1] (dossierpagina 109, zaaksdossier C5), - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende: (…) [medeverdachte 4] vraagt of de kinderen/meisjes al hebben gebeld. [betrokkene 1] zegt dat ze al hadden gebeld. [medeverdachte 4] wil het nummer hebben en dat [betrokkene 1] tegen ze zegt dat ze haar nu moeten bellen. • Een schriftelijk stuk, te weten het tapgesprek d.d. 18 december 2007 om 17.43 uur tussen [medeverdachte 4] en [verdachte] (dossierpagina 113, zaaksdossier C5), - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende: [medeverdachte 4] zegt dat [verdachte] nu moet komen van ‘hem’. Er gaan maar 2 meisjes en [verdachte] moet ze halen ergens in de Bijlmer. [verdachte] vindt het goed. (…) ‘Zij’ heet [betrokkene 2] (fon). Ze zijn met z’n tweeën. • Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [betrokkene 3] (dossierpagina 262, zaaksdossier C5) inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende: V: Ken je [verdachte]? A: Ja, die ken ik. [verdachte] vertelde me dat ze me in de avond zou komen halen. [verdachte] vroeg toen of ik al klaar was. Ik moest van haar een tas met spullen en toiletartikelen meenemen. [verdachte] zat in een auto, een Mini Cooper, er zat een dik mannetje in. Hij is een Engelse man, Jamaicaans achtig. Het was een zwarte man. Deze man was de baas. We reden toen naar Kempering. [betrokkene 4] en ik moesten naar boven, het was de kamer naast de badkamer. Wij moesten toen wachten maar de vaginabol was nog niet klaar. Wij, [betrokkene 4], [verdachte] en ik moesten naar Schiphol met een snorder. [verdachte] regelde alles. Wij moesten op Schiphol een ticket gaan kopen. Onderweg naar Schiphol kregen [betrokkene 4] en ik allebei € 200,- van [verdachte]. [verdachte] zei ook dat we niet samen het ticket mochten kopen. [verdachte] had verteld dat we een ticket naar Heathrow, Londen bij BMI moesten kopen. We zijn toen terug gegaan naar het huis van de dikke man. Toen we weer in het huis kwamen in de Kempering kregen we, [betrokkene 4] en ik, de vaginabol van dikke man. Hij gaf er een en zei dat er dan een morgen zou gaan reizen. Ik kreeg de vaginabol niet naar binnen en mijn zus ook niet. De dikke man vertelde toen dat ze het kleiner zouden laten maken en dat we dan morgen zouden gaan reizen. In het huis zaten we met [medeverdachte 4], de zus van [verdachte], [verdachte] zelf, [betrokkene 4] en ik in de kamer van de dikke man boven. [medeverdachte 4] zou de dag erna ook gaan reizen om geld weg te brengen. De Mini Cooper is ook van haar. Ze reed er ook later in weg om [betrokkene 4] en mij naar huis te brengen. In het huis in de Kempering hebben we, [betrokkene 4] en ik, toen besloten om thuis te gaan slapen. Ze, de dikke man, [medeverdachte 4] en [verdachte] probeerden ons toen nog wel over te halen. V: We tonen je een foto, herken je deze persoon die wij kennen als [medeverdachte 1]? A: Dit is de dikke man waarover ik heb gesproken. Hij heeft het huis in nieuw Kempering. • Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [betrokkene 4] (dossierpagina 269, zaaksdossier C5) inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende: A: Ik ben toen naar boven gegaan om mijn tas te pakken. Toen we in de auto zaten is er wel over drugs gesproken. V: Wat werd er dan gezegd? A: [verdachte] begon hier over. [verdachte] vroeg of we serieus waren. Ik vroeg aan [verdachte] of we de drugs moesten slikken en zij zei toen van niet maar dat we het moesten duwen in onze vagina. [verdachte] zei dat we naar Londen moesten vliegen met een duwersbol en dat we daar dan € 500,- voor zouden krijgen. V: Toen je daar aankwam, wat hebben jullie toen gedaan? A: Toen we het huis binnenkwamen zijn we gelijk naar boven gegaan naar een slaapkamer. Ik zat daar met [betrokkene 3] in een slaapkamer. V: Hoe ging dat? A: Er kwam een snorder in een blauwe auto. Ik was samen met [betrokkene 3] en met [verdachte]. In de auto kregen [betrokkene 3] en ik geld van [verdachte]. Dit was het geld om het ticket te kopen naar Londen. V: Is er verder iets gezegd in de auto? A: Ja, [verdachte] zei dat we een voor een de tickets moesten gaan kopen, zodat het erop zou lijken dat we elkaar niet kenden. In de auto op de terugweg zei [verdachte] nog tegen mij dat ik niet zo naar haar had moeten kijken en zo zenuwachtig had moeten doen. V: Jullie rijden dus weer naar dat huis en wat gebeurde er toen? A: Zijn we gelijk naar boven gegaan naar de slaapkamer. [verdachte] ging toen naar beneden en kwam later weer naar boven, Ik zag toen dat zij een lange duwersbol in haar handen had. A: Ik wilde dit als eerste