Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI4308

Datum uitspraak2009-05-13
Datum gepubliceerd2009-05-26
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Breda
Zaaknummers08/4187
Statusgepubliceerd


Indicatie

B en W van Halderberge verlenen een monumentenvergunning voor sloop van rijksmonument (Markt 68 te Oudenbosch), ondanks negatieve adviezen van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurhistorie en Monumenten en van de gemeentelijke monumentencommissie. De Stichting Federatie Noord-Brabants Monumentenoverleg, die gelet op de statutaire doelstellingen en de feitelijke werkzaamheden als belanghebbende kan worden aangemerkt, komt in beroep tegen deze sloopvergunning. De rechtbank is van oordeel dat B en W de bevoegdheid hebben om van de adviezen af te wijken, maar dat B en W dan wel goed moeten motiveren waarom de sloop van het rijksmonument noodzakelijk is. B en W wijzen daartoe op de wens om ten behoeve van de ontwikkeling van het centrumgebied van Oudenbosch een parkeergarage aan te leggen op de plaats van het rijksmonument, maar hebben onvoldoende gemotiveerd dat het voor realisering van het centrumplan noodzakelijk is dat het monument wordt afgebroken. De rechtbank weegt hierbij mee dat het monument in redelijke tot goede staat verkeert en dat de financiële gevolgen voor vergunninghouder van behoud van het monument niet onaanvaardbaar lijken te zijn in relatie tot het totale project. Gelet hierop is het beroep gegrond en wordt de sloopvergunning vernietigd.


Uitspraak

RECHTBANK BREDA Sector bestuursrecht, team bestuursrecht procedurenummer: 08 / 4187 VEROR uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak van Stichting Federatie Noordbrabants Monumentenoverleg, gevestigd te ’s-Hertogenbosch, eiseres, gemachtigde mr. E.D.M. Verboom, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge, verweerder. 1. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 juli 2008 (bestreden besluit), verzonden 15 juli 2008 inzake het verlenen van een vergunning ingevolge artikel 14 van de Monumentenverordening Gemeente Halderberge 2006 en artikel 11 van de Monumentenwet 1988 (hierna: Mw) tot sloop van een te Oudenbosch gelegen rijksmonument aan Aannemersbedrijf [naam aannemersbedrijf], gevestigd te Oudenbosch, gemeente Halderberge (hierna vergunninghoudster). Het beroep is behandeld ter zitting van 31 maart 2009, waarbij de gemachtigde van eiseres aanwezig was en namens verweerder [woordvoerders verweerder]. Namens vergunninghoudster zijn verschenen [naam directeur] (directeur), [woordvoerder vergunninghoudster] (hoofd projectontwikkeling) en [woordvoerder vergunninghoudster] (projectontwikkelaar). 2. Beoordeling 2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Naar aanleiding van de aanvraag van 26 januari 2007 van vergunninghoudster tot sloop van het pand gelegen aan de Markt 68 te Oudenbosch, gemeente Halderberge, kadastraal bekend als sectie D, nummer 3308, ingeschreven in het register ingevolge artikel 6 van de Mw onder nummer 31939 (hierna: het pand of het rijksmonument), heeft verweerder bij besluit van 10 juli 2007 (verzonden 18 juli 2007), de gevraagde sloopvergunning alsmede monumentenvergunning verleend. Op 24 augustus 2007 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de verleende vergunningen, van nadere gronden voorzien op 11 september 2007. Bij besluit van 10 januari 2008 heeft verweerder de verleende vergunningen ingetrokken, omdat hij bij de totstandkoming hiervan ten onrechte niet de verplicht voorgeschreven toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had gevolgd. Op 18 december 2007 heeft vergunninghoudster opnieuw een aanvraag tot sloop- en monumentenvergunning ingediend. Vergunninghoudster heeft haar aanvraag onder meer vergezeld doen gaan van een door [naam adviseur] adviseurs te Oosterhout (hierna: [naam adviseur]), in opdracht van vergunninghoudster opgemaakt rapport ter zake een bouwkundige conditiemeting van het monument van 9 november 2007. Op 14 februari 2008 heeft [naam