Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ2650

Datum uitspraak2009-07-15
Datum gepubliceerd2009-07-15
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200806111/1/H3
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij verkeersbesluit van 19 juni 2007 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Rotterdam-Noord (hierna: het dagelijks bestuur), voor zover van belang, besloten tot intrekking van de geslotenverklaring voor motorrijtuigen uitgezonderd vrachtverkeer en lijnbussen op de Noordsingel-West ter hoogte van de Teilingerstraat door middel van het verwijderen van het bord C12 met onderbord.


Uitspraak

200806111/1/H3. Datum uitspraak: 15 juli 2009 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. het dagelijks bestuur van de deelgemeente Rotterdam-Noord, 2. [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 4 juli 2008 in zaak nrs. 07/1275 en 08/62 in het geding tussen: 1. [wederpartijen sub 1], allen wonend te [woonplaats] 2. [appellanten sub 2] en het dagelijks bestuur van de deelgemeente Rotterdam-Noord. 1. Procesverloop Bij verkeersbesluit van 19 juni 2007 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Rotterdam-Noord (hierna: het dagelijks bestuur), voor zover van belang, besloten tot intrekking van de geslotenverklaring voor motorrijtuigen uitgezonderd vrachtverkeer en lijnbussen op de Noordsingel-West ter hoogte van de Teilingerstraat door middel van het verwijderen van het bord C12 met onderbord. Bij besluit van 3 december 2007 heeft het dagelijks bestuur de door [appellanten sub 2] en [wederpartijen sub 1] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 juli 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Dordrecht (hierna: de rechtbank) de door [appellanten sub 2] en [wederpartijen sub 1] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en het besluit van 3 december 2007 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben het dagelijks bestuur bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2008, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 3 december 2008. [appellanten sub 2] hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 8 september 2008. [appellanten sub 2], [wederpartijen sub 1] en het dagelijks bestuur hebben allen afzonderlijk een verweerschrift ingediend. Bij besluit van 2 maart 2009 heeft het dagelijks bestuur, opnieuw beslissend op de tegen het besluit van 19 juni 2007 door [appellanten sub 2] en [wederpartijen sub 1] gemaakte bezwaren, die bezwaren ongegrond verklaard en het bestreden besluit, onder aanvulling van de motivering met betrekking tot geluidhinder en luchtkwaliteit, in stand gelaten. [appellanten sub 2] en [wederpartijen sub 1] hebben hierop een reactie ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2009, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. V. Wiegman, adviseur bij de gemeente Rotterdam, [appellant sub 2A], in persoon en bijgestaan door drs. S.A.N. Geerling en mr. B.J.W. Walraven, onderscheidenlijk werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer en advocaat te Rotterdam, en [wederpartijen sub 1], deels in persoon en bijgestaan door mr. B.J.W. Walraven, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen. Voorts zijn de portefeuillehouder Buitenruimte, Economie en Participatie van de deelgemeente Rotterdam-Noord A. Harika, luchtkwaliteitsdeskundige J.W.T Voerman en verkeersdeskundige P. de Knegt als vertegenwoordigers van het dagelijks bestuur ter zitting verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot: a. het verzekeren van de veiligheid op de weg; b. het beschermen van weggebruikers en passagiers; c. het in standhouden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan; d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer. Ingevolge het tweede lid kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot: a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer; b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden. Artikel 15, eerste lid, bepaalt dat de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens en onderborden, voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit. Het tweede lid bepaalt dat maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer geschieden krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, worden verkeersbesluiten genomen, voor zover zij betreffen het verkeer op andere wegen dan welke vallen onder beheer van het Rijk, een provincie of een waterschap, door burgemeester en wethouders, of krachtens besluit van hen, door