proberen. [verdachte] deed toen de duwersbol in een condoom en ze deed er glijmiddel op. Hierna ben ik gaan proberen om het in mijn vagina te krijgen. Dit lukte niet want het was veel te groot. [betrokkene 3] is toen gaan proberen de duwersbol in haar vagina te duwen, maar bij haar lukte het ook niet. Hierna ging [verdachte] naar beneden naar die negroïde man om het kleiner te laten maken. Na ongeveer 10 minuten kwam ze terug met die duwersbol. V: Was het nu kleiner gemaakt? A: Dat zei ze maar ik heb er niet echt naar gekeken. Ik heb toen weer geprobeerd om de bol in mijn vagina te krijgen. Maar ook dit keer lukte het niet. A: het was dus al laat en de vlucht was al weg. We zijn toen met die negroïde man en met [betrokkene 3] en [verdachte] naar Schiphol gegaan. Verder met een snorder naar het huis van de negroïde man gegaan. V: Wie zaten er toen allemaal in het huis? A: Die negroïde man was daar. Ook een zus van [verdachte] was daar. Ook zei [verdachte] en die zus dat we in het huis moesten blijven slapen, maar dat wilde ik niet. V: Hoe zijn jullie naar huis gegaan? A: Het was ongeveer twaalf uur en de zus van [verdachte] heeft ons toen thuisgebracht met de Mini Cooper. A: Toen [betrokkene 3] en ik daar al ongeveer 2 uurtjes zaten kwam [verdachte] ook weer naar het huis. [verdachte] vroeg ook nog aan ons of we vanmiddag konden gaan. Verbalisanten tonen een foto van [verdachte]. A: Ja, dit is [verdachte]. Verbalisanten tonen een foto van [medeverdachte 1]. A: Ik weet niet wat zijn naam is, maar dit is wel die negroïde man. V: Wie was de opdrachtgever van dit drugssmokkelincident? A: Ik denk die negroïde man. • Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 22 januari 2008, om 11.45 uur (dossierpagina 42, persoonsdossier B2) inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende: V: Volgens ons onderzoek, was u van plan om naar Engeland te vliegen op 17 december 2007, kunt u hierover iets verklaren. A: Op 17 december 2007, was ik naar Schiphol geweest samen met 2 meisjes. We waren van plan om te reizen met het vliegtuig richting Engeland, echter dit is niet doorgegaan omdat wij de vlucht misten. V: Wat was de reden van deze reis? A: De meisjes moesten de drugs inwendig overbrengen naar Engeland. V: Moest jij ook mee van hem om deze reis te maken op 17 december 2007? A: Nee, tenminste, ik moest er alleen op toe zien dat die meisjes er niet vandoor zouden gaan tijdens het vervoeren van de drugs. • Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 22 januari 2008, om 14.00 uur (dossierpagina 47, persoonsdossier B2) inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende: V: Wat is er gebeurd na je schooltijd op 18 december 2007? A: [medeverdachte 1] belde mij op of ik nog andere meisjes kende die de drugs wilden vervoeren naar Engeland. Ik zei tegen hem dat mijn zus [medeverdachte 4] misschien wel wat meisjes kende om dit te doen. Later werd ik door mijn nicht [betrokkene 1] opgebeld om 2 meiden uit Eindhoven op te halen in de Bijlmer. Ik wist dat deze meiden met mij naar Engeland zouden gaan met verdovende middelen. V: Wat hadden jullie toen gedaan? A: We zijn toen naar het Amstel station gegaan met een snorder om bustickets te kopen. [medeverdachte 1] vertelde ons dat we dit keer met de bus richting Engeland zouden reizen met de verdovende middelen. Hij zie dat de busmaatschappij Euro Lines betrof. V: Wie had geld gegeven voor de bustickets? A: [medeverdachte 1] gaf mij 150 euro. De meiden hebben hun eigen ticket gekocht van dit geld. • Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 22 januari 2008, om 15.18 uur (dossierpagina 56, persoonsdossier B2) inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende: Wij, verbalisanten, tonen verdachte [verdachte] een foto van een andere verdachte in ons onderzoek Guldenroede. Deze verdachte kennen wij als [medeverdachte 1]. V: Wie is deze persoon op deze foto? A: Ja, dat is hem, dat is [medeverdachte 1]. Dit is de persoon van wie ik en de meisjes de drugs moest smokkelen vanuit Nederland naar Engeland met het vliegtuig op 17 december 2007 ern per bus op 18 december 2007. • Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 4] d.d. 22 januari 2008, om 11.14 uur (dossierpagina 43, persoonsdossier B4) inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende: Wij, verbalisanten, tonen verdachte een foto van [medeverdachte 1]. A: Ik ken hem. Hij had gevraagd of ik meisjes ken die een soortemet dildo gebruiken tussen hun benen en dat weg moeten brengen naar Engeland. Er zit drugs in die soortemet dildo’s van volgens boven 200 