Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI1000

Datum uitspraak2009-04-10
Datum gepubliceerd2009-04-15
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersBK 11/08 Inkomstenbelasting
Statusgepubliceerd


Indicatie

Tussen partijen is in geschil of aan belanghebbende terecht een dwangbevel is uitgevaardigd waarbij kosten van betekening in rekening zijn gebracht.


Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN Belastingkamer Kenmerk: 08/11 Uitspraakdatum: 10 april 2009 uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de ontvanger van de Belastingdienst/Noord, de ontvanger tegen de uitspraak in de zaak AWB 07/563 van de rechtbank Leeuwarden van 18 december 2007 in het geding tussen X te Z, belanghebbende en de ontvanger. 1. Het ontstaan en de loop van het geding 1.1 Met dagtekening 15 september 2006 is aan belanghebbende over het jaar 2005 een voorlopige aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV). 1.2 Aan belanghebbende is ter zake van deze aanslag op 16 januari 2007 een dwangbevel met bevel tot betaling uitgereikt ter zake van voormelde aanslag. Het betreft een bedrag van € 105.805 vermeerderd met € 7.084 voor kosten van betekening. 1.3 Belanghebbende heeft bij brief van 22 januari 2007 bezwaar gemaakt tegen de kosten van betekening. 1.4 Bij uitspraak op bezwaar van 8 februari 2007 heeft de ontvanger het bezwaar ongegrond verklaard. 1.5 Bij uitspraak van 18 december 2007, verzonden op 19 december 2007, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen namens belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard. De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd, de kosten van betekening van het dwangbevel verminderd tot nihil en vergoeding van het griffierecht gelast. 1.6 In eerste aanleg is geprocedeerd zoals weergegeven in voormelde uitspraak van de rechtbank. 1.7 Tegen deze uitspraak is door de ontvanger op 16 januari 2008 pro forma hoger beroep ingesteld. De ontvanger heeft de gronden van zijn beroep bij een op 14 mei 2008 bij het hof binnengekomen brief (met bijlagen) aangevuld. 1.8 Belanghebbende heeft op 24 juni 2008 een verweerschrift ingediend. 1.9 Van de ontvanger is op 19 februari 2009 een faxbericht ter griffie van het hof ingekomen. 1.10 De tweede meervoudige kamer van het hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 februari 2009. Aldaar zijn verschenen belanghebbende, alsmede namens de ontvanger de heer A, bijgestaan door de heer B en de heer C. Door de ontvanger is ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgelezen. Tevens zijn afschriften van computerprints overgelegd. 1.11 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd. 2. De feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast. 2.1 Belanghebbende staat in de gemeentelijke basisadministratie vanaf 16 juni 2004 ingeschreven op het adres a-laan 61 te Z. 2.2 Aan belanghebbende is op 16 januari 2007 een dwangbevel met het bevel tot betaling van de voorlopige aanslag IB/PVV 2005 uitgereikt. 2.3 Binnen twee dagen na ontvangst van het dwangbevel heeft belanghebbende het verschuldigde bedrag van de voorlopige aanslag IB/PVV 2005 betaald. 2.4 Belanghebbende heeft de belastingaanslagen IB/PVV 2004 en 2006 tijdig betaald. 3. Het geschil en de standpunten van partijen 3.1 Tussen partijen is in geschil of aan belanghebbende terecht een dwangbevel is uitgevaardigd waarbij kosten van betekening in rekening zijn gebracht. 3.2 De ontvanger beantwoordt deze vraag bevestigend. Hij stelt dat aan belanghebbende op 15 september 2006 een voorlopige aanslag is opgelegd en dat met dagtekening 2 december 2006 ter zake van deze aanslag aan belanghebbende een aanmaning is verzonden. De ontvanger heeft in appel het proces vanaf het vervaardigen van belastingaanslagen en aanmaningen tot het aanbieden aan het postbedrijf beschreven, en onder andere verklaringen overgelegd betreffende de betrouwbaarheid van het systeem. 