een door hen ingestelde bestuurscommissie of het dagelijks bestuur van een deelgemeente. Krachtens artikel 12 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: het BABW) dient plaatsing en verwijdering van het bord C12, zoals opgenomen in bijlage 1, behorende bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, te geschieden bij verkeersbesluit. Ingevolge artikel 21 dient de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval te vermelden welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Volgens deze bepaling wordt bij de motivering aangegeven welke van de in artikel 2, eerste lid en tweede lid, van de WVW genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen. In artikel 1, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) is - voor zover hier van belang - bepaald dat in de wet en de daarop berustende bepalingen onder reconstructie van een weg wordt verstaan: een of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg, ten gevolge waarvan de geluidsbelasting vanwege de weg met 2 dB(A) of meer wordt verhoogd. Uit artikel 74, tweede lid, onder b, volgt dat het bepaalde over het vaststellen van geluidszones ten behoeve van onderzoek naar de geluidsbelasting vanwege wegen niet geldt voor wegen waar een maximum snelheid van 30 kilometer per uur geldt. Artikel 82, eerste lid, bepaalt dat behoudens het in de artikelen 83, 100 en 100a bepaalde de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel, vanwege de weg, 48 dB is. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005), zoals dat luidde ten tijde hier van belang, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassingen van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in acht. Op 15 november 2007 is de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden (Stb. 2007, 414). Bij deze Wet is het Blk 2005 ingetrokken en is titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) over luchtkwaliteitseisen in werking getreden. Uit het overgangsrecht van de Wet van 11 oktober 2007 volgt dat de artikelen van het Blk 2005 van toepassing blijven op een voor de inwerkingtreding van deze wet met toepassing van artikel 7 van het Blk 2005 vastgesteld besluit of ontwerpbesluit. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) kunnen bestuursorganen de in het tweede lid bedoelde bevoegdheden of de daar bedoelde wettelijke voorschriften, waarvan de uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, uitoefenen dan wel toepassen: a. hetzij in gevallen waarin bij een uitoefening of toepassing aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde; b. hetzij in gevallen waarin bij een uitoefening of toepassing, met inachtneming van het vijfde lid en de krachtens dat lid gestelde regels, aannemelijk is gemaakt dat: 1°. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of toepassing per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of 2°. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert; c. hetzij in gevallen waarin bij een uitoefening of toepassing aannemelijk is gemaakt dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen; d. hetzij indien een uitoefening dan wel toepassing is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op grond van artikel 5.12, eerste lid, of artikel 5.13, eerste lid, vastgesteld programma. Ingevolge het tweede lid zijn de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden of wettelijke voorschriften de bevoegdheden en wettelijke voorschriften, bedoeld in: a. de artikelen 1.2, 4.15a, 4.16, 7.27, 7.35, 7.42, 8.2, 8.8, 8.11, derde lid, 8.40, eerste lid; b. de artikelen 13, 16, 43, 48 en 53 van de Wet inzake de luchtverontreiniging; c. de artikelen 2.1, 2.2, 2.3, 3.1, 3.10, 3.22, 3.23, 3.26, 3.27, 3.28, 3.29, 3.30, 3.33, 3.35, 3.38, 3.40, 3.41, 3.42, 4.1, 4.2, 4.3 en 4.4 van de Wet ruimtelijke ordening; d. artikel 15 van de Tracéwet; e. de artikelen 2, 5 en 8 van de Planwet verkeer en vervoer; f. artikel 9 van de Spoedwet wegverbreding. 2.2. Bij verkeersbesluit van 13 april 2004 heeft het dagelijks bestuur door het plaatsen van een bord C12 met onderbord en het aanleggen van een bussluis besloten tot geslotenverklaring voor motorrijtuigen met uitzondering van lijnbussen en vrachtverkeer op de Noordsingel-West ter hoogte van de Teilingerstraat, overwegende dat in het kader van het beleid bundelen en ordenen en de uitvoering van het progamma Duurzaam Veilig Verkeer het niet gewenst is dat doorgaand verkeer door de woonwijken rijdt, dat in het kader van het Singelfietsplan besloten is tot zoveel mogelijk karakteristieke en rustige singels en dat in het kader van het Fietssternetwerk besloten is de Berg- en Noordsingel aan te wijzen als "fiets-ster-net-route". De bussluis op de Noordsingel-West is een onderdeel van het verkeerscirculatieplan (hierna: VCP) voor de Agniesebuurt, dat als doel heeft de "verkeersleefbaarheid" in de buurt te verbeteren. Het VCP is gebaseerd op het landelijk project Duurzaam Veilig Verkeer en het Verkeers- en Vervoersplan van de gemeente Rotterdam. 