en onder de 250 gram drugs. Hij noemt zich [medeverdachte 1]. A: Hij heeft mij gevraagd of ik meisjes voor hem wilde regelen om drugs voor hem naar Engeland te smokkelen. Ik heb gewoon meisjes benaderd en die heb ik in contact gebracht met [medeverdachte 1]. Ten aanzien van feit 2 en 3 • Een schriftelijk stuk, te weten het tapgesprek d.d. 25 oktober 2007 om 17.33 uur tussen [verdachte] en [betrokkene 5] (dossierpagina 22, zaaksdossier C1), zakelijk weergegeven onder meer inhoudende: [verdachte]: [betrokkene 5]? [verdachte]. Heb je morgen zin om met ding/spul te gaan? (…) [verdachte]: Maar dan met het vliegtuig weet je. [betrokkene 5]: Ja. Ja. Eigenlijk wil ik wel gaan ja. [verdachte]: Weet je het zeker? [betrokkene 5]: Ja, eigenlijk wel ja, maar dan wil ik mijn geld wel daar beneden. (...) [verdachte]: Ja, eeh, [medeverdachte 1] krijgt ze het geld daar beneden? [betrokkene 5], als ze morgen gaat, krijgt ze het geld daar dan? (opm. tolk: de stem van [medeverdachte 1] is te horen op de achtergrond. [medeverdachte 1]: …..wie?.....ja, ja, ja) [verdachte]: Hij zei ja. [betrokkene 5]: En jij dan, wat doe jij? [verdachte]: Dat weet ik niet, maar ik wil wel met dat klereding gaan. [betrokkene 5]: Ja, maar wil jij ook gaan werken? [verdachte]: Ja, maar hij heeft nog alleen maar eentje nodig, begrijp je? (…) [betrokkene 5]: Ja, maar wat denk jij, met dingen gaan of leeg komen, leeg gaan? (…) [verdachte]: En we hebben een gratis vlucht (stv) plus we hebben meer geld over. (…) [betrokkene 5]: Ja man, ik ga wel vandaag eeh ik wil wel doen morgen. • Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 31 januari 2008, om 11.00 uur (dossierpagina 80, persoonsdossier B2) inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende: V: Wij tonen aan verdachte een foto van verdachte [medeverdachte 3]. V: Herken je deze vrouw? A: Ja! dat is [medeverdachte 3]. • Een schriftelijk stuk, te weten het tapgesprek d.d. 18 december 2007 om 15.33 uur tussen [medeverdachte 1] en NNman0791 (dossierpagina 29, zaaksdossier C7), zakelijk weergegeven onder meer inhoudende: [medeverdachte 1] heeft stress, mannen die drugs in consignatie hebben gegeven willen geld zien. [medeverdachte 1] heeft nieuwe werkers maar geen geld voor hun tickets. • Een schriftelijk stuk, te weten het tapgesprek d.d. 19 december 2007 om 01.39 uur tussen [medeverdachte 1] en NNvrouw (dossierpagina 46, zaaksdossier C7), zakelijk weergegeven onder meer inhoudende: [medeverdachte 1]: Je brengt toch zeven terug? [medeverdachte 3]: Ja, zeven. [medeverdachte 3] heeft 20 pond eruit gehaald om eten te kopen maar heeft problemen met geld opnemen gehad. [medeverdachte 1]: Dat weet ik niet. Ik heb al het papier nodig om aan de man te geven, dat weet je. • Het proces-verbaal van onderzoek inbeslagname van de Koninklijke Marechaussee, Team Migratie Criminaliteit, d.d. 28 februari 2008, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende (dossierpagina 33, zaaksdossier C10): Op 22 januari 2008 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden op het adres van medeverdachte [medeverdachte 2], gelegen aan de [adres] te Amsterdam. Tijdens bovengenoemde doorzoeking en bij de aanhouding zijn goederen in beslag genomen. Omschrijving goed Bijzonderheden Tas Hierin zaten de navolgende goederen Weegschaal Digitaal van het merk Tanita Lepel Hier zijn cocaïnesporen op gevonden Soldeerbout Geen bijzonderheden Mondkap 2x Doos verpakkingsmateriaal 3x met diepvrieszak of boterhamzak Folie 2 afgesneden rollen huishoudfolie Plakband 11 rollen plakband van verschillende maten Naaigarnituur 3 rollen naaigaren Ontvangstbewijs Schipholpas op naam van [medeverdachte 2] • Het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 29 januari 2008, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende (dossierpagina’s 45-47, zaaksdossier C10): Locatie: Amsterdam, [adres] AANGETROFFEN SPOREN Spoortype : Chemische sporen Spooromschrijving : Drugs Veiliggesteld : Bemonsterd Vindplaats : Vanaf lepel SVO : AD08004488-0l Spoortype : Chemische sporen Spooromschrijving : Drugs Veiliggesteld : Bemonsterd Vindplaats : Vanaf weegschaal SVO : AD08004488-02 ONDERZOEK DRUGS Op dinsdag 29 januari 2008 is door ons een sporenonderzoek ingesteld waarbij de lepel en de weegschaal zijn onderzocht op aanwezigheid van verdovende middelen. Wij, verbalisanten zagen dat er een zeer geringe hoeveelheid wit kleurig poeder op zowel de weegschaal als de lepel aanwezig waren. Door mij, verbalisant van Brakel is de lepel en de weegschaal afzonderlijk door middel van een wattenstaafje afgenomen. Deze afname