Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI3101

Datum uitspraak2009-04-29
Datum gepubliceerd2009-05-07
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/923 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afwijzing aanvraag voorzieningen Niet gebleken is dat appellante op grond van haar uit de vervolging (onderduik vanwege Joodse status) voortvloeiende psychische klachten geen gebruik meer kan maken van het openbaar vervoer en een taxi. De overige voorzieningen zijn gevraagd in verband met de osteoporose waaraan appellante lijdt, welke aandoening volgens verweerster niet in causaal verband staat met de vervolging, mede gelet op de leeftijd waarop deze aandoening bij appellante tot uiting kwam. In hetgeen van de zijde van appellante is aangevoerd heeft de Raad onvoldoende aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid van dit door verweerster in navolging van haar medisch adviseurs ingenomen standpunt.


Uitspraak

08/923 WUV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], Zweden (hierna: appellante), en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 29 april 2009 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 28 december 2007, kenmerk BZ 46846, JZ/I/70/2007 ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2009. Appellante is verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berkel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN 1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellante, geboren in 1937, is in 1977 erkend als vervolgde in de zin van de Wet en ontvangt vanaf 1 januari 1979 een periodieke uitkering. Aanvaard is dat de psychische klachten van appellante in verband staan met de vervolging. Ten aanzien van de rugklachten en reumatische klachten van appellante is in 1989 door de Uitkeringsraad, rechtsvoorganger van verweerster geoordeeld dat deze niet in verband staan met de vervolging maar door andere oorzaken zijn ontstaan. Bij uitspraak van 1 maart 1991, nr. WUV 1989/583, heeft de Raad dit standpunt van verweerster niet voor onjuist gehouden. 1.2. Op 7 februari 2006 heeft appellante voorzieningen aangevraagd voor onder meer de aanschaf van een auto met automaat, watergymnastiek met massage, niet gedekte medische kosten in verband met osteoporose en verblijf in een kuuroord in Israƫl. Bij besluit van 16 november 2006 heeft verweerster hierop afwijzend beslist. Hierbij is het standpunt ingenomen dat de door appellante gemelde osteoporose niet in verband staat met de vervolging maar door andere oorzaken is ontstaan. Na door appellante gemaakt bezwaar is dit standpunt bij het thans bestreden besluit gehandhaafd. 2.1. Appellante heeft in beroep aangevoerd dat haar fysieke klachten in verband staan met de psychische toestand, dat de osteoporose wel een gevolg is van de vervolging, namelijk van een periode van ondervoeding in de kindertijd en dat de onderhavige afwijzing financiƫle problemen voor haar oplevert. Voorts is een medische verklaring overgelegd. 2.2. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 3. De Raad overweegt als volgt. 3.1. Aan de onderhavige weigering ligt ten grondslag het oordeel dat de door appellante verzochte auto met automaat niet kon worden toegewezen omdat niet is gebleken dat appellante op grond van haar uit de vervolging (onderduik vanwege Joodse status) voortvloeiende psychische klachten geen gebruik meer kan maken van het openbaar vervoer en een taxi. De overige voorzieningen zijn gevraagd in verband met de osteoporose waaraan appellante lijdt, welke aandoening volgens verweerster niet in causaal verband staat met de vervolging, mede gelet op de leeftijd waarop deze aandoening bij appellante tot uiting kwam. 3.2. In hetgeen van de zijde van appellante is aangevoerd heeft de Raad onvoldoende aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid van dit door verweerster in navolging van haar medisch adviseurs ingenomen standpunt. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen volgt naar algemeen aanvaarde medische inzichten na een periode van ondervoeding op zeer jeugdige leeftijd een zodanig herstel dat van blijvende gevolgen voor de skeletconditie over het algemeen geen sprake is. Alleen wanneer onder bepaalde omstandigheden ernstige ondervoeding heeft plaatsgevonden op een leeftijd waarop er na de oorlog niet voldoende tijd is geweest voor inhaalgroei en er niet meer alsnog vorming van een adequate zogenoemde peak bone mass heeft kunnen plaatsvinden kan er aanleiding zijn een causaal verband te aanvaarden. Uitgegaan wordt van de leeftijd van 20 tot 30 jaar als leeftijd waarop deze adequate peak bone mass wordt bereikt. In het geval van appellante, die aan het einde van de oorlog 8 jaar was, vindt de Raad onvoldoende aanleiding om hierover anders te oordelen of om te aanvaarden dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. 3.3. Gezien het vorenstaande en nu met betrekking tot de rugklachten en reumatische klachten van appellante al eerder is beslist dat deze niet een gevolg zijn van de vervolging, houdt de bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering aan appellante voorzieningen te verstrekken voor watergymnastiek met massage, verblijf in een kuuroord en ongedekte medische kosten in verband met die niet causale klachten in rechte stand. 3.4. In de in dit geding voorhanden zijnde medische en overige gegevens heeft de Raad evenmin aanleiding gevonden om aan te nemen dat appellante op grond van haar met de vervolging in verband staande psychische klachten beperkt is voor het reizen per openbaar vervoer en taxi, zodat van een medische noodzaak in de zin van artikel 20 van de Wet geen sprake is. 3.5. De Raad merkt verder nog op dat in de door appellante in het geding gebrachte verklaring van de arts C. Toma van 14 november 2008 onder meer is vermeld dat appellante minstens 8 uur huishoudelijke hulp nodig heeft. Nu het bestreden besluit niet handelt over huishoudelijke hulp, valt dit buiten de grenzen van dit geding. 4. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard. 5. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009. (get.) A. Beuker-Tilstra. (get.) K. Moaddine. HD