adviseur] in opdracht van vergunninghoudster een cultuurhistorische rapportage ter zake het monument opgesteld. De aanvraag en de daarvan deel uitmakende rapporten zijn voor advies voorgelegd aan de gemeentelijke monumentencommissie en de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (hierna: RACM). Bij ambtelijke brief van 18 maart 2008 heeft de RACM gereageerd op de stand van zaken omtrent de planvorming. In deze brief laat de RACM zich negatief uit over de voorgenomen sloop van het rijksmonument en adviseert zij onderzoek te doen naar alternatieve mogelijkheden. Op 20 maart 2008 heeft de gemeentelijke monumentencommissie (MC) een negatief advies uitgebracht. Zij heeft daarbij overwogen dat het pand architectuurhistorisch van belang is, de bouwkundige massa geheel aanwezig en de bouwkundige staat zeer redelijk. Op 25 april 2008 heeft de RACM negatief geadviseerd ter zake de aangevraagde, voorgenomen sloop van het monument. Daarbij is overwogen dat de monumentwaarde van het pand is gelegen in de constructieve opbouw van het pand en de architectonische vormgeving van de gevels, alsmede in de stedenbouwkundige en cultuurhistorische betekenis van het pand. Hoewel de realisatie van de ‘onderdoorgang’ in 1994 de architectonische kwaliteit -als onderdeel van de monumentwaarden- ernstig heeft aangetast. De bouwkundige staat van het pand is door twee deskundigen van de RACM ter plaatste beoordeeld en wordt als redelijk tot goed gekwalificeerd. De RACM adviseert ten slotte om alternatieve oplossingen ter zake de geplande parkeergarage te onderzoeken. Op 1 april 2008 heeft verweerder aan [naam B.V.] B.V. opdracht verleend voor het opstellen van een bouwhistorische verkenning met waardestelling. In het op 7 mei 2008 van [naam B.V.] ontvangen rapport wordt onder meer gesteld dat aan onderhavig pand als stedenbouwkundig object een hoge monumentale waarde valt toe te kennen. Het pand vertegenwoordigt tevens een hoge cultuurhistorische waarde als ondersteunend onderdeel van een kloostercomplex dat vanwege esthetische, architectuur- en cultuurhistorische gronden van nationaal belang is. Ter zake de architectuur- en bouwhistorische waarde concludeert [naam B.V.] dat door verbouwingen in 1930 en 1993 de monumentale karakteristieken ernstig zijn aangetast en de monumentale potentie van het pand besloten ligt in het nog aanwezige, relatief grote, deel van de oorspronkelijke en karakteristieke bouwmassa. [naam B.V.] stelt ten slotte dat door een restauratie de latent aanwezige monumentale waarden weer duidelijk zichtbaar gemaakt kunnen worden. Bij ontwerpbesluit van 13 mei 2008 heeft verweerder medegedeeld dat hij voornemens is de gevraagde vergunningen te verlenen en dat voorafgaande aan het definitieve besluit de uniforme voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb zal worden doorlopen. In het kader hiervan is het ontwerpbesluit gepubliceerd in De Halderbergse bode van 21 mei 2008 en heeft het vanaf 22 mei 2008 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Op 30 juni 2008 heeft eiseres haar zienswijze naar voren gebracht. Bij brief van 14 juli 2008, verzonden 15 juli 2008, heeft verweerder eiseres op de hoogte gesteld van het bestreden besluit en voor de weerlegging van de zienswijzen naar dat besluit verwezen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 2.2 Eiseres heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat gezien de grote betekenis die ingevolge vaste jurisprudentie toekomt aan het wettelijke verplichte RACM-advies het bestreden besluit, genomen in afwijking van het RACM-advies, een motiveringsgebrek vertoont. Verweerder laat immers na te onderzoeken of (gedeeltelijk) behoud van het monument mogelijk is, in hoeverre er alternatieve bouwplannen mogelijk zijn en of onderzoek is gedaan naar relevante subsidies. Het [naam B.V.]