heeft twee keer plaatsgevonden waarbij een wattenstaafje is gebruikt om deze door middel van een MMC test te onderzoeken. Tijdens dit onderzoek gaf de MMC test van zowel de lepel als de weegschaal aan dat er een positieve verkleuring zichtbaar was. Dit houdt in dat er mogelijke aanwezigheid van verdovende middelen voorkomend op lijst 1 van de Opiumwet (cocaïne) is aangetoond. Door mij, verbalisant Van Brakel is het wattenstaafje afkomstig van de lepel voorzien van een afzonderlijk SVO nummer AD08004488-Ol. Door mij, verbalisant Van Brakel is het wattenstaafje afkomstig van de weegschaal voorzien van een afzonderlijk SVO nummer AD08004488-02. Beide sporen zullen voor onderzoek worden verstuurd naar het NFI te Den Haag. • Een schriftelijk stuk, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 15 april 2008 betreffende het onderzoek naar de aangetroffen verdovende middelen, inhoudende de conclusie dat het materiaal ad AD.08004488.01/C 03 01.01.03/lepel en AD 08004488.02/C.03.01.01.02/ weegschaal, cocaïne bevatte, welke substantie is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet. • Het proces-verbaal van doorzoeking woning, d.d. 13 februari 2008, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende (dossierpagina’s 66-67, inbeslagnamedossier E1): Er werd op 18 januari 2008 binnengetreden in de woning, gelegen aan de [adres] te Amsterdam. In genoemde woning werd een tas met kleding met daarin een zakje met een hoeveelheid wit poeder aangetroffen. • Het proces-verbaal van onderzoek inbeslagname, d.d. 20 februari 2008, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende (dossierpagina 48, inbeslagnamedossier C18): Op 19 januari 2008 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden op de verblijfsadressen van verdachte [medeverdachte 1], gelegen aan de [adres] en [adres] te Amsterdam. Tijdens bovengenoemde doorzoekingen zijn goederen in beslag genomen. Omschrijving goed Bijzonderheden Zwarte nylon tas In deze tas zijn de verdovende middelen aangetroffen. Cocaïne In een slaapkamer, in een zwarte nylon tas, zat een vuilniszakje met cocaïne erin. • Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 21 januari 2008, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende (dossierpagina’s 68-69, zaaksdossier C12): Op maandag 21 januari 2008 werd door ons een onderzoek verricht aan de door/bij verdachte [medeverdachte 1] aangetroffen en in beslag genomen -3- slikkersbollen en een -1- brok vermoedelijke cocaïne. Wij zagen dat -3- slikkersbollen qua grootte en vorm nagenoeg identiek waren. Wij hebben deze -3- slikkersbollen categorie A genoemd. De aangetroffen brok vermoedelijke cocaïne hebben wij categorie B genoemd. Het netto gewicht van de aangetroffen stof, bedroeg totaal ongeveer 142.10 gram. Vervolgens nam ik, GROENHEIJDE 2 representatieve monsters van de aangetroffen stof bestemd om ter analyse te worden overgebracht naar het Douanelaboratorium te Amsterdam. Bij het District Koninklijke Marechaussee Schiphol te Schiphol is voornoemde monsterneming ingeschreven onder nummer: 08-004488 A t/m B. • Een schriftelijk stuk, te weten het rapport van het Douane Laboratorium Amsterdam van 23 januari 2008 betreffende het onderzoek naar de aangetroffen verdovende middelen, inhoudende de conclusie dat het materiaal ad 08-004488 A en 08-004488 B, cocaïne bevatte, welke substantie is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet. • Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 41, zaaksdossier C9), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende: Op 2 januari 2008 bevonden wij, verbalisanten, ons op de luchthaven Schiphol, gelegen in de gemeente Haarlemmermeer. Ik, Van der Meer, heb [medeverdachte 3] ter plaatse aangehouden. Ik, verbalisant Hipwell, heb verbalisant De Vries om assistentie verzocht teneinde [medeverdachte 3] aan een kledingonderzoek te onderwerpen. In afwachting van de komst van verbalisant De Vries verklaarde [medeverdachte 3] desgevraagd dat zij een zogenaamde duwersbol met cocaïne in haar lichaam had en dat zij deze zelf wilde verwijderen. [medeverdachte 3] heeft in bijzijn van, verbalisant De Vries, de zogenaamde duwersbol verwijderd uit haar vagina. Hierop heb ik de duwersbol in beslag genomen. • Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen medeverdachte [medeverdachte 3] (dossierpagina 51, zaaksdossier C9), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende: Bij verdachte [medeverdachte 3] werd een zogenaamde duwersbol aangetroffen. Het nettogewicht van de aangetroffen stof, bedroeg totaal 193,2 gram. Monsterneming