2.3. Bij besluit van 17 mei 2006 heeft het dagelijks bestuur onder meer besloten tot intrekking van het besluit van 13 april 2004. Aan dit besluit ligt ten grondslag het rapport "Rotterdam Noord Agniesebuurt, Evaluatie verkeersmaatregelen" van februari 2006 van het adviesbureau voor ruimtelijk beleid, ontwikkeling en inrichting (hierna: het RBOI). Naar aanleiding van de hiertegen gemaakte bezwaren is het dagelijks bestuur overgegaan tot een tweede evaluatie van de genomen verkeersmaatregelen. De conclusies en aanbevelingen die hieruit zijn voortgekomen, en welke zijn opgenomen in het rapport van juni 2007, zijn door het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd aan het besluit van 19 juni 2007, waarbij is besloten tot intrekking van de geslotenverklaring voor motorrijtuigen met uitzondering van lijnbussen en vrachtverkeer op de Noordsingel-West ter hoogte van de Teilingerstraat. 2.4. Bij besluit op bezwaar van 3 december 2007 heeft het dagelijks bestuur de intrekking van de geslotenverklaring gehandhaafd. Hierbij heeft het dagelijks bestuur het advies van de Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften niet overgenomen, maar het ambtelijk contrair advies gevolgd. De Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften stelt onder meer dat het rapport van juni 2007 van het RBOI inhoudelijk niet concludent is, zodat dit het bestreden besluit niet kan dragen. Zij adviseert de bezwaren gegrond te verklaren en het bestreden besluit te herroepen. Het contrair advies van 28 november 2007 houdt in dat geen aanleiding bestaat tot herroeping van het besluit van 19 juni 2007. Met de afsluiting is weliswaar het beoogde doel, te weten de afname van de verkeersintensiteit op de Noordsingel-West, bereikt, hiertegenover staan echter de nadelige gevolgen van de afsluiting, namelijk de verminderde bereikbaarheid van woningen en bedrijven in de Agniesebuurt en het stelselmatig negeren van verkeersmaatregelen die gevaarlijke verkeerssituaties tot gevolg hebben. De verminderde bereikbaarheid is bovendien ongunstig voor de lokale economie. Nu na openstelling het autoverkeer op de Noordsingel-West niet het aantal verkeersbewegingen per dag van de nulsituatie (hiermee wordt bedoeld: de situatie voor geslotenverklaring) zal overschrijden, zijn de gevolgen voor de luchtkwaliteit aanvaardbaar, aldus het contrair advies. 2.5. De rechtbank komt tot de conclusie dat nu het dagelijks bestuur heeft nagelaten inzichtelijk te maken dat de nadelige gevolgen van het autoverkeer in de nulsituatie voor de omgeving aanvaarbaar waren, het in zijn belangenafweging inzake geluidhinder en luchtkwaliteit niet slechts heeft kunnen volstaan met het standpunt dat de nadelige gevolgen van het autoverkeer door de hernieuwde openstelling vergelijkbaar zullen zijn met die in de nulsituatie. De rechtbank is van oordeel dat het dagelijks bestuur in deze beoordeling ook de in de nieuwe situatie gewijzigde factoren moet meewegen, zoals de ingestelde 30 km/u-zone, de snelheidsbeperkende maatregelen en de andere bestrating (kleiklinkers). De door het dagelijks bestuur gemaakte belangenafweging acht de rechtbank daarom niet deugdelijk. De rechtbank is van oordeel dat het Blk 2005 van toepassing blijft op het besluit van 19 juni 2007 nu dit dateert van vóór inwerkingtreding van de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer. Voorts dient naar het oordeel van de rechtbank het Blk 2005 ook te worden toegepast bij het besluit op het bezwaar tegen een dergelijk besluit. Ingevolge artikel 7 van het Blk 2005 had bij het nemen van het verkeersbesluit onderzoek dienen te worden verricht naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Uit de notitie "Gevolgen verwijdering bussluis Noordsingel" volgt bovendien dat na openstelling de toename van het aantal motorvoertuigen op de Noordsingel-West ongeveer 1300 per dag is, zodat niet op voorhand kan worden aangenomen dat het verkeersbesluit geen negatieve gevolgen zal hebben voor de luchtkwaliteit. Het besluit van 3 december 2007 