Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ6990

Datum uitspraak2009-09-04
Datum gepubliceerd2009-09-04
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Breda
Zaaknummers207028 JE RK 09-1448
Statusgepubliceerd


Indicatie

Beroep indicatiebesluit; indieningstermijn procesreglement Civiel Jeugdrecht; beschikking betreffende verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing.


Uitspraak

RECHTBANK BREDA Sector civiel recht Team familierecht Enkelvoudige Kamer Zaaknummer: 207028 JE RK 09-1448 4 september 2009 beschikking betreffende verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. in de zaak van de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, gevestigd te Eindhoven, mede kantoorhoudende Alleenhouderstraat 25, 5041 LC Tilburg, hierna te noemen de stichting, en de minderjari[naam minderjarige]aam minderjarige], geboren te 's-Gravenhage op [geboortedatum]. 1. Het verloop van het geding Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 27 juli 2009 ingekomen verzoekschrift met bijlagen; - het op 20 juli 2009 door de stichting genomen indicatiebesluit; - de beschikkingen van de kinderrechter in deze rechtbank van 5 september 2008 en 21 april 2009; - de beschikkingen van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 februari 2009; - het op 3 augustus 2009 ontvangen bezwaar tevens beroep tegen het indicatiebesluit van 20 juli 2009; - de op 4 augustus 2009 ontvangen verklaringen van de hierna onder 1 en 2 te noemen belanghebbenden; - de op 11 augustus 2009 ontvangen brief van de hierna onder 1 en 2 te noemen belanghebbenden met bijlagen; - de op 11 augustus 2009 ontvangen brief van de stichting; - de brieven van de griffier van de rechtbank van 17 augustus 2009 aan de hierna te noemen belanghebbenden; - de op 26 augustus 2009 ontvangen verweerschrift van de hierna onder 1 en 2 te noemen belanghebbenden; - de door de hierna onder 1 en 2 te noemen belanghebbende ter terechtzitting overgelegde pleitnotitie; - het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 september 2009. Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt: 1. mevrouw [naam moeder], moeder van de minderjarige en gezagdragende ouder, 2. de heer [naam vader], vader van de minderjarige en gezagdragende ouder, 3. familie [naam pleegouders], pleegouders van de minderjarige. 2. Het verzoek De stichting verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige te verlengen met een periode van één jaar. 3. De beoordeling 3.1 Bij beschikking van 5 september 2008, bekrachtigd door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch bij beschikking van 24 februari 2009, is de ondertoezichtstelling van de minderjarige en de machtiging aan de stichting tot uithuisplaatsing van deze telkens verlengd tot 7 september 2009. 3.2 Bij beschikking van 21 april 2009 is de Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel als Bureau Jeugdzorg vervangen door de stichting. 3.3 De stichting legt aan haar verzoek ten grondslag dat [naam minderjarige] inmiddels ongeveer drie jaar in het huidige pleeggezin verblijft. [Naam minderjarige] heeft veel behoefte aan duidelijke afspraken en structuur. Hij lijkt zijn plaats in het pleeggezin te hebben gevonden. Hij is ingegroeid in het pleeggezin en hij voelt zich daar thuis en is erg op de gezinsleden erg gesteld. De duidelijkheid en structuur die hem daar worden geboden, zorgen mede voor de positieve verandering in zijn gedrag. De pleegouders benoemen het gedrag en de emoties zodat [naam minderjarige] zich meer bewust wordt van zichzelf en meer basisvertrouwen in zichzelf en pleegouders krijgt. Om zijn basisvertrouwen te vergroten heeft er in de periode april tot september 2008 Video Interactie Begeleiding in het pleeggezin plaatsgevonden. Daarbij vond [naam minderjarige] het moeilijk om zich over te geven aan een andere volwassene, want het vertrouwen dat de ander er voor