ingeschreven onder nummer 08-000306 A. • Een schriftelijk stuk, te weten het deskundigenrapport van het Douane Laboratorium d.d. 8 januari 2008 opgesteld door mw. Drs. M.M. Sarneel, hoofdscheikundige (dossierpagina 73, zaaksdossier C9), onder meer inhoudende dat het monster onder nummer 08-000306A cocaïne bevat. • Een schriftelijk stuk, te weten het tapgesprek d.d. 15 oktober 2007 om 18.35 uur tussen [medeverdachte 1] en [naam] van Easyjet (dossierpagina 27, zaaksdossier C3), - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende: [medeverdachte 1] vraagt wat de prijs is en hoeveel plaatsen en nog beschikbaar zijn. [naam] zegt dat er nog minstens 15 plaatsen zijn en de prijs is 172 euro 99 voor een enkele reis plus creditcardkosten ad 7 euro 50. • Een schriftelijk stuk, te weten het tapgesprek d.d. 30 oktober 2007 om 17.40 uur tussen [medeverdachte 1] en NNvrouw2514 (dossierpagina 32, zaaksdossier C2), - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende: [medeverdachte 1] heeft het Turkse meisje (NNV2) gesproken. (…) NNV2 had NNV gevraagd hoe het zit met NNV2’s zussen, wanneer die terugkomen. [medeverdachte 1] heeft ‘hen’ net gebeld en het gaat prima met ze, ze had gezegd dat het prima gaat met ze, alleen moet de babysitter geld hebben. Ze wil volgens [medeverdachte 1] alleen geld voor zichzelf, (ntv). [medeverdachte 1] zegt dat ze vandaag of morgen terugkomen. • Een schriftelijk stuk, te weten het tapgesprek d.d. 30 oktober 2007 om 20.29 uur tussen [medeverdachte 1] en NNman8194 (dossierpagina 33, zaaksdossier C2), - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende: [medeverdachte 1] zegt hij laat weten dat de vlucht van [medeverdachte 5] is geboekt voor mogen om over te komen met dat papier. • Een schriftelijk stuk, te weten het tapgesprek d.d. 2 december 2007 om 02: 19 uur tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] (dossierpagina 15, zaaksdossier C14), zakelijk weergegeven onder meer inhoudende: Vrouw vraagt of [medeverdachte 1] weet hoe laat het morgen zal zijn. [medeverdachte 1] is er niet zeker van - elf, of een of twee’. Waarop vrouw zegt: dat is een groot tijdsverschil, als ik daar om tien uur ben. [medeverdachte 1] zegt, je hoeft niet alles te wisselen, je hebt het geld voor je vlucht. Ze moet dat geld apart houden. Vrouw gaat ‘hem’ nu bellen. Vrouw vraagt hoeveel ze eruit moet halen. Twee biljetten [lett. Twee bills], zeg [medeverdachte 1] maar het is al gewisseld. Vrouw zegt ‘hij’ moet toch twee biljetten hebben want ik betaal de vlucht niet. • Een schriftelijk stuk, te weten het tapgesprek d.d. 2 december 2007 om 14:20 uur tussen [medeverdachte 1] en NNvrouw [medeverdachte 3] (dossierpagina 25, zaaksdossier C14), zakelijk weergegeven onder meer inhoudende: [medeverdachte 1]: Hoeveel ponden gaf je aan haar? NNM: Ehh..negen honderd vijf en zeventig. [medeverdachte 1]: 9 7 5 NNM: Negen honderd vijf en zeventig..ja. (…) [medeverdachte 1]: Maar ik heb die vijf ‘bulls’ [vermoedelijk vijftig] morgen nodig dat weet je. • Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 4] d.d. 22 januari 2008, om 13.30 uur (dossierpagina 51, persoonsdossier B4) inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende: V: Doet u wel eens bank of geldzaken via Western Union? A: Heb ik wel gedaan, dit om geld te ontvangen, maar niet geld voor mezelf. Maar wel voor iemand van hun, ook voor [medeverdachte 1]. Ik moest dan geld aan hem geven. Ik kreeg hier een vergoeding voor. • Een schriftelijk stuk, te weten overzicht geldtransfers (dossierpagina 143, persoonsdossier B4) inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende: Opdrachtgever Begunstigde Transactie datum Bedrag [naam] [medeverdachte 4] 17-12-2007 EUR 605 [naam] [medeverdachte 4] 19-12-2007 EUR 364 [naam] [medeverdachte 4] 21-12-2007 EUR 2.663 Ten aanzien van feit 3 • Een schriftelijk stuk, te weten het tapgesprek d.d. 29 oktober 2007 om 13.22 uur tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 6] (dossierpagina 29, zaaksdossier C1), - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende: [medeverdachte 1] heeft een grote ‘shot’ in een keer. (…) [medeverdachte 1] heeft het over dat de meisjes ‘het’ in hun poem poem moeten duwen. • Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 65, zaaksdossier C1), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende: Op 29 oktober 2007 werden [betrokkene 5] en [verdachte] aangehouden op Schiphol. In de zwarte canvas rolkoffer van [verdachte] werd in totaal een bedrag van € 3.800,- aangetroffen. Bij [betrokkene 5] werd middels een inwendig onderzoek