Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0914

Datum uitspraak2009-05-19
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers104.003.888
Statusgepubliceerd


Indicatie

Letselschade door ongeval met fietsen. Kan het slingeren met de fiets als onrechtmatige daad beschouwd worden? Bewijslast.


Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM Sector civiel recht zaaknummer 104.003.888 arrest van de tweede civiele kamer van 19 mei 2009 inzake [appellant], pro se en in hoedanigheid van cessionaris van de cedent [cedent], wonende te [woonplaats], appellant, advocaat: mr. M.A. Smits, tegen: de naamloze vennootschap RVS Schadeverzekering N.V., gevestigd te Ede, geïntimeerde, advocaat: mr. F.J. Boom. 1. Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 30 augustus 2006 en 24 januari 2007 (het eindvonnis) die de rechtbank Arnhem tussen appellant (hierna ook te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (hierna ook te noemen: RVS) als gedaagde heeft gewezen; van het eindvonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in hoger beroep 2.1 [appellant] heeft bij exploot van 20 april 2007 RVS aangezegd van die vonnissen in hoger beroep te komen, met dagvaarding van RVS voor dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] dertien grieven tegen het eindvonnis aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Hij heeft gevorderd dat het hof de vonnissen van 30 augustus 2006 en 24 januari 2007 zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest, de vordering(en) van [appellant] op RVS alsnog geheel zal toewijzen, kosten rechtens. 2.3 Bij memorie van antwoord heeft RVS de grieven bestreden en heeft zij bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vonnissen van 30 augustus 2006 en 24 januari 2007 zal bekrachtigen, eventueel onder aanvulling en/of verbetering van de gronden, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in beide instanties (lees: het hoger beroep), te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het arrest, en voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf bedoelde termijn van voldoening, alsmede [appellant] zal veroordelen tot betaling van de nakosten ad € 131,- zonder betekening, dan wel € 199,- in het geval van betekening, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het arrest en voor het geval van voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn van voldoening. 2.4 Ter zitting van 23 september 2008 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. M.A. Smits, advocaat te Nijmegen en RVS door mr. W.G. de Haan, advocaat te Rotterdam. Beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Mr. Smits voornoemd heeft voorafgaand aan de zitting bij brief van 15 september 2008 aan het hof (met kopie aan mr. De Haan) productie 35 gezonden. Desgevraagd heeft mr. De Haan ter zitting meegedeeld dat hij voldoende heeft kennisgenomen van die productie, dat hij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat hij instemt met het in het geding brengen van die productie zonder nadere maatregel door het hof. Vervolgens is aan mr. Smits akte verleend van het in het geding brengen van die productie. 2.5 Tenslotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 3. De vaststaande feiten Tussen partijen staan in hoger beroep de navolgende feiten vast. 3.1 In 1995 bestond tussen RVS en [appellant] een aansprakelijkheidsverzekering die ook de wettelijke aansprakelijkheidsrisico’s van [cedent] (hierna ook te noemen: [cedent/zoon appellant]), zoon van [appellant], dekte. 3.2 Op 22 mei 1995 vond op de [adres] een ongeval plaats waarbij twee fietsers waren betrokken, [appellant] en zijn toen zestienjarige zoon [cedent/zoon appellant]. Daarbij is [appellant] ten val gekomen, waarbij hij letsel heeft opgelopen. Hij had naderhand onder meer pijn aan zijn nek, schouder en arm. Over de toedracht van dit ongeval zijn diverse verklaringen afgelegd. 3.3 Op het formulier van de spoedeisende hulp van 22 mei 1995 staat vermeld: “(..) Gevallen met fiets, over de kop (..)” Dat [appellant] over de kop is geslagen met de fiets wordt in diverse medische documenten ook vermeld. 