hem is en ook altijd zal blijven, heeft hij niet. Hij heeft veel bevestiging nodig van pleegmoeder in die zin dat hij altijd wil horen dat zij terugkomt. De angst dat hij niet herenigd wordt met zijn pleegmoeder zit diep en is niet zomaar weg te praten. [naam minderjarige] heeft een inhaalslag nodig. Hij moet dan ook het gevoel krijgen dat hij gezien en gehoord wordt. Dit kan alleen als hij extra gevoel van veiligheid kan ondervinden. Ten aanzien van de houding van ouders heeft de stichting aangegeven dat de ouders vanaf het begin van de uithuisplaatsing van [naam minderjarige], met name via de juridische weg, strijden omdat zij graag zien dat [naam minderjarige] weer thuis komt wonen. Ze staan niet achter de plaatsing van [naam minderjarige] in het pleeggezin. De ouders zetten alles in om hun strijd te voeren. Het is derhalve van belang voor een positieve ontwikkeling van [naam minderjarige] dat er een opvoedingsbesluit wordt genomen. Tot nu toe is het perspectief onduidelijk, omdat ouders nog steeds de verwachting hebben dat zij voor [naam minderjarige] zullen gaan zorgen. Het is belangrijk dat hierin een beslissing wordt genomen. Met het oog op de uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 februari 2009 heeft de stichting een aanvang gemaakt met het opstellen van onderzoeksvragen alsmede is gewerkt naar een geleidelijke uitbreiding van de contacten tussen [naam minderjarige] en ouders. De contacten van ouders met pleegmoeder verlopen niet goed en de bezoekregeling is tevens niet zonder problemen verlopen. Op 30 juli 2009 heeft er een onbegeleid bezoekcontact plaatsgevonden. De ouders hebben nagelaten om [naam minderjarige] hierna terug te brengen, ondanks verschillende verzoeken vanuit de VVP Utrecht en de stichting. De stichting was niet op de hoogte van de verblijfplaats van ouders. Zij heeft met behulp van de politie het adres van ouders achterhaald. Nadat de stichting een dwingend telefonisch verzoek heeft gedaan om [naam minderjarige] terug te brengen, gaf vader aan in zijn recht te staan. Zowel de stichting als de advocaat van ouders hebben getracht uit te leggen dat hun handelen strafbaar was. Ouders waren echter niet bereikbaar voor hun advocaat. Op 31 juli heeft de stichting met ondersteuning van de politie [naam minderjarige] opgehaald en teruggebracht naar pleegouders. Deze gebeurtenis heeft een zeer grote negatieve impact op de ontwikkeling van [naam minderjarige]. Hij is door ouders weggehouden van de voor hem vertrouwde omgeving waar hij een prille en nog onveilige band mee heeft. Hierdoor voelt hij zich nog steeds zeer onveilig. Hij wil niet dat pleegmoeder hem alleen laat, hij slaapt slecht en hij geeft aan het niet leuk te hebben gehad. Door de actie van ouders is [naam minderjarige] het vertrouwen kwijt in volwassenen om hem heen. Het is onduidelijk wat dit voor de langere termijn betekent in de ontwikkeling van [naam minderjarige]. De stichting is van mening dat [naam minderjarige] in de eerste plaats recht heeft op rust en veiligheid. De stichting heeft derhalve besloten dat zij de contacten opschorten tussen ouders en [naam minderjarige]. Afhankelijk van het tempo en de mogelijkheden van [naam minderjarige] zal in de toekomst worden bekeken hoe de contacten tussen hem en ouders vorm gegeven dienen te worden. De ouders hebben inmiddels het vertrouwen in de stichting opgezegd. De stichting heeft, gelet op het voorgaande, besloten om te kiezen voor het belang van [naam minderjarige]. De stichting wil dan ook [naam minderjarige] niet belasten met een onderzoek (waarin hij contact heeft met ouders) en twijfelt ernstig of op deze wijze en met de opstelling van ouders een eventuele thuisplaatsing tot de mogelijkheden behoort. Derhalve ziet de stichting af van de inzet van een onderzoek naar de pedagogische vaardigheden van ouders en zal zij de Raad voor de Kinderbescherming verzoeken om een onderzoek tot een verderstrekkende maatregel. 