een duwersbol aangetroffen. Uit nader onderzoek van deze duwersbol blijkt dat deze een totaalbedrag van € 8.000,- bevatte. • Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, onderzoek lichaam (dossierpagina 64, zaaksdossier C1), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende: In het onderlichaam van [betrokkene 5] werd een hoeveelheid bankbiljetten aangetroffen. • Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 23 januari 2008 (dossierpagina 94, zaaksdossier C1) inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende: [betrokkene 7] zei me geld inwendig te laten vervoeren. Ik weigerde want stop niets naar binnen, geen drugs of geld. Het geld dat ik moest vervoeren en wat aangetroffen werd bij mijn aanhouding op Schiphol, 29 oktober 2007, deed ik uiteindelijk in mijn eigen portemonnee. V: Werden jullie gedwongen door iemand om geld inwendig te vervoeren? A: Nee. Ik wist dat [betrokkene 5] wel had geduwd. Ik weet wel dat ze meer geld bij zich had. Dit geld wat zij bij zich had was ook van [betrokkene 7] namens [medeverdachte 1]. • Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 25 januari 2008, inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende: Ik blijf bij de verklaringen die ik eerder heb afgelegd. De foto die u mij toont en waarvan u zegt dat dit de enige foto van een manspersoon is van dit voorgeleidingsdossier, herken ik als [medeverdachte 1]. Ik heb pas later gehoord dat hij [medeverdachte 1] heette. Hij belde mij altijd als hij mijn hulp wilde. Ik hield mij bezig met het begeleiden en vinden van koeriers. Per geslaagd transport ontving ik 300 euro. 3.3 Bewijsoverweging Ten aanzien van feit 1 De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – betoogd dat de feitelijke handelingen welke volgens de officier van justitie de verlengde uitvoer vormen, in de tenlastelegging moeten worden opgenomen. Dit is niet gebeurd zodat de tenlastelegging kennelijk ziet op het begrip ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’ met de betekenis die daaraan in het algemeen spraakgebruik toekomt. Nu van daadwerkelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen geen sprake is geweest, dient verdachte te worden vrijgesproken. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt. Ten laste is gelegd onder meer dat verdachte ‘buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht al dan niet bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet’ een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne. Gelet op artikel 1, vijfde lid van de Opiumwet valt onder ‘buiten het grondgebied van Nederland gebracht’ ook ‘het met bestemming naar het buitenland vervoeren’, hetgeen in de begripsbepaling van dit artikellid is opgenomen. Dit behoeft geen nadere feitelijke uitwerking in de tenlastelegging. Nu uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte samen met anderen verdovende middelen met bestemming naar het buitenland heeft vervoerd, kan het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend worden bewezen. Ten aanzien van de cocaïne Ten aanzien van de bewezen verklaarde bestanddelen ‘cocaïne’ neemt de rechtbank de volgende omstandigheden – bezien in onderling verband en samenhang bezien - in aanmerking. Op 2 januari 2008 is medeverdachte [medeverdachte 3] op Schiphol aangehouden door de Koninklijke Marechaussee. Daarbij was zij in het bezit van een zogenaamde duwersbol met daarin materiaal bevattende cocaïne, zoals vastgesteld door het Douane Laboratorium in het rapport d.d. 8 januari 2008 . Op 24 januari 2008 verklaart medeverdachte [medeverdachte 3] dat als zij met [medeverdachte 1] sprak over “food” zij drugs bedoelden. Zij is in opdracht van hem op 2 januari met verdovende middelen naar Engeland gereisd. Op 19 januari 2008 is tijdens de doorzoeking in het pand aan de [adres] te Amsterdam, de woning waar medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verbleven, blijkens het rapport van het Douane Laboratorium Amsterdam van 23 januari 2008 materiaal bevattende cocaïne aangetroffen. Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 4] afgelegd op 22 januari 2008 blijkt dat [medeverdachte 1] haar had gevraagd of zij meisjes kende die voor hem drugs naar Engeland wilden smokkelen. Medeverdachte [medeverdachte 3] verklaart in haar verhoor op 24 januari 2008 (14:10 uur), dat zij bij [medeverdachte 2] thuis is geweest. [medeverdachte 2] pakte volgens [medeverdachte 3] het ‘spul’ in, wat zij ook ten tijde van haar aanhouding bezig had. Uit het vorengenoemde rapport van het Douane Laboratorium van 8 januari 2008 blijkt dat [medeverdachte 3] cocaïne bij zich had ten tijde van haar aanhouding. Aan [medeverdachte 3] wordt, door de verbalisanten, een foto getoond van medeverdachte [medeverdachte 2]. Zij herkent hem als [medeverdachte 2]. Op 22 januari 2008 zijn tijdens een doorzoeking op het adres van medeverdachte [medeverdachte 2], gelegen aan de [adres] te Amsterdam, diverse gereedschappen en verpakkingsmaterialen aangetroffen. Hierbij zijn op enkele delen van dit gereedschap (te weten een lepel en een weegschaal) sporen aangetroffen van een materiaal bevattende cocaïne (rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 15 april 2008). Uit het dossier blijkt dat de modus operandi van de verdachten steeds hetzelfde was. Vanuit Engeland werd geld naar Nederland vervoerd of overgemaakt en vanuit Nederland ging cocaïne weer terug richting Engeland. De rechtbank heeft uit het dossier en uit het onderzoek ter terechtzitting geen aanwijzingen verkregen, dat verdachte en haar mededaders zich met andere verdovende middelen dan cocaïne hebben beziggehouden. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte en haar mededaders cocaïne hebben geëxporteerd, danwel voorbereidingshandelingen daartoe hebben getroffen. Ten aanzien van het medeplegen van de voorbereidingshandelingen De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen af dat er een samenwerkingsverband heeft bestaan tussen verschillende personen die zich bezighielden met het voorbereiden en de uitvoer van drugstransporten. Medeverdachte [medeverdachte 1] trad binnen dat verband op als organisator van de drugstransporten en hij onderhield de contacten met de daarbij betrokken personen. Medeverdachte [medeverdachte 2] hield zich bezig met preparen van bollen met cocaïne. Verdachte heeft in opdracht van [medeverdachte 1] meisjes benaderd die drugs dienden te vervoeren naar Engeland en geld mee terug zouden moeten nemen. Ook haar zuster, medeverdachte [medeverdachte 4], diende meisjes te regelen voor [medeverdachte 1] die drugs moesten vervoeren. Verdachte had binnen het netwerk rechtstreeks contact met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] en kende medeverdachte [medeverdachte 3], die optrad als koerier van cocaïne en geld. Uit de bewijsmiddelen blijkt weliswaar niet dat verdachte ook rechtsreeks contact heeft gehad met de andere binnen het netwerk optredende personen. Echter, door actief deel te nemen aan een samenwerkingsverband van mensen dat zich bezighield met het organiseren van drugstransporten, heeft zij zich aangesloten bij de verrichtingen van elke andere persoon die optrad binnen dat samenwerkingsverband. De rechtbank acht dan ook bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachten. Ten aanzien van feit 3 en de criminele herkomst van het geld De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte geen wetenschap heeft gehad van de criminele herkomst van het geld dat zij vervoerde. De bedragen die zij vervoerde waren ook niet dusdanig hoog dat zij dit had moeten weten. Derhalve dient verdachte vrijgesproken te worden van hetgeen haar als feit 3 ten laste is gelegd, aldus de raadsman. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Nu verdachte samenwerkte met andere personen waaronder medeverdachte [medeverdachte 1] teneinde transporten van cocaïne naar Engeland voor te bereiden en uit te voeren, kan het niet anders zijn dan dat het geld dat zij en medeverdachte [betrokkene 5] op verzoek van medeverdachte [medeverdachte 1] vanuit Engeland naar Nederland op heimelijke wijze hebben vervoerd, afkomstig was uit de verdiensten van die uitvoer en dat verdachte en [betrokkene 5] dit ook wisten. 4. Strafbaarheid van de feiten Het bewezen verklaarde levert op: feit 1: voortgezette handeling van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod; feit 2: medeplegen van het voorbereiden en/of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door zich of een ander gelegenheid of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, of mede te plegen, daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, en voorwerpen en gelden voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd; feit 3: witwassen. 5. Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar. 6. Motivering van sancties en van overige beslissingen 6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd aan het voorwaardelijke deel van de straf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen haar te geven door of namens de Reclassering Nederland. Tevens vordert de officier van justitie verbeurdverklaring van de bij verdachte in beslag genomen reisbescheiden en mobiele telefoon. 