-rapport is niet toereikend als onderbouwing voor het standpunt van verweerder, nu ook in dit rapport wordt gemeld dat het pand een hoge stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarde vertegenwoordigt en op esthetische, architectuur- en cultuurhistorische gronden van nationaal belang is. Gelet op de adviezen van de RACM, de MC en het rapport van [naam B.V.] had verweerder niet mogen volstaan met het negeren van deze adviezen en vergunninghoudster volgen in de (ongemotiveerde) stelling dat renovatie van het monument wegens het ontbreken van substantiële middelen als volstrekt onhaalbaar moet worden beschouwd. 2.3 Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende - voor wie ingevolge de artikelen 7:1 en 8:1 van die wet alsmede artikel 37 van de Wet op de Raad van State bezwaar, beroep en hoger beroep openstaat - verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. Artikel 11, eerste lid, van de Mw bepaalt dat het is verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen. Ingevolge het tweede lid is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning (a.) een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; (b.) een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Ingevolge artikel 12 van de Mw wordt een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11 ingediend bij burgemeester en wethouders. 2.4 Gelet op artikel 1:2, derde lid, van de Awb is eiseres aan te merken als belanghebbende bij het besluit tot verlenen van de monumentvergunning, aangezien zij de algemene en collectieve belangen waarvoor zij op grond van haar statutaire doelstellingen opkomt (onder meer het beschermen van de in de provincie Noord-Brabant gelegen monumentwaardige, architectonische, archeologische, stedebouwkundige en andere cultuurhistorische bouwwerken, objecten en landschappen, alsmede cultuurhistorische interieurs) ook blijkens haar feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigt. Eiseres heeft ter zitting een nadere toelichting gegeven op haar feitelijke werkzaamheden en daarbij gewezen op haar jaarverslagen over 2006 en 2007, waarin een overzicht van de door haar verrichte feitelijke werkzaamheden wordt vermeld. Gelet hierop kan eiseres, anders dan verweerder heeft betoogd, dan ook worden aangemerkt als belanghebbende en kan de rechtbank het geschil derhalve inhoudelijk beoordelen. 2.5 Bij de beoordeling of een monumentenvergunning dient te worden verleend, dient verweerder het monumentenbelang af te wegen tegen andere daarbij rechtstreeks betrokken belangen, zoals in dit geval het belang van vergunninghoudster die het monument wil afbreken en de daardoor vrijkomende ruimte alsmede een deel van het omringende gebied wil (her)ontwikkelen tot 59 appartementen, 1600 m2 aan commerciële ruimten op de begane grond en een ondergronds gebouwde parkeervoorziening met 113 parkeerplaatsen en 12 garageboxen. Op grond van artikel 16 van de Mw dient verweerder de aanvraag voor een monumentenvergunning ter advisering voor te leggen aan de RACM en op grond van verweerders Monumentenverordening aan de MC. 2.6 De vergunning is verleend in afwijking van de adviezen van de RACM en de MC. Aan verweerder kan niet de bevoegdheid worden ontzegd om van een advies af te wijken en een eigen afweging te maken. Indien zoals in het onderhavige geval verweerder echter een besluit neemt in afwijking van - ingevolge wettelijke bepalingen - uitgebrachte adviezen, dienen aan de motivering van het besluit zware eisen te worden gesteld. Dit geldt onverkort indien verweerder zich -zoals in casu- baseert op een deskundig tegenrapport (van [naam B.V.]) dat inhoudelijk een vergelijkbare strekking heeft als de rapporten van de RACM en de MC. Voor zover verweerder heeft bedoeld te betogen dat aan het pand geen monumentale waarde meer kan worden toegekend, vindt deze stelling geen steun in de feiten, nu uit de overgelegde adviesrapporten van de MC, RACM en [naam B.V.] het tegendeel blijkt. 