3.3 Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. Hij bestrijdt niet de door de ontvanger omschreven werkwijze bij het opstellen en verzenden van belastingaanslagen en aanmaningen, maar blijft bij zijn standpunt dat hij de voorlopige aanslag en de aanmaning niet heeft ontvangen. Hij kan niet anders dan concluderen dat de betreffende bescheiden niet aan hem zijn verzonden. Verder dient in aanmerking te worden genomen, aldus belanghebbende, dat hij zijn fiscale verplichtingen steeds correct is nagekomen en nakomt en dat hij ook geen financiële reden had om betaling van de voorlopige aanslag IB/PVV 2005 achterwege te laten. 3.4 Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken. 4. De overwegingen omtrent het geschil 4.1 Ingevolge artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) treedt een besluit niet in werking voordat het is bekend gemaakt. 4.2 Ingevolge artikel 3:41, eerste lid van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. 4.3 Ingevolge artikel 8 van de Invorderingswet 1990 (hierna: de Invorderingswet) maakt de ontvanger de belastingaanslag bekend door toezending of uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet. 4.4 Tussen partijen is niet in geschil dat de aanslag niet is bekendgemaakt door uitreiking. 4.5 Artikel 11 van de Invorderingswet bepaalt dat indien de belastingschuldige een belastingaanslag niet binnen de gestelde termijn betaalt, de ontvanger hem schriftelijk aanmaant om alsnog binnen tien dagen na de dagtekening van de aanmaning te betalen, onder kennisgeving dat de belastingschuldige anders door de middelen bij de wet bepaald tot betaling zal worden gedwongen. De aanmaning kan betrekking hebben op verschillende belastingaanslagen. 4.6 Indien belanghebbende na de aanmaning in gebreke blijft, kan de invordering ingevolge artikel 12 van de Invorderingswet geschieden bij een door de ontvanger uit te vaardigen dwangbevel. Het dwangbevel kan betrekking hebben op verschillende belastingaanslagen. 4.7 Ingevolge artikel 1 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (hierna: de Kostenwet) worden ter zake van het verrichten van werkzaamheden voor de invordering van bedragen op grond van de bepalingen van de Invorderingswet 1990 aan degene die in gebreke is gebleven het verschuldigde tijdig te betalen, kosten in rekening gebracht. 4.8 Belanghebbende stelt zich onder andere op het standpunt dat hij de voorlopige aanslag en de aanmaning niet heeft ontvangen. Indien belanghebbende de aanslag en de aanmaning niet heeft ontvangen, is in beginsel de conclusie gerechtvaardigd dat belanghebbende van het niet tijdig betalen van de belastingschuld geen verwijt kan worden gemaakt en dat hij derhalve niet in gebreke is in de zin van artikel 1 van de Kostenwet. Artikel 7, tweede lid van de Kostenwet belet echter dat belanghebbende zich erop beroept dat hij het aanslagbiljet of de aanmaning niet heeft ontvangen. Blijkens de parlementaire geschiedenis heeft de wetgever het risico van het niet-ontvangen van aanslagbiljetten of aanmaningen bewust bij de belastingplichtige willen leggen, om vertraging van de invordering als gevolg van een eenvoudig in te nemen maar moeilijk op waarheid te controleren stelling te voorkomen. 4.9 Artikel 7, tweede lid van de Kostenwet brengt naar het oordeel van het hof met zich dat een belastingplichtige geacht wordt kennis te hebben genomen van zijn belastingschuld en derhalve in gebreke te zijn in de zin van de Kostenwet, indien de aanslag en de aanmaning op de juiste wijze aan hem bekend zijn gemaakt maar hem desondanks, niet hebben bereikt. Op de ontvanger rust - bij betwisting door belanghebbende zoals in casu - de bewijslast om aannemelijk te maken dat de voorlopige aanslag en de aanmaning daadwerkelijk naar het juiste adres zijn verzonden. 