is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), alsmede met artikel 7 van het Blk 2005, aldus de rechtbank. Het hoger beroep van het dagelijks bestuur 2.6. Het dagelijks bestuur komt op tegen het oordeel van de rechtbank en betoogt hiertoe als volgt. Bij het besluit van 19 juni 2007 heeft het dagelijks bestuur artikel 7 van het Blk 2005 niet toegepast, zodat het overgangsrecht in dit geval niet van toepassing is. Het dagelijks bestuur stelt voorts dat de rechtbank niet de bevoegdheid toekomt ambtshalve het aspect van de luchtkwaliteit te beoordelen, nu geen der partijen in eerste aanleg dit aan de orde heeft gesteld. Volgens het dagelijks bestuur kan bovendien worden aangenomen dat het verkeersbesluit geen nadelige gevolgen zal hebben voor de luchtkwaliteit, op grond waarvan een onderzoek hiernaar achterwege kon blijven. Hierbij verwijst het dagelijks bestuur naar de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2005 zaak nr. 200503545/1. Het dagelijks bestuur ziet zich voorts gesteund door het rapport van de DCMR Milieudienst Rijnmond van 25 augustus 2008, waarin is vastgesteld dat als gevolg van het aan het bestreden verkeersbesluit geen verslechtering van de luchtkwaliteit valt te verwachten. Tot slot stelt het dagelijks bestuur dat gelet op evenvermelde uitspraak van de Afdeling en de overweging in de aangevallen uitspraak dat in dit geval geen sprake is van een reconstructie in de zin van de Wgh, een onderzoek naar de geluidsbelasting niet behoeft plaats te vinden. 2.6.1. Onweersproken is dat het geschil zich beperkt tot het verkeersbesluit inhoudende de openstelling van de Noordsingel-West door middel van verwijdering van het verkeersbord C12. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 17 september 2008 in zaak nr. 200800464/1), komt het bestuursorgaan bij het nemen van een verkeersbesluit een ruime beoordelingsmarge toe. Het is aan het bestuursorgaan om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter dient zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit dan ook terughoudend op te stellen en te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel of de afweging van de betrokken belangen niet zodanig onevenwichtig is, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. 2.6.2. Anders dan het dagelijks bestuur betoogt, heeft de rechtbank het aspect van de luchtkwaliteit niet ambtshalve beoordeeld, hetgeen blijkt uit het bij de rechtbank ingediende beroepschrift van [appellanten sub 2] van 10 januari 2008. Volgens inmiddels vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 december 2008 in zaak nr. 200804932/1) heeft de wet van 15 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) onmiddellijke werking. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het Blk 2005 op het besluit op bezwaar van toepassing is. Nu uit artikel 5.16, tweede lid, van de Wm niet volgt dat voor het nemen van een verkeersbesluit een onderzoek naar de luchtkwaliteit is benodigd, is de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel gekomen. Het betoog slaagt derhalve. 2.6.3. Op de Noordsingel-West geldt in de huidige situatie een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. Het ter beoordeling staande verkeersbesluit brengt daarin geen verandering. Gelet op artikel 74, tweede lid, van de Wgh in samenhang met artikel 82, eerste lid, van die wet heeft het dagelijks bestuur mogen aannemen dat bij deze maximumsnelheid de geluidsbelasting van de gevels van de woningen op de Noordsingel-West, vanwege de weg, de waarde van 48 dB(A) niet overschrijdt. Aangezien een maximale geluidsbelasting van 48 dB(A) kan worden beschouwd als een toereikend beschermingsniveau, heeft het dagelijks bestuur, anders dan de rechtbank heeft overwogen, kunnen afzien van een onderzoek naar de geluidsbelasting en heeft het de eventuele geringe toename van geluidhinder van minder gewicht kunnen achten dan de belangen die zijn gediend met het verkeersbesluit. Dit betoog slaagt evenzeer. 