3.4 Het ongeval is gemeld aan RVS, die de melding als ongevallenverzekeraar van [appellant] in behandeling heeft genomen. Het schadeformulier ongevallen dat door [appellant] op 30 mei 1995 is ingevuld voor RVS als ongevallenverzekeraar luidt onder meer: “Tijdens fietstocht met zoon, is de heer [appellant] ten val gekomen” en onder “overige mededelingen“: “Zoon is door verkeerde handeling tegen de heer [appellant] aangereden. Hierdoor is de heer [appellant] ten val gekomen!” 3.5 Als ongevallenverzekeraar heeft RVS de zaak in behandeling genomen en uitkeringen gedaan. 3.6 Het schadeformulier ongevallen dat op 11 juli 1995 is ingevuld voor RVS als ongevallenverzekeraar luidt onder meer: “(..) fietsongeval: voorwiel vader raakt achterwiel zoon (..)” 3.7 Volgens een rapport van de neuroloog dr. Q.H. Leyten, verbonden aan het Rijnstate Ziekenhuis te Arnhem, Maatschap Neurologen Arnhem d.d. 25 maart 1998 is er bij [appellant] ten gevolge van dit ongeval sprake van enige blijvende invaliditeit met betrekking tot een functievermindering van de rechter arm. In de anamnese vermeldt dr. Leyten: “(..) Op die warme lente avond fietste hij voor de ontspanning en de conditie samen met zijn toen 16-jarige zoon, die juist voor hem fietste, zich omdraaide en achterover buigende naar zijn vader riep: “gaan we een ijsje halen”, toen vervolgens het voorwiel van betrokkene tegen het achterwiel van de zoon aankwam, waardoor betrokkene ten val is gekomen en hierbij een grote boog heeft gemaakt, over de kop sloeg en op achterhoofd en rechter schouder terecht kwam. Betrokkene fietste ongeveer 20 km/uur. (..)” 3.8 Op 12 maart 2002 heeft [appellant] aan RVS geschreven dat hij zich ook beroept op de gezins-aansprakelijkheidsverzekering. Hij verweet daarbij RVS dat zij de zaak alleen als ongevallenverzekeraar in behandeling heeft genomen en hem er niet op heeft gewezen dat de schade tevens gedekt was onder zijn aansprakelijkheidsverzekering bij RVS, een verzuim dat RVS later heeft erkend. [appellant] vorderde vergoeding op grond van de aansprakelijkheid van [cedent/zoon appellant] tegenover hem. Hij schreef: “(..) Het ongeval is dus bij u bekend. De oorzaak van dit ongeval is ook bekend (..). Mijn zoon bracht mij ongelukkig ten val, waarbij ik letselschade opliep. (..)” 3.9 Het bezoekverslag dat door RVS is opgemaakt na een bezoek op 6 juni 2002 bevat het volgende: “(..) Zowel verzekerde als diens zoon weten zich weinig van het ongeval te herinneren. Ik heb beiden gevraagd naar gedetailleerde gegevens. Men geeft aan gereden te hebben met een snelheid van om en nabij de 15km/uur. De zoon reed voorop, vader reed erachter. Het waren geen racefietsen, maar gewone “huis-, tuin- en keukenfietsen”. Men reed bij [adres] tussen de weilanden buiten de bebouwde kom. Het was een recht stuk weg. (..) Op enig moment is [cedent/zoon appellant] van zijn lijn afgeweken. Hij wist zich niet te herinneren of hij daarbij geremd heeft en wat de aanleiding was. In ieder geval heeft toen het voorwiel van de vader het achterwiel van de zoon geraakt. Ik heb de vader gevraagd op welke afstand van de zoon hij reed. Hij wist zich dat niet te herinneren. Het enige dat hij weet is dat hij ineens door de lucht vloog. Daarna is hij een tijdje dizzy geweest. Ik heb gesteld dat hij dan toch dicht op zijn zoon moet hebben gereden of althans er schuin achter. Anders was het bij een slingerbeweging van de zoon niet mogelijk geweest dat hij geraakt werd. Ook hierop moest hij het antwoord schuldig blijven. Hij kon het zich eenvoudig niet herinneren. In het weiland had iemand gestaan die een en ander zag gebeuren. Verzekerde zou metershoog door de lucht zijn geslingerd. Ook de politie is geweest maar heeft geen verklaring van beiden afgenomen. Mocht er nog een rapport opvraagbaar zijn, dan is het dus maar de vraag of daar iets bijzonders in staat. [persoon A] die al langere tijd bekend was met het voorval verklaarde nog dat hij het in eerste instantie zo had gehoord dat [cedent/zoon appellant] een onbesuisde beweging had gemaakt. [cedent/zoon appellant] kon dit echter niet bevestigen. (..)” 