2.7 De rechtbank volgt verweerder in diens stelling dat de aanwijzing als rijksmonument er niet toe leidt dat geen enkele wijziging van een monument mogelijk is. In dit geval is echter sprake van volledige afbraak van het monument. Indien verweerder vergunning verleent voor de sloop van een monument dient verweerder aannemelijk te maken dat deze afbraak, gelet op de betrokken belangen, noodzakelijk is. 2.8 Verweerder heeft gesteld dat het pand onderdeel uitmaakt van een integrale gebiedsontwikkeling (het plangebied) en dat de beoogde ontwikkelingen leiden tot een geprognosticeerde parkeerbehoefte van 436 parkeerplaatsen die vanwege de ruimtelijke structuur niet op maaiveldniveau gerealiseerd kunnen worden. Aan de beoogde realisering van de herontwikkeling komt volgens verweerder een dusdanig onevenredig zwaar algemeen maatschappelijk en bestuurlijk belang toe dat het slopen van het monument ernstig overwogen moet worden. Blijkens de door aanvrager verstrekte motivering kan het pand niet behouden blijven vanwege de noodzaak te voorzien in de bouw en de ontsluiting van een ondergrondse parkeerkelder en bergingen, waarvoor ook moet worden beschikt over de ruimte onder het pand. Ter zitting heeft vergunninghoudster gesteld dat het technisch onmogelijk is om de beoogde parkeerkelder onder het monument aan te leggen. Handhaving van het pand leidt tot het vervallen van 25 parkeerplaatsen. De keuze voor de realisatie van de door aanvrager gewenste parkeerplaatsen is blijkens de gedingstukken voor verweerder leidend geweest bij het verlenen van de monumentenvergunning die sloop van het monument mogelijk maakt. Andere redenen voor afbraak van het pand blijken niet uit het bestreden besluit. Verweerder heeft echter onvoldoende gemotiveerd dat het beoogde aantal parkeerplaatsen noodzakelijkerwijs meebrengt dat het monument moet worden afgebroken, dan wel dat de financiële gevolgen hiervan voor vergunninghoudster onaanvaardbaar zijn, in relatie tot het totale project. Daarbij is ook van belang dat het monument - naar uit de stukken blijkt - in redelijke tot goede staat verkeert. Nu het hier om afbraak van monument gaat waarover de adviesorganen negatief hebben geadviseerd, beantwoordt de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit niet aan de eisen die daaraan moeten worden gesteld. 2.5 Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig is voorbereid. De rechtbank zal derhalve het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat verweerder wederom op de aanvraag moet beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. 2.6 Nu het bestreden besluit niet een beslissing op bezwaar, maar een primair besluit betreft, zal door de vernietiging van het bestreden besluit de aanvraag van eiseres weer openvallen. Ingevolge artikel 16, vierde lid, van de Mw wordt de vergunning in dat geval geacht te zijn verleend, omdat de termijn van vier maanden na de datum van ontvangst van de adviezen, als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Mw, intussen is verstreken. Aangezien dit laatste een onbedoeld effect is van de vernietiging van het bestreden besluit zal de rechtbank bepalen dat het rechtsgevolg dat verweerder binnen de termijn als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Mw heeft beslist, in stand blijft. 2.7 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed. Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van eiseres, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag. 3. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat één van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, te weten het rechtsgevolg dat verweerder binnen de termijn als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Mw heeft beslist, in stand blijft; gelast dat de gemeente Halderberge aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 288,= vergoedt; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,=, te betalen door de gemeente Halderberge. Aldus gedaan door mr. T. Peters, rechter, en door deze en A. van den Broek, griffier ondertekend. de griffier, de rechter, Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2009. Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA te 's-Gravenhage. De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak. Afschrift verzonden op: