Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ1349

Datum uitspraak2008-12-12
Datum gepubliceerd2009-07-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers08/520
Statusgepubliceerd


Indicatie

Eiseres heeft geen aanspraak op huurtoeslag, omdat haar medebewoner niet beschikt over een geldige verblijfsstatus die recht geeft op een toeslag. De wet biedt geen ruimte om minderjarige vreemdelingen, niet zijnde asielzoekers, van de toepassing van het koppelingsbeginsel zoals neergelegd in artikel 9, derde lid, eerste volzin, van de Awir uit te zonderen. Verweerder was bevoegd om het aan eiseres toegekende voorschot in huurtoeslag te herzien en terug te vorderen.


Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN Sector Bestuursrecht Meervoudige kamer Reg.nr.: 08/520 Uitspraak in het geding tussen: [eiseres] te Zutphen, eiseres, en Belastingdienst/Toeslagen verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 14 juli 2007 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij geen aanspraak heeft op de met ingang van 1 januari 2006 bij wijze van voorschot toegekende huurtoeslag en dat zij het vanaf 1 januari 2006 ontvangen voorschot dient terug te betalen. Namens eiseres is tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 15 januari 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Namens eiseres heeft mr. F.S. van Nierop, advocaat te Utrecht, beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Het beroep is behandeld ter zitting van 4 november 2008, waar namens eiseres haar gemachtigde is verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. A.D. Schreutelkamp. 2. Motivering 2.1. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), zoals deze bepaling luidde ten tijde in geding, verleent de Belastingdienst/ Toeslagen indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de belanghebbende een voorschot tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld. Ingevolge artikel 16, vierde lid, van de Awir, kan het voorschot worden herzien. Op grond van artikel 16, vijfde lid, van de Awir kan een herziening van het voorschot leiden tot een terug te vorderen bedrag. Ingevolge artikel 9, derde lid, van de Awir heeft de belanghebbende – samengevat – geen aanspraak op een tegemoetkoming ingeval een medebewoner een vreemdeling is die niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000. De tweede volzin bepaalt dat, indien de medebewoner een alleenstaande minderjarige vreemdeling in de zin van artikel 1, onderdeel e, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (de Regeling) is, de eerste volzin niet geldt tot het moment waarop het recht op opvang ingevolge die regeling eindigt. In artikel 1, onderdeel e, van de Regeling wordt onder een alleenstaande minderjarige vreemdeling verstaan een asielzoeker die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en die zonder begeleiding of verzorging van een ouder of voogd in Nederland verblijft. 2.2. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiseres geen aanspraak heeft op huurtoeslag omdat haar medebewoner, [naam medebewoner] (hierna: [naam medebewoner]), niet beschikt over een geldige verblijfsstatus die recht geeft op een toeslag. 2.3. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat zij wel aanspraak heeft op huurtoeslag, aangezien [naam medebewoner] moet worden aangemerkt als een alleenstaande minderjarige vreemdeling als bedoeld in artikel 9, derde lid, tweede volzin, van de Awir. Subsidiair meent eiseres – onder verwijzing naar artikel 26 Huursubsidiewet en internationaalrechtelijke bepalingen – dat een overkorte toepassing van het zogenaamde koppelingsbeginsel in haar geval zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 2.4. Niet in geschil is dat [naam medebewoner] niet rechtmatig in Nederland verblijft en geen asielzoeker is. 2.5. Aan de orde is allereerst de vraag of [naam medebewoner] onder de uitzondering van artikel 9, derde lid, tweede volzin, van de Awir valt. De rechtbank overweegt dienaangaande dat deze uitzonderingsbepaling – gelet op de tekst van artikel 1, onderdeel e, van de Regeling – uitsluitend betrekking heeft op een asielzoeker. Ook uit de ontstaansgeschiedenis van de uitzonderingsbepaling – waar eiseres in de gedingstukken ook naar verwijst – blijkt dat de uitzondering om aanspraak op huurtoeslag te behouden enkel en alleen ziet op pleeggezinnen die op verzoek van de overheid de zorgplicht voor een uitgeprocedeerde alleenstaande vreemdeling op zich hebben genomen. Van een zodanig verzoek is in het onderhavige geval geen sprake. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder [naam medebewoner] terecht niet als een alleenstaande minderjarige vreemdeling in de zin van artikel 9, derde lid, tweede volzin, van de Awir heeft aangemerkt. 2.6. De rechtbank stelt vast dat de wet geen ruimte biedt om minderjarige vreemdelingen – niet zijnde asielzoekers – van de toepassing van het koppelingsbeginsel zoals neergelegd in artikel 9, derde lid, eerste volzin, van de Awir uit te zonderen. De in artikel 47 van de Awir opgenomen hardheidsclausule ziet expliciet en uitsluitend op gevallen waarin toepassing van artikel 7, derde of vierde lid, – en niet artikel 9, derde lid – leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Voor zover eiseres zich beroept op artikel 26 Huursubsidiewet, op grond waarvan onder bijzondere omstandigheden bepaalde medebewoners buiten beschouwing konden worden gelaten, overweegt de rechtbank dat deze bepaling met ingang van 1 september 2005 is komen te vervallen, zodat zij in het onderhavige geval toepassing mist. Daarnaast merkt de rechtbank nog op dat de bijzondere omstandigheden waarnaar in artikel 26 Huursubsidiewet werd verwezen, zich in het onderhavige geval niet voordoen. Ten aanzien van het beroep van eiseres op de artikelen 3 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind overweegt de rechtbank – in navolging van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de RvS – dat deze bepalingen, gelet op hun formulering, geen normen bevatten die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar zijn. Ook deze beroepsgrond faalt derhalve. 2.7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen aanspraak heeft op huurtoeslag en aan haar ten onrechte een voorschot is verstrekt. Verweerder was dan ook bevoegd om het voorschot te herzien en terug te vorderen. 2.8. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid tot herziening en terugvordering van het voorschot. 2.9. Het bestreden besluit kan in rechte standhouden. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. 3. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mrs. K. van Duyvendijk, voorzitter, L.J. Bosch en P. Bos, leden, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.