3.10 Op 16 juli 2002 schreef RVS aan [appellant] dat zij de zaak als aansprakelijkheidsverzekeraar in behandeling had genomen, maar de aansprakelijkheid van [cedent/zoon appellant] niet erkende en niet tot uitkering overging: “(..) Ook is het verzuim van onze adviseur ter sprake gebracht die u na het ongeval niet heeft gewezen op de mogelijkheid de schade te melden op uw AVP. Wij deelden u reeds mee dat RVS dit verzuim erkent en de kwestie alsnog op de AVP in behandeling neemt. (..) Zowel u als uw zoon verklaarden zich niet veel van het ongeval te kunnen herinneren. U was beiden niet in staat om details van de gedraging te benoemen die tot het ongeval hebben geleid. Duidelijk is wel dat u achter uw zoon heeft gereden en wel zo dicht dat u op enig moment met uw voorwiel het achterwiel van de fiets van uw zoon raakte, waarna u zeer ongelukkig ten val kwam. De politie is wel ter plekke geweest, maar zou geen verklaring van uw beiden hebben afgenomen. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt onder meer dat, wil er sprake zijn van een onrechtmatige daad, een onzorgvuldige gedraging van de veroorzaker niet automatisch leidt tot onrechtmatigheid van die gedraging. Zulk een gedraging is slechts onrechtmatig indien de waarschijnlijkheid dat hieruit schade ontstaat dermate groot is dat de veroorzaker zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van zijn gedrag had dienen te onthouden. Het komt er dus op neer dat, indien uw zoon meer risico heeft genomen dan redelijkerwijs verantwoord was, er sprake zal zijn van een onrechtmatige daad. Zulks is echter uit niets gebleken. (..)” 3.11 Op een antwoordformulier van SRK Rechtsbijstand gedateerd op 19 november 2002 (in tegenstelling tot hetgeen in rechtsoverweging 2.9 van het bestreden vonnis – kennelijk onjuist – is overwogen) verklaart [cedent/zoon appellant] op een aantal vragen onder meer: “(..) Ik fietste met mijn vader over de [adres]. Ik zette zonder aanleiding een spurt in en zette daarbij zoveel kracht (raakte de controle over de fiets kwijt) dat ik een onverwachte slinger naar links maakte en mijn vader afsneed. (..) Geen getuigen (..) Partijdige RVS vertegenwoordigde negeerde (bewust?) onze duidelijke uiteenzetting dat er duidelijk sprake was van een onverwachte beweging. (..)” 3.12 Op een antwoordformulier van SRK Rechtsbijstand gedateerd op 19 november 2002 verklaart [appellant] op een aantal vragen onder meer: “(..) Tijdens een rustig fietstochtje, zette zoon aan voor een sprintje, maar daarbij maakte hij een dermate ruk naar links, dat uitwijken of remmen niet mogelijk was. Werd “gesneden” en kwam daardoor ten val. (..) Uitdrukkelijk gewezen op het feit, dat er duidelijk sprake was van een spontane ruk naar links. Dit wordt nu eigenlijk genegeerd. (..)” 3.13 Aan SRK Rechtsbijstand heeft [appellant] op 2 april 2003 (in tegenstelling tot hetgeen in rechtsoverweging 2.10 van het bestreden vonnis is overwogen) in antwoord op een aantal vragen onder meer bericht: “(..) Het samen fietsen was gericht op gezondheid, rust en de omgeving/natuur. Van een wedstrijdelement was absoluut geen sprake. We sprintten nooit. (..) Er zijn eerder geen sprintjes getrokken. De nadruk lag op rust en recreatie, geen sport of spel (..). Nee, er was geen aanleiding (hof: op de vraag of de aanleiding van het inzetten van de sprint bekend was). (..) Er werd enigszins schuin naast elkaar gereden. [cedent/zoon appellant] aan de bermkant en ik daar links schuin naast. (..), er werd enigszins schuin naast elkaar gereden. De reden hiervan is dat er geen fietspad aanwezig was. We moesten er rekening mee houden dat er mogelijk ander verkeer achter, of voor ons kon verschijnen (..). Mijn fiets werd aan het voorwiel geraakt door de achterzijde van de fiets van [cedent/zoon appellant]. Deze week zonder enige reden van zijn lijn af. Ik ging hierdoor “over de kop”. De achterzijde van [cedent/zoon appellant]’s fiets raakte mijn voorwiel. Als gevolg hiervan sloeg mijn wiel “haaks” onder het frame en sloeg ik “over de kop”. (..) Door een ondoordachte beweging naar links, is hij van zijn lijn afgeweken. Hierdoor bracht hij mij ten val. (..)” Op de vraag of er eventueel nog andere van belang zijnde details van het ongeval zijn, heeft [appellant] ontkennend geantwoord. 