4.10 Naar het oordeel van het hof is de ontvanger in de onderhavige situatie in die bewijslast geslaagd. Het hof neemt daarbij de volgende - niet betwiste, dan wel door de ontvanger gestelde en door het hof aannemelijk geachte, in hun onderlinge samenhang te beschouwen - feiten en omstandigheden in aanmerking: ? het verloop van het proces van het vervaardigen van belastingaanslagen en aanmaningen tot het aanbieden aan het postbedrijf zoals weergegeven in het appelschrift en de hierop ter zitting, mede naar aanleiding van vragen, gegeven toelichting van de zijde van de ontvanger; ? de ter zitting gegeven uitleg omtrent de werking van de verschillende door de Belastingdienst gebruikte systemen. (Het SBI-systeem voor de koppeling tussen de aanslag en het printerbestand en het SAP-systeem voor het printen en het verzenden); ? het gestelde, zowel in het appelschrift als ter zitting, omtrent de betrouwbaarheid van het proces, en de daarop betrekking hebbende en door de ontvanger overgelegde verklaringen: * de TPM-verklaring (Third Party Mededeling) van 15 maart 2007, betreffende de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006, aangaande het voldoen aan de gestelde normen van de opzet, het bestaan en de werking van de automatiseringsprocessen; * de accountantsverklaring van de AdF (Auditdienst Financiën) van 19 maart 2007, betreffende de periode van 1 september 2006 tot en met 31 december 2006, naar aanleiding van de controle of de geplande aantallen te produceren poststukken ook daadwerkelijk zijn geprint, gecouverteerd en ter verzending zijn aangeboden; en * de ambtsedige verklaringen van 7 mei 2008 en de (herziene) ambtsedige verklaring van 18 februari 2009 over de verzending van de voorlopige aanslag op 13 september 2006 en de verzending van de aanmaning op 30 november 2006. 4.11 Ter zitting heeft de ontvanger aangegeven dat voor zover in de accountantsverklaring een voorbehoud wordt gemaakt, dit voorbehoud niet ziet op de processen die voor het printen en verzenden van belang zijn. Het hof acht deze verklaring geloofwaardig. 4.12 In de ambtsedige verklaringen wordt verklaard op welke datum de bescheiden (aanslag, aanmaning) zijn aangeboden aan het postbedrijf dan wel zijn verzonden. Voor het afgeven van een herziene versie van de ambtsedige verklaring betreffende de verzending van de aanmaning heeft de ontvanger ter zitting gesteld dat bij het rechercheren aanvankelijk was uitgegaan van 21 december 2006 als dagtekening van de aanmaning, in plaats van 2 december 2006. Nu ook met dagtekening 21 december 2006 aanmaningen zijn aangemaakt, kwam deze onjuistheid niet direct aan het licht omdat niet concreet wordt gekeken of het betreffende stuk in de "batch" (partij) zat. Het hof acht de gang van zaken met betrekking tot de herziene ambtsedige verklaring onhandig, maar de door de ontvanger gegeven uitleg over het herzien van de ambtsedige verklaring wel geloofwaardig, zodat er geen reden is deze verklaring buiten beschouwing te laten. 4.13 Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat zowel de voorlopige aanslag als de aanmaning aan het postbedrijf, TNT Post, op de aangegeven data zijn aangeboden, en dat zowel de voorlopige aanslag als de aanmaning zijn verzonden naar het adres a-laan 61 te Z. Belanghebbende staat sinds 16 juni 2004 ingeschreven op dit door de ontvanger gebruikte adres en was gedurende de gehele periode op voormeld adres woonachtig. 4.14 Niet in geschil is dat de kosten van betekening op het juiste bedrag zijn vastgesteld. Het is niet aan het hof om de redelijkheid of billijkheid van een wet in formele zin te toetsen. Dit laat onverlet dat het hof begrip kan opbrengen voor het gevoel van belanghebbende over de uitwerking van het wettelijk systeem in het onderhavige geval. 4.15 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van de ontvanger gegrond is. 5. De beslissing Het gerechtshof verklaart het hoger beroep gegrond; vernietigt de uitspraak van de rechtbank; verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van belanghebbende ongegrond. Aldus vastgesteld door mr.dr. D.V.E.M. van der Wiel - Rammeloo, voorzitter, mrs. G.M. van der Meer en G.W.B. van Westen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier. De beslissing, die is ondertekend door de voorzitter en de griffier voornoemd, is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2009. Afschrift aangetekend aan partijen verzonden op 15 april 2009 Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd 2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.