2.6.4. Het hoger beroep van het dagelijks bestuur is gegrond. Het hoger beroep van [appellanten sub 2] 2.7. [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het ambtelijk contrair advies van 28 november 2007 niet aan de Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften behoefde te worden voorgelegd. [appellanten sub 2] zijn hierdoor immers in hun belangen geschaad, omdat zij niet de mogelijkheid hebben gehad hierop te reageren. Om tot een zorgvuldige belangenafweging te komen had het contrair advies aan de commissie dienen te worden voorgelegd dan wel had het dagelijks bestuur het door onder meer [appellanten sub 2] aangevraagde advies bij Royal Haskoning in de heroverweging dienen te betrekken, aldus [appellanten sub 2]. Voorts betogen [appellanten sub 2] dat het handhaven van verkeersregels geen taak is die zijn grondslag vindt in het BABW, zodat de verkeersreglementen hier onjuist zijn toegepast. Het door de rechtbank als aannemelijk aangenomen standpunt van het dagelijks bestuur dat een terugkeer naar de nulsituatie niet zal leiden tot extra verkeersstromen is, zo stellen [appellanten sub 2] tot slot, onvoldoende onderbouwd en wordt niet door enige cijfers of modellen ondersteund. 2.7.1. Artikel 7:9 van de Awb bepaalt dat wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden wordt meegedeeld en zij in de gelegenheid worden gesteld daarover te worden gehoord. Nu het contrair advies geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden omvat, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat dit advies reeds hierom niet aan [appellanten sub 2] behoefde te worden voorgelegd dan wel dat zij hier alvorens het besluit op bezwaar werd genomen over dienden te worden gehoord. 2.7.2. Voor het oordeel dat het dagelijks bestuur het door onder meer [appellanten sub 2] aangevraagde adviesrapport van "Royal Haskoning" niet bij de heroverweging heeft betrokken, bestaat geen grond. Dit stuk is aan het dagelijks bestuur overgelegd en aan de op de zaak betrekking hebbende stukken toegevoegd. Het enkele feit dat dit stuk niet tot de door [appellanten sub 2] gewenste uitkomst van de heroverweging heeft geleid maakt nog niet dat het hierbij niet is betrokken. Dit betoog faalt. 2.7.3. Dat aan het verkeersbesluit het verbeteren van de verkeersveiligheid en de handhaafbaarheid van verkeersregels ter plaatse ten grondslag ligt, acht de Afdeling evenals de rechtbank niet in strijd met het BABW. Volgens artikel 21 van het BABW wordt bij de motivering aangegeven welke van de in artikel 2, eerste lid en tweede lid, van de WVW genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Bij de motivering van het bestreden verkeersbesluit zijn de eerder genoemde belangen onder meer genoemd. Deze belangen acht de Afdeling begrepen in de in artikel 2, eerste lid en tweede lid, van de WVW genoemde belangen. 2.7.4. Onweersproken is dat de Noordsingel-West in de nulsituatie deel uitmaakte van een doorgaande route vanaf de ring naar het centrum. Thans is deze route als gevolg van een wegafsluiting elders in de stad niet meer mogelijk. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat in hetgeen [appellanten sub 2] en [wederpartijen sub 1] hebben aangevoerd, onvoldoende aanknopingspunten zijn gelegen om te betwijfelen dat wanneer de nieuwe situatie wordt afgezet tegen de nulsituatie, niet valt te verwachten dat na openstelling van de Noordsingel-West het aantal passerende motorvoertuigen groter zal zijn. 2.8. Het hoger beroep van [appellanten sub 2] is ongegrond. 2.9. De aangevallen uitspraak dient, gelet op het onder 2.6.4. overwogene, te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [appellanten sub 2] en dat van [wederpartijen sub 1] tegen het besluit van 3 december 2007 alsnog ongegrond verklaren. Het beroep tegen het besluit van 2 maart 2009 2.10. Bij besluit van 2 maart 2009 heeft het dagelijks bestuur, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw op het door [appellanten sub 2] en [wederpartijen sub 1] gemaakte bezwaar beslist. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de artikel 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding. Uit het voorgaande volgt dat de grondslag van het besluit van 2 maart 2009 is komen te ontvallen. Om deze reden zal de Afdeling dat besluit vernietigen. 2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep van het dagelijks bestuur van de deelgemeente Rotterdam-Noord gegrond; II. vernietigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 4 juni 2008 in zaak nrs. 07/1275 en 08/62; III. verklaart de beroepen van [appellanten sub 2] en [wederpartijen sub 1] tegen het besluit van het dagelijks bestuur van de deelgemeente Rotterdam-Noord van 3 december 2007 ongegrond; IV. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] en [wederpartijen sub 1] tegen het besluit van het dagelijks bestuur van de deelgemeente Rotterdam-Noord van 2 maart 2009 gegrond; V. vernietigt dat besluit. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat. w.g. Slump w.g. Van Hardeveld Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009 312-597.