3.14 Tijdens de comparitie van 10 januari 2007 heeft [appellant] volgende over de toedracht van het ongeval verklaard. “Ik fietste schuin achter [cedent/zoon appellant]. De afstand tussen onze fietsen was toen ongeveer een meter. [cedent/zoon appellant] riep op een gegeven moment: “Pa, gaan we een ijsje halen?” Dat deden we vaker als we samen fietsten. Hij maakte toen hij dat geroepen had, een zwiep. Bij voorlezing merk ik op dat dit dus betekende dat hij mij sneed. Ik riep: “Hé, joh, kijk uit.” Ik raakte zijn achterwiel en toen sloeg mijn stuur naar links haaks onder mijn fiets. Ik vloog door de lucht en kwam op de grond terecht. (..) Ik hoor mijn advocate zeggen dat er geen sprake is van eigen schuld. We reden wel dicht achter elkaar, maar ik reed niet zo dicht achter [cedent/zoon appellant] dat daardoor een norm werd geschonden. (..)” 3.15 Tijdens de comparitie van 10 januari 2007 heeft [cedent/zoon appellant] verklaard: “Wat mijn vader vertelde, klopt wel. Ik fietste schuin voor hem en keek voor me uit. Ik wist niet hoe dicht hij achter me was. Ik draaide me om naar mijn vader en riep: “Zullen we een ijsje gaan halen?” Hij riep daarop: “Goed, lekker.” Ik zette iets harder aan en voelde dat ik licht slingerde. Je slingert automatisch als je meer kracht zet. Er kwam toen een tik van mijn vaders voorwiel tegen mijn achterwiel. Ik keek om en zag mijn vader liggen. We reden met normale fietssnelheid, ik denk van zo’n 15 km/u. Het was geen sprint, we hadden gewoon een fietsgang. Het is gegaan zoals ik nu vertelde (..). Ik hield in om naar mijn vader te roepen over dat ijsje, want als je achterom kijkt, kun je niet trappen. De slingerbeweging die ik maakte, noem ik snijden (..). Mr. Smits vraagt mij of ik mijn vader niet, zoals hij zojuist verklaard heeft, iets heb horen roepen. Ik zeg nu dat ik hem inderdaad heb horen roepen. Nadat hij op mijn vraag had geantwoord, hoorde ik dat hij zoiets riep als “ah, joh, kijk uit.” 4. De motivering van de beslissing in hoger beroep Inleiding 4.1 [appellant] heeft RVS aangesproken en, zakelijk weergegeven, gevorderd te verklaren voor recht dat RVS gehouden is tot betaling van een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van RVS tot een betaling van een voorschot op de schade van € 50.000,-. [cedent/zoon appellant] heeft, aldus [appellant], jegens hem onrechtmatig gehandeld, onder meer doordat [cedent/zoon appellant] in strijd met de artikelen 5 en 6 WVW 1994 alsmede artikel 3 lid 1 RVV 1990 heeft gehandeld. [cedent/zoon appellant] heeft zijn vordering op RVS aan [appellant] gecedeerd. 4.2 RVS voert gemotiveerd verweer en wijst aansprakelijkheid van [cedent/zoon appellant] af. Zij voert onder meer aan dat de toedracht van het ongeval onduidelijk is en niet voldoende vaststaat dat het ongeval is veroorzaakt door een onrechtmatige gedraging van [cedent/zoon appellant]. Bovendien stelt zij dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [appellant]. Volgens RVS heeft [appellant] onvoldoende afstand gehouden van [cedent/zoon appellant] en daardoor in strijd met artikel 5 WVW 1994 en artikel 19 RVV 1990 gehandeld. 4.3 De rechtbank heeft geen onrechtmatig handelen aanwezig geoordeeld en de vorderingen van [appellant] afgewezen. Zij heeft onder meer overwogen dat het betoog van [appellant], ook als het feitelijk geheel zou komen vast te staan, geen onrechtmatig handelen van [cedent/zoon appellant] inhoudt. Ontvankelijkheid 4.4 [appellant] heeft tegen RVS vorderingen ingesteld uit eigen hoofde alsook in zijn hoedanigheid van cessionaris. Blijkens een akte gedateerd op 18 augustus 2003, ondertekend door [appellant] en [cedent/zoon appellant], heeft [cedent/zoon appellant] zijn vordering op RVS ter zake van zijn schadevergoedingsverplichting uit hoofde van wettelijke aansprakelijkheid ten gevolge van het verkeersongeval van 22 mei 1995 aan [appellant] overgedragen. Tegen de inhoud van deze akte heeft RVS geen verweer gevoerd. 