Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI0676

Datum uitspraak2001-03-08
Datum gepubliceerd2009-04-09
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers99/936 AW + 99/937 AW +99/938 AW + 99/939 AW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Beoordeling. Ontslag. Ingangsdatum. Wachtgeld. Spaarloon.


Uitspraak

99/936 t/m 99/939 AW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellant], appellant, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam op 27 november 1998 onder de nrs. AW 96/0598-S1, AW 96/3344-S1, AW 97/3172-S1 en AW 98/0405-S1 gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Appellant heeft daarop een schriftelijke reactie gegeven. De gedingen zijn behandeld ter zitting van 25 januari 2001. Appellant is daar in persoon verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Schaap, werkzaam bij het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie. II. MOTIVERING Gedaagde heeft appellant ingaande 1 juli 1978 aangesteld als juridisch medewerker bij de afdeling [naam afdeling]. Appellant is met gedaagde verwikkeld geraakt in diverse procedures, hetgeen onder meer heeft geleid tot de thans aangevallen uitspraak van de rechtbank. De Raad zal het grote aantal formele en materiële grieven van appellant tegen die uitspraak - vervat in een beroepschrift van meer dan 200 bladzijden - in beschouwing nemen in een algemeen gedeelte en verder aan de hand van de onderliggende besluiten. 1. algemeen Appellant heeft er met juistheid op gewezen dat de aangevallen uitspraak is verzonden met overschrijding van de in artikel 8:79, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vermelde termijn. Die omstandigheid leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De Raad overweegt daartoe dat de Raad niet gebleken is dat die uitspraak overigens in strijd met de regels van een goede procesorde tot stand is gekomen, terwijl appellant door de overschrijding niet in zijn processuele belangen is geschaad. De Raad is voorts van oordeel, onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 8 december 1999 in de zaak Pellegrin tegen Frankrijk (AB 2000/195 en JB 2000/19), dat het door appellant terzake van de duur van de procesgang gedane beroep op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden reeds daarom niet slaagt, omdat appellant ten tijde hier van belang uit hoofde van zijn functie van juridisch medewerker bij de afdeling [naam afdeling] belast was met taken die kenmerkend zijn voor typische overheidsactiviteiten. De Raad merkt verder nog op dat noch uit artikel 8:69 van de Awb noch uit artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb voortvloeit dat de rechtbank in haar uitspraak op alle door een belanghebbende aangevoerde argumenten afzonderlijk heeft in te gaan. 2. besluit van 19 juni 1997 Appellant heeft op 22 april 1997 bij gedaagde bezwaar gemaakt tegen de ten aanzien van hem op 10 februari 1993 door de directeur van de hoofdafdeling Bestuurszaken vastgestelde beoordeling. Deze beoordeling betrof de periode van 1 augustus 1992 tot en met 31 december 1992 en was opgemaakt door het hoofd van de afdeling [naam afdeling]. Bij het bestreden besluit van 19 juni 1997 heeft gedaagde het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen dat bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, naar het oordeel van de Raad terecht, overwogen dat de vraag of het door gedaagde in het bestreden besluit ingenomen standpunt juist is te achten, gelet op artikel I, tweede lid, van het overgangsrecht bij de Awb, beoordeeld dient te worden naar het recht zoals dat gold voor 1 januari 1994. De Raad is voorts van oordeel dat de rechtbank ook op goede gronden heeft geoordeeld dat gedaagde appellants bezwaar wegens termijnoverschrijding terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad volstaat hier dan ook met te verwijzen naar de overwegingen dienaangaande van de rechtbank. Naar aanleiding van appellants betoog in hoger beroep voegt de Raad hier nog aan toe dat gedaagde appellant medio 1993 in duidelijke bewoordingen in de gelegenheid heeft gesteld om, nadat appellant tegen de vastgestelde beoordeling beroep bij de bestuursrechter had ingesteld, dat beroep als bezwaar te laten behandelen. Appellant heeft dat evenwel uitdrukkelijk - zelfs onder dreiging van het vragen van een beslissing bij voorraad - niet gewild, maar is gebleven bij zijn keuze voor de uiteindelijk tevergeefs gebleken weg van rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. In aanmerking genomen voorts dat gedaagde in de gegeven omstandigheden niet gehouden was om appellant, voorafgaande aan het nemen van het bestreden besluit, in de gelegenheid te stellen zijn standpunt mondeling toe te lichten, is de Raad van oordeel dat de rechtbank het hier besproken bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. 