6.2. Hoofdstraf Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit het door de Reclassering Nederland opgestelde rapport van 5 maart 2009 is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen. Op 18 december 2007 heeft verdachte samen met anderen verdovende middelen met bestemming naar het buitenland vervoerd. Verdachte heeft daarnaast samen met anderen voorbereidingshandelingen verricht, gericht op het uitvoeren van verdovende middelen. In dat kader heeft verdachte onder meer contact gehad met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4]. De rol van verdachte bestond uit het ronselen van koeriers voor het vervoeren van de cocaïne naar Engeland. Tevens begeleidde zij deze koeriers tijdens hun reis. Cocaïne is een voor de gezondheid zeer schadelijke stof. Tevens gaan de verspreiding van en handel in cocaïne gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. De rechtbank verwijt verdachte dat zij zich heeft beziggehouden met in de Opiumwet strafbaar gestelde feiten en daarbij enkel uit winstbejag hebben gehandeld zonder zich te bekommeren omtrent de gezondheidsrisico’s van anderen. Daarnaast heeft verdachte zich op 29 oktober 2007 samen met haar medeverdachten schuldig gemaakt aan witwassen van meerdere geldbedragen. Door aldus te handelen heeft verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken, hetgeen een ernstige aantasting van de integriteit van het financieel en economisch bestel betekent. Naar het oordeel van de rechtbank staan de door haar bewezen verklaarde feiten 1 en 2 in zodanig verband, dat zij moeten worden beschouwd als voortgezette handelingen. De bewezen verklaarde feiten zijn het gevolg van dezelfde (ongeoorloofde) wilsbesluiten en bestaan uit gelijksoortige handelingen. Gelet op artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank derhalve de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten één strafbepaling toepassen. Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte geen rol in de organisatie van de cocaïnetransporten heeft gespeeld. Zij is een van de personen geweest die medeverdachte [medeverdachte 1] om zich heen heeft verzameld die meiden moest regelen om de drugs van Nederland naar Engeland te vervoeren en geld mee terug te nemen. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de cocaïne op 18 december 2007 niet in Engeland is aangekomen. Immers, de koeriers die de cocaïne per bus naar Engeland zouden vervoeren zijn er in Nederland met de cocaïne vandoor gegaan. Gelet op bovengenoemde omstandigheden en gelet op het feit dat de rechtbank de bewezen verklaarde feiten onder 1 en 2 als voortgezette handelingen beschouwd, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Op grond van het voren overwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de Reclassering Nederland gedurende de proeftijd noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden. 6.3. Verbeurdverklaring De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten reisbescheiden, een memo en een mobiele telefoon, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met behulp van die aan verdachte toebehorende voorwerpen, is begaan en/of voorbereid. 7. Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 55, 56, 57, 240bis van het Wetboek van Strafrecht. 2, 10, 10a van de Opiumwet. 8. Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.2. vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij. Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4.1. vermelde strafbare feiten opleveren. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden. Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar. Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien: – verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt; – verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat zij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang die instelling dat nodig acht. Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Verklaart verbeurd: - 1.00 STK Instapkaart BMI - 1.00 STK Instapkaart EASYJET - 1.00 STK Vliegticket - 1.00 STK Claimtag AVIAPARTNER - 2.00 STK Claimtag EASYJET - 1.00 STK Diverse HOTELRESERVER. - 1.00 STK Diverse HOTELRESERVER. - 1.00 STK Telefoontoestel SAMSUNG - 1.00 STK Notitie en memo Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. 9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. Eichperger, voorzitter, mr. Van den Bos en mr. Van der Lelie, rechters, in tegenwoordigheid van de griffiers mr. De Witte en mr. Zeeman, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 maart 2009.