4.5 Het hof is van oordeel dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld op grond waarvan hij een eigen recht op RVS meent te hebben of anderszins een vordering op RVS geldend kan maken. Hij zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering(en) voor zover uit eigen hoofde ingesteld. 4.6 Gesteld noch gebleken is dat de aard van het vorderingsrecht van [cedent/zoon appellant] op RVS zich verzet tegen overdracht (artikel 3:83 lid 1 BW). Evenmin is gesteld dat overdraagbaarheid van het recht tussen RVS en [cedent/zoon appellant] is uitgesloten (artikel 3:83 lid 2 BW). Derhalve is [appellant], voor zover hij in zijn hoedanigheid als cessionaris optreedt, ontvankelijk in zijn vorderingen. 4.7 Tegen het tussenvonnis van 30 augustus 2006 zijn geen grieven aangevoerd, zodat [appellant] in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep. 4.8 Het hof zal de grieven zoveel mogelijk gezamenlijk behandelen. Centraal staat de vraag of het ongeval is veroorzaakt door onrechtmatig gedrag, dat wil zeggen een verkeersfout, van [cedent/zoon appellant]. Toedracht 4.9 Voor de beantwoording van de vraag of [cedent/zoon appellant] onrechtmatig heeft gehandeld, dient het hof eerst te beoordelen wat de toedracht van het ongeval is geweest. [appellant] stelt in dit verband, kort samengevat, dat [cedent/zoon appellant] een onverwachte snijdende beweging naar links maakte waardoor [cedent/zoon appellant]’s achterwiel [appellant]’ voorwiel heeft geraakt, als gevolg waarvan [appellant] ten val kwam en letsel opliep. RVS heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de door [appellant] gestelde feitelijke toedracht van het ongeval. RVS beroept zich er onder andere op dat uit de door [appellant] en [cedent/zoon appellant] afgelegde verklaringen geen precieze oorzaak van het ongeval valt af te leiden, althans geen eenduidige. 4.10 Over de toedracht van het ongeval hebben [appellant] en [cedent/zoon appellant] diverse verklaringen afgelegd. De rechtbank (rechtsoverweging 4.5 van het bestreden vonnis) heeft geoordeeld dat de verklaringen van [appellant] en [cedent/zoon appellant] in de loop der jaren zijn veranderd. Het hof onderschrijft dit oordeel. Het hof wijst bijvoorbeeld op het volgende. In zijn verklaring van 19 november 2002 spreekt [cedent/zoon appellant] nog over een spurt. Tijdens de comparitie van 10 januari 2007 spreekt [cedent/zoon appellant] slechts over “harder aanzetten”. Op 19 november 2002 verklaart [appellant] dat een sprintje is getrokken. In zijn verklaring op 2 april 2003 staat enerzijds vermeld dat er eerder geen sprintjes zijn getrokken, maar anderzijds dat [cedent/zoon appellant] zonder enige reden van zijn lijn afweek en [appellant] door de aanraking van de wielen over de kop is geslagen. Voorts verklaren [appellant] en [cedent/zoon appellant] aan de rechtsbijstandverzekeraar, in tegenstelling tot hetgeen zij RVS hebben gemeld, dat er geen getuigen waren. Ook over de gereden snelheid lopen de verklaringen uiteen. Grief H, die gericht is tegen voornoemd oordeel van de rechtbank, faalt om die reden. 4.11 In beginsel wordt de verklaring die vlak na het ongeval is afgelegd doorgaans het meest betrouwbaar geacht. Op het schadeformulier (zie rechtsoverweging 3.4) spreekt [appellant] over een verkeerde handeling van [cedent/zoon appellant]. Hieruit volgt dat [appellant] vond dat [cedent/zoon appellant] een fout had begaan. In zoverre slaagt grief K. Met RVS is het hof van oordeel dat een verkeerde gedraging nog niet impliceert dat de gedraging onrechtmatig is. Verderop in dit arrest zal het hof oordelen omtrent de vraag of de (hierna voorshands aan te nemen) gedraging van [cedent/zoon appellant] in de gegeven omstandigheden van het geval onrechtmatig was. 4.12 In rechtsoverweging 4.7 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vaste elementen uit