3. besluit van 29 januari 1998 Bij besluit van 2 november 1993, bekend gemaakt op 29 november 1993, heeft de directeur van de hoofdafdeling Bestuurszaken een door het hoofd van de afdeling [naam afdeling] ten aanzien van appellant opgemaakte beoordeling over de periode 1 januari tot en met 31 december 1993 vastgesteld, waarin is geconcludeerd, kort gezegd, dat appellant niet goed functioneert. Het daartegen door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep is uiteindelijk, bij uitspraak van deze Raad van 3 april 1997 (TAR 1997, 109), niet-ontvankelijk verklaard, omdat daartegen op grond van artikel F 16 van het Algemeen Ambtenarenreglement van de gemeente Capelle aan den IJssel (hierna: het AAR) eerst bezwaar moest worden gemaakt. Aangezien appellant tegen de vastgestelde beoordeling destijds ook bezwaar had gemaakt, heeft gedaagde dat bezwaar, op verzoek van appellant, alsnog in behandeling genomen. Bij het bestreden besluit van 29 januari 1998 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft betoogd dat artikel 5, tweede lid, van het hier van toepassing zijnde, op artikel F 16 van het AAR gebaseerde, Beoordelingsreglement 1991, ingevolge welke bepaling het hoofd van dienst de beoordeling vaststelt, onverbindend is wegens strijd met artikel 211 van de gemeentewet (oud). Zoals de Raad al heeft overwogen met betrekking tot een soortgelijke bepaling in zijn tussen appellant en gedaagde gewezen uitspraak van 3 april 1997 met betrekking tot een over het tijdvak van 1 oktober 1990 tot 1 augustus 1992 opgemaakte beoordeling vermag de Raad, anders dan appellant, zulks niet in te zien. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het betrokken Beoordelingsreglement, althans voor zover hier aan de orde, ook overigens rechtsgeldig is te achten. De rechtbank heeft voorts met juistheid geconstateerd dat de wijze van totstandkoming van het bestreden besluit geen aanleiding vormt voor vernietiging daarvan. Hierbij wil de Raad erop wijzen dat appellant in allerlei opzichten zijn medewerking aan het opmaken van de beoordeling heeft geweigerd, hetgeen uitdrukkelijk voor zijn risico moet worden gelaten. De Raad onderschrijft verder ten volle hetgeen de rechtbank met betrekking tot de hier aan de orde zijnde beoordeling ten gronde heeft overwogen. De grief van appellant dat hij op de zes aangegeven zogeheten kernresultaatgebieden goed functioneert en dat hij alleen waar het betreft de zogeheten gedragscriteria onvoldoende scoort, treft geen doel. In de beoordeling is duidelijk, en goed gemotiveerd, aangegeven dat de bij appellant geconstateerde problemen op het terrein van de gedragscriteria duidelijk hun weerslag hebben op het functioneren op de kernresultaatgebieden, op grond waarvan gesproken wordt over onvoldoende functioneren op het gehele werkterrein. Dat appellant ook volgens gedaagde beschikt over voldoende vakinhoudelijke kennis doet daaraan niet af. In dit verband wil de Raad niet onvermeld laten dat gedaagde bij de beoordeling van appellants functioneren, gelet op de inhoud van de functie, naast de vaste gedragscriteria klantgerichtheid, prestatiemotivatie, flexibiliteit en samenwerking, redelijkerwijs de gedragscriteria onderhandelen en tactisch inzicht mocht hanteren. Dat daarover met appellant vooraf geen afspraak is gemaakt, zoals is voorgeschreven, is te wijten aan appellants eigen opstelling ter zake van het opmaken van de beoordeling. Uit het vorenstaande volgt dat het hier besproken bestreden besluit in rechte stand houdt. Hetgeen appellant overigens met betrekking tot dit besluit heeft aangevoerd leidt de Raad niet tot een ander oordeel. 4. besluit van 8 januari 1996 De rechtbank heeft geconstateerd dat appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het – bij bovenvermeld besluit gehandhaafde - besluit van 3 juli 1995 dat strekt tot intrekking van het hem met ingang van 30 december 1994 verleende, op artikel H 9 van het AAR gebaseerde, ontslag. Die intrekking heeft plaatsgevonden, omdat gedaagde van mening was dat de in beroep door appellant aangevoerde grief, inhoudende dat artikel H 9 van het AAR ten tijde van die ontslagverlening was vervallen, juist bleek te zijn. In hoger beroep heeft appellant als belang gewezen op de door hem in eerste aanleg verzochte schadevergoeding in verband met het hem onterecht verleende ontslag. Dienaangaande overweegt de Raad dat de rechtbank in haar uitspraak van 18 juli 1996, nr. AW 95/1805, waarbij de ontslagverlening per 30 december 1994 is vernietigd, heeft bepaald dat gedaagde met inachtneming van het gestelde in die uitspraak een besluit dient te nemen ten aanzien van appellants verzoek om schadevergoeding. Dat verzoek betrof de schade die veroorzaakt werd door het onrechtmatig geachte besluit tot ontslag per 30 december 1994. Aangezien tegen die uitspraak indertijd geen hoger beroep is ingesteld, vermag de Raad niet in te zien dat appellant, waar het de door hem in relatie met de intrekking van het hem verleende ontslag genoemde schade betreft, nog belang had bij een beoordeling van de rechtmatigheid van die intrekking. Dit betekent dat de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 8 januari 1996 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. 5. besluit van 18 juli 1996 a. inleiding De gemeenteraad heeft op 15 mei 1995 opnieuw artikel H 9 in het AAR opgenomen, welk artikel gedaagde onder meer de mogelijkheid biedt een ambtenaar wegens ongeschiktheid, anders dan wegens ziekten of gebreken, te ontslaan. Onder intrekking van het appellant per 30 december 1994 verleende ontslag heeft gedaagde appellant bij brief van 3 juli 1995 in kennis gesteld van het voornemen hem -andermaal- eervol ontslag te verlenen, wegens ongeschiktheid, anders dan op grond van ziekten of gebreken. Bij besluit van 22 december 1995, zoals aangevuld bij brief van 8 januari 1996, heeft gedaagde aan dat voornemen uitvoering gegeven. Daarbij is tevens vermeld dat appellant aan het ontslag recht op wachtgeld ontleent overeenkomstig de bepalingen van de Wachtgeldverordening en dat afzonderlijk bericht zal worden gegeven omtrent de hoogte en de duur van het wachtgeld, hetgeen is geschied in gedaagdes brief van 11 januari 1996. Verder is meegedeeld dat appellant in aanmerking wordt gebracht voor de spaarloonregeling over de periode 1 januari 1995 tot 30 december 1995. Voorts heeft gedaagde, in aansluiting op hetgeen in de brief van 22 december 1995 was meegedeeld omtrent het spaarloon, appellant bij brief van 15 april 1996 onder meer bericht dat de deelname aan de spaarloonregeling wordt beëindigd, omdat deze slechts is voorbehouden aan ambtenaren in actieve dienst. Gedaagde heeft de door appellant tegen het ontslag, het wachtgeld en het spaarloon gemaakte bezwaren ongegrond verklaard bij het bestreden besluit van 18 juli 1996. b. algemeen De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit, wat betreft de wijze van totstandkoming, in rechte stand houdt. De Raad volstaat hier met te verwijzen naar hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen. c. het ontslag Bij zijn besluit van 22 december 1995 heeft gedaagde appellant ontslag verleend wegens ongeschiktheid als bedoeld in artikel H 9, eerste lid, van het AAR. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat die bepaling in ieder geval ten tijde van het ontslagbesluit, toen aan die bepaling op voldoende wijze bekendheid was gegeven, in werking was getreden. Overigens wil de Raad in dit verband niet onvermeld laten dat, indien appellants zienswijze zou worden gevolgd dat de betrokken bepaling wegens gebreken in de wijze van bekendmaking niet in werking is getreden, geconcludeerd zou moeten worden dat de enige tijd daarvoor plaatsgevonden intrekking van artikel H 9 (oud) van het AAR, waarin dezelfde ontslaggrond was opgenomen als thans aan de orde is, wegens dezelfde gebreken waarop appellant zich beroept ook niet in werking is getreden, zodat dit artikel onverkort van kracht was gebleven. Dat in het ontslagbesluit van 22 december 1995 niet met zoveel woorden is vermeld dat de ingangsdatum van het ontslag 30 december 1995 is, maakt dat besluit niet onhoudbaar. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant die ingangsdatum uit de contekst van het besluit kunnen opmaken, in het bijzonder nu in datzelfde besluit met betrekking tot de deelname aan de spaarloonregeling gesproken wordt over een periode tot 30 december 1995. Het niet expliciet vermelden van de datum berust op een kennelijke omissie, zoals is af te leiden uit het kenbaar ontbreken van een desbetreffende passage in de tekst van het besluit van 22 december 1995, welke omissie is hersteld bij gedaagdes brief van 8 januari 1996. In deze brief ziet de Raad, anders dan appellant heeft betoogd, slechts dat herstel en niet een intrekking van het besluit van 22 december 1995 en een nieuw ontslagbesluit. De Raad is voorts, wederom onder verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank, van oordeel dat gedaagde op goede gronden heeft geconcludeerd dat appellant ongeschikt was, anders dan op grond van ziekten of gebreken, als bedoeld in artikel H 9 van het AAR. Hetgeen appellant hieromtrent in hoger beroep heeft aangevoerd is in grote lijnen een herhaling van zijn argumenten in eerste aanleg, en die argumenten zijn op deugdelijke wijze door de rechtbank besproken en weerlegd. Ook voor de Raad staat op grond van de gedingstukken, waaronder in het bijzonder de door de rechtbank in haar uitspraak aangehaalde stukken, onmiskenbaar vast dat appellant over onvoldoende sociale en communicatieve vaardigheden en onvoldoende flexibiliteit beschikt en daardoor in betekenende mate tekortschoot in zijn functioneren als ambtenaar. Aan gedaagde kwam derhalve de bevoegdheid toe appellant om die reden ontslag te verlenen. De Raad heeft in al hetgeen appellant naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat gedaagde van die bevoegdheid geen gebruik had mogen maken. De Raad acht in dit verband van belang dat appellant voldoende in de gelegenheid is gesteld verbeteringen aan te brengen in zijn tekortschietende, voor het functioneren als ambtenaar noodzakelijke, kwaliteiten. Appellant is echter onwillig en niet in staat gebleken over zijn functioneren te communiceren en is uiteindelijk verzand in als recalcitrant en onhebbelijk aan te merken gedrag binnen de arbeidsorganisatie als geheel, tegenover gedaagde en tegenover de gemeente. Herplaatsing van appellant in enige andere functie binnen de gemeente was derhalve niet aan de orde. De Raad overweegt voorts dat geenszins aannemelijk is geworden dat het ontslagbesluit is ingegeven door het feit dat appellant actief lid was van de Medezeggenschapscommissie. Reeds voordat sprake was van dat lidmaatschap werd appellants gedrag gekenmerkt door een inflexibele opstelling. Verder deelt de Raad niet het standpunt van appellant dat niet tot ontslagverlening mocht worden overgegaan zolang niet een financiële regeling was getroffen die wat hoogte betreft uitstijgt boven het niveau van het reguliere wachtgeld. Anders dan appellant heeft gesteld vloeit zijn ongeschiktheid niet voort uit aan gedaagde toe te rekenen factoren. De door appellant genoemde gevallen, waarin wel een dergelijke financiële of anderszins gunstiger regeling is getroffen, betroffen hetzij ontslag wegens opheffing van de betrekking, hetzij ontslag met plaatsing elders, en zijn derhalve niet vergelijkbaar met de situatie van appellant. De Raad komt aldus tot de slotsom dat gedaagdes beslissing om gebruik te maken van de hem gegeven ontslagbevoegdheid en om appellant per 30 december 1995 te ontslaan, 's Raads toetsing kan doorstaan. d. het wachtgeld Appellant heeft niet gesteld dat bij de berekening van 11 januari 1996 de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften op onjuiste wijze zijn toegepast, maar hij heeft aangevoerd dat gedaagde op grond van het vertrouwensbeginsel gehouden was om niet minder wachtgeld te verstrekken dan hem was toegekend wegens het hem per 30 december 1994 verleende ontslag. Het nadeel dat thans ontstaat is door hem becijferd op ruim f 150.000,-. De Raad stelt dienaangaande vast dat, zoals ter zitting is gebleken, bij de berekening van 11 januari 1996 een aanvankelijk gemaakte fout in de berekening van het wachtgeld is hersteld. De bevoegdheid tot het herstellen van deze fout kan gedaagde niet worden ontzegd, in aanmerking genomen dat een en ander eerst na enkele jaren tot consequenties zou hebben geleid. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat gedaagde, nu inmiddels per 1 januari 1995 de uitkeringspercentages waren verlaagd, niet op grond van het vertrouwensbeginsel gehouden was om appellant alsnog wachtgeld naar de per 30 december 1994 geldende percentages te verstrekken. Van een toezegging in de brief van 30 juli 1995 is ook volgens de Raad geen sprake. Ten slotte is mede van belang dat appellant door de intrekking van het hem per 30 december 1994 verleende ontslag, welke intrekking heeft plaatsgevonden na door appellant tegen dit ontslag ingesteld beroep, één jaar langer recht had op zijn volledige bezoldiging, hetgeen ook doorwerkt in de wachtgeldtoekenning. e. het spaarloon De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel heeft in artikel 1 van het door hem vastgestelde spaarloonreglement bepaald dat door gedaagde ten behoeve van het personeel in dienst van de gemeente een spaarloonregeling wordt aangegaan. Nu appellant, na zijn ontslag, niet langer behoorde tot het personeel in dienst van de gemeente heeft gedaagde op goede gronden besloten om appellant met ingang van 1 januari 1996 niet langer te laten deelnemen aan de gemeentelijke spaarloonregeling. In hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd heeft de Raad evenmin aanleiding gezien te oordelen dat het bestreden besluit van 18 juli 1996 dient te worden vernietigd. In aanmerking genomen dat de Raad geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gewezen door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.C.F. Talman en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2001. (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) P.M. Okyay-Bloem. HD