de verklaringen van [appellant] en [cedent/zoon appellant] opgesomd. Het hof zal daarvan uitgaan. Hetzelfde geldt voor de feitelijke gang van zaken zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.8 van het bestreden vonnis. Uit voornoemd schadeformulier (rechtsoverweging 4.11), het schadeformulier ongevallen gedateerd op 11 juli 1995 (zie rechtsoverweging 3.6) en de latere verklaringen van [appellant] en [cedent/zoon appellant] volgt daarnaast voldoende dat: - [appellant] links schuin achter [cedent/zoon appellant] reed; - [cedent/zoon appellant], na zich naar zijn vader te hebben omgedraaid, van zijn lijn afweek; - [cedent/zoon appellant] een voor [appellant] onverwachte slingerachtige beweging naar links maakte en - het voorwiel van de fiets van [appellant] en het achterwiel van de fiets van [cedent/zoon appellant] elkaar hebben geraakt. Gezien het voorgaande neemt het hof voorshands aan dat [cedent/zoon appellant], na zich naar zijn vader te hebben omgedraaid, een onverwachte slingerachtige beweging naar links maakte, waardoor de wielen elkaar hebben geraakt en [appellant] daardoor ten val is gekomen. In zoverre slaagt grief C. Het hof gaat echter niet uit van het vermoeden dat het wiel van [cedent/zoon appellant] het wiel van [appellant] heeft geraakt, omdat in alle verklaringen, behoudens de verklaring zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.13, wordt gemeld dat het voorwiel van [appellant] het achterwiel van [cedent/zoon appellant] heeft geraakt en dus niet andersom. 4.13 Een nadere onderbouwing door [appellant] omtrent de feitelijke toedracht is naar het oordeel van het hof niet nodig. Het neemt daarbij uitdrukkelijk in aanmerking het door RVS erkende verzuim van (de adviseur van) RVS om [appellant] meteen te wijzen op de mogelijkheid de schade te melden onder de aansprakelijkheidsverzekering. De gevolgen van dit verzuim, pas hersteld in 2002, komen voor rekening van RVS. Doordat RVS het ongeval niet direct in behandeling heeft genomen onder de aansprakelijkheidsverzekering werd [appellant] pas zeven jaar na het ongeval op de hoogte gesteld dat RVS aansprakelijkheid van [cedent/zoon appellant] afwees. Hierdoor is aan [appellant] de mogelijkheid ontnomen om, kort na het ongeval, als reactie op de afwijzing van aansprakelijkheid zelf een adequaat (nader) onderzoek te verrichten dan wel RVS te bewegen een (nader) toedrachtsonderzoek te verrichten. Het verweer van RVS dat het op het moment dat zij in 2002 de claim onder de aansprakelijkheidsverzekering in behandeling had genomen, nog mogelijk was geweest om getuigen te horen, miskent het risico dat die getuigen na ruim zeven jaar zich nog maar weinig van het ongeval zouden kunnen herinneren. Onmiskenbaar heeft het tijdsverloop het onderzoek, dat een toenemend reconstruerend karakter kreeg, aanzienlijk bemoeilijkt. Dit rechtvaardigt om aan de op [appellant] rustende stel- en motiveringsplicht en bewijslast geen al te hoge eisen (meer) te stellen, maar aan de motivering van de betwisting door RVS wel hogere eisen te stellen. Het verweer van RVS dat de ambulancebroeder en de dienstdoende politieagenten niets zouden kunnen verklaren omtrent de toedracht van het ongeval miskent daarenboven de mogelijkheid van een de-auditu verklaring. In het midden kan blijven of RVS verplicht was een toedrachtsonderzoek te verrichten. 4.14 Op grond van het voorgaande wordt door het hof de toedracht inclusief de oorzaak van de val voorshands afdoende bewezen geacht. RVS heeft uitdrukkelijk tegenbewijs aangeboden. Daartoe wordt zij in de gelegenheid gesteld. Onrechtmatigheid 4.15 Indien de toedracht zou komen vast te staan, rijst vervolgens rijst de vraag of de gedraging van [cedent/zoon appellant], waarvan het hof voorshands uitgaat, onrechtmatig is. 4.16 Het hof is van oordeel dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld om schending van artikel 3 lid 1 RVV 1990 aan te nemen en hij zal op dit punt dan ook niet worden toegelaten tot bewijs van zijn stellingen. 4.17 Indien de voorshands bewezen toedracht komt vast te staan, had [cedent/zoon appellant] zich moeten onthouden van de onverwachte slingerachtige beweging naar links. [cedent/zoon appellant] wist, althans behoorde te weten dat het naar links uitwijken een gevaarlijke situatie kon opleveren, en wel een zodanige situatie dat daardoor een ongeval zou kunnen ontstaan. De kans dat een ongeval zou kunnen ontstaan, was in het onderhavige geval in hoge mate aanwezig, omdat hij samen met zijn vader aan het fietsen was en [cedent/zoon appellant], die zich blijkens zijn eigen verklaring, naar zijn vader had omgedraaid, wist of moest weten dat zijn vader op korte afstand (links schuin achter hem) bevond. De kans dat dan bij een onverwachte beweging naar links de fietsen elkaar zouden raken, is ook zeer waarschijnlijk. Het hof is bovendien van oordeel dat het ook voorzienbaar was dat in het geval twee fietsen elkaar raken, waarbij een snelheid van tussen de 15 en 20 kilometer per uur werd gereden, aanzienlijk letsel zou kunnen ontstaan. [cedent/zoon appellant] had zich het voorgaande behoren te realiseren. 4.18 Het voorgaande in overweging nemende, heeft [cedent/zoon appellant] naar het oordeel van het hof door zijn gedraging een gevaarlijke situatie geschapen, waarvan hij zich naar maatstaven van zorgvuldigheid had moeten onthouden. Het hof acht dit gedrag in de gegeven omstandigheden van het geval onrechtmatig. Voorts is het hof van oordeel dat het onrechtmatig is om zich als fietser dusdanig te gedragen dat daardoor een andere fietser ten val komt. Het hof laat verder in het midden of sprake is van schending van de artikelen 5 en 6 WVW 1994. Het betoog van RVS dat [appellant] eigen schuld heeft, doet aan de onrechtmatigheid van het gedrag van [cedent/zoon appellant] niet af. Het hof zal hierna nader ingaan op dit betoog van RVS. 4.19 Aan voorgaand oordeel doet niet af het verweer van RVS dat het een feit van algemene bekendheid is dat fietsers nooit in een geheel rechte lijn en met constante snelheid bewegen. Dit feit, van algemene bekendheid, laat immers onverlet dat [cedent/zoon appellant], zich bevindend op de openbare weg, geen onverwachte slingerachtige beweging naar links had mogen maken, nu hij wist of behoorde te weten dat zijn vader in zijn nabijheid was en waardoor hij het risico van een ongeval aanzienlijk heeft vergroot, welk risico zich ook heeft verwezenlijkt. 4.20 Van een ongelukkige samenloop van omstandigheden is hier geen sprake. Het hof acht hierbij van belang dat sprake was van een verkeersituatie, in welk geval van de deelnemers een verhoogde oplettendheid en voorzichtigheid mag worden verwacht. Bovendien geldt in verkeerssituaties dat de kans dat een ongeval ontstaat doorgaans groter is dan in andere situaties, waarbij bovendien ook ernstiger letsel te verwachten valt. 4.21 Voorts verwerpt het hof het verweer van RVS dat het onderhavige geval dient te worden getoetst aan de zwaardere normen die gelden in een sport- en spelsituatie. RVS heeft onvoldoende feiten aangevoerd op grond waarvan een sport- en spelsituatie moet worden aangenomen, hetgeen ook voor het overige niet is gebleken. Bovendien volgt uit de verklaringen van [appellant] en [cedent/zoon appellant] dat het een recreatief fietstochtje was, waarbij op “huis-tuin-en-keuken fietsen” werd gefietst en niet op racefietsen. Ook de snelheid waarmee [appellant] en [cedent/zoon appellant] reden, was niet zodanig dat van een sport- of spelsituatie kan worden gesproken. Het hof ziet derhalve geen reden tot toepassing van afwijkende, voor sport- en spelsituaties geldende, beoordelingsmaatstaven. 4.22 Grief G betoogt de toepasselijkheid van een zogenaamde “Tour de France-regel”. De grief behoeft gezien voorgaand oordeel van hof geen behandeling. Hetzelfde lot treft grief D. Eigen schuld 4.23 Voor het geval dat vast zou komen te staan dat [cedent/zoon appellant] jegens [appellant] onrechtmatig zou hebben gehandeld, beroept RVS zich op “eigen schuld” (artikel 6:101 BW) aan de zijde van [appellant]. RVS stelt, kort samengevat en onder meer verwijzend naar de verklaringen van [appellant] en de door [appellant] overgelegde foto’s, dat [appellant] te dicht op [cedent/zoon appellant] reed en in strijd met artikel 5 WVW 1994 en artikel 19 RVV 1990 heeft gehandeld. [appellant] heeft niet de mate van zorgvuldigheid betracht die van hem mocht worden verwacht en heeft ten onrechte zijn rijgedrag niet afgestemd op andere verkeersdeelnemers, aldus RVS. [appellant] heeft het voorgaande betwist. 4.24 Op RVS rust de stelplicht en de bewijslast van haar beroep op “eigen schuld”. Overeenkomstig haar bewijsaanbod zal RVS worden toegelaten tot het bewijs van “eigen schuld”. Omdat de “eigen schuld” vraag in het onderhavige geval dusdanig verweven is met de vaststelling van de toedracht van het ongeval, is het hof van oordeel dat het vanuit proceseconomisch oogpunt wenselijk is om deze rechtsvraag in deze procedure te beoordelen. Schade 4.25 Gezien voorgaande oordelen van het hof, zal het hof beslissingen omtrent de gevorderde schade, de omvang daarvan en de onderbouwing van de schadeposten aanhouden tot na de bewijslevering. 4.26 Het hof neemt daarbij tot uitgangspunt dat in beginsel een verwijzing naar de schadestaatprocedure niet mogelijk is. De door [appellant] ingestelde vordering strekt tot het verkrijgen van een verklaring voor recht dat RVS haar verplichting uit hoofde van de aansprakelijkheidsverzekering dient na te komen. Een dergelijke vordering strekt niet tot een veroordeling tot schadevergoeding. Partijen kunnen bij een overeenkomst tot schadeverzekering rechtsgeldig overeenkomen dat, in geval van een procedure ter zake van schade waarvan begroting redelijkerwijs nog niet mogelijk is, de schadestaatregeling zal mogen worden gevolgd (HR 7 juni 1996, NJ 1996, 583). Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich hierover en over de wijze van begroting uit te laten tijdens een comparitie die aansluitend aan de contra-enquête zal worden gehouden, dan wel indien geen contra-enquête volgt, aansluitend aan de laatste enquête. 4.27 Voor het overige houdt het hof iedere verdere beslissing aan. Slotsom 4.28 Het hof zal RVS toelaten tot tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geoordeelde toedracht en tot bewijs van “eigen schuld”. 4.29 Het hof houdt iedere verdere beslissing aan. 5. De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: verklaart [appellant] pro se niet-ontvankelijk in zijn vorderingen jegens RVS; verklaart [appellant] verder niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Arnhem van 30 augustus 2006; laat RVS toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands bewezene dat [cedent/zoon appellant], na zich naar zijn vader te hebben omgedraaid, een onverwachte slingerachtige beweging naar links maakte, waardoor de wielen elkaar hebben geraakt en [appellant] daardoor ten val is gekomen; laat RVS toe tot het leveren van bewijs van “eigen schuld” van [appellant]; bepaalt dat, indien RVS dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. A.W. Steeg, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip; bepaalt dat partijen ([appellant] in persoon en RVS vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het beantwoorden van vragen in staat is en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gevolmachtigd is tot het aangaan van een schikking) bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld, als opdat eventueel kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden; bepaalt dat RVS het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van partijen, van hun advocaten en van de getuigen over de maanden juli tot en met september 2009 zal opgeven op de roldatum van 16 juni 2009, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld; bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk een week voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen; bepaalt dat RVS overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven; houdt verder iedere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, H.C. Frankena en L.F. Wiggers-Rust, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2009.