3.4 De ouders hebben ter terechtzitting en bij het voornoemde bezwaar en beroep tegen het indicatiebesluit met bijlagen, het verweerschrift met bijlagen, de brief met bijlagen en de overgelegde pleitnota uitgebreid verweer gevoerd tegen het verzoek van de stichting. Kort samengevat houden de verweren van ouders in dat het indicatiebesluit niet rechtmatig tot stand is gekomen omdat de stichting de ouders hierover niet heeft gehoord alsmede dat er - overeenkomstig artikel 35 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg - geen actief onderzoek heeft plaatsgevonden door een gedragsdeskundige, hetgeen blijkt op pagina 4 van het indicatiebesluit onder de kop Second Opinion. Daarnaast is het verzoekschrift van de stichting niet tijdig door de stichting bij de rechtbank ingediend en is dit niet met ouders besproken waardoor de stichting niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek dan wel dient het verzoek te worden afgewezen. Tevens is het niet tijdig indienen van het verzoek volgens ouders in strijd met de goede procesorde. De ouders hebben voorts aangevoerd dat uit de rapportage van arts [naam arts] te Roermond van 16 maart 2008 blijkt dat uit niets is gebleken dat ouders niet in staat zouden zijn om voor hun kinderen te zorgen en dat aan de uithuisplaatsing van [naam minderjarige] zo spoedig mogelijk een einde gemaakt dient te worden om vergaande schade aan hem te voorkomen. In de eindconclusie van dit rapport is tevens opgenomen dat het een wetenschappelijk feit is dat langdurige deprivatie van het contact tussen een kind en zijn ouders zeer schadelijk is voor dat kind. De aangewezen weg is dan het kind terug te plaatsen bij zijn biologische ouders. Zonodig dient dit te gebeuren met aangepaste hulp en zorg, aldus de rapportage van [naam arts]. De ouders hebben voorts in hun verweerschrift een beroep gedaan op verschillende artikelen van het IVRK. Zij zijn van mening dat deze artikelen zowel door de Raad voor de Kinderbescherming, de stichting als de pleegmoeder van [naam minderjarige] terzijde worden geschoven en niet in acht worden genomen. De ouders stellen dat de pleegmoeder [naam minderjarige] hersenspoelt en psychisch onderdrukt. Hij mag zijn familie niet van haar leren kennen. [naam minderjarige] zou pleegmoeder 'mama' moeten noemen en hij krijgt opgelegd dat hij moet zeggen dat hij altijd bij haar blijft wonen. De ouders kunnen zich in het geheel niet vinden in de opvoedingsstijl van pleegmoeder. [naam minderjarige] vloekt veelvuldig en pleegmoeder kan [naam minderjarige] niet aan. Zij biedt hem niet de benodigde structuur en is niet in staat om [naam minderjarige] op te voeden en te verzorgen. Zij krijgt dan ook reeds drie jaar lang ondersteuning van een VVP-medewerker van de Voorziening voor Pleegzorg Utrecht. De ouders zijn van mening dat de eerste verantwoordelijkheid van opvoeding en verzorging van [naam minderjarige] bij hen ligt. Zij eisen derhalve dat [naam minderjarige] wordt thuisgeplaatst. De ouders hebben voorts naar voren gebracht dat de stichting tot op heden geen gezinsvoogd heeft aangesteld met als gevolg dat de onderlinge communicatie tussen ouders en de stichting niet heeft kunnen plaatsvinden. Daar komt bij dat de teammanager en de staffunctionaris van de stichting telefonisch niet bereikbaar waren. De stichting heeft tevens geen uitvoering gegeven aan de beschikking van het gerechtshof van 24 februari 2009 en die van deze rechtbank van 21 april 2009. Er heeft geen actief onderzoek plaatsgevonden naar de thuissituatie en de opvoedingsmogelijkheden van ouders. De periode na de beschikking van het gerechtshof tot 7 september 2009 diende te worden benut voor dit onderzoek en tevens voor het opzetten van een gestructureerde bel- en omgangsregeling van de ouders met [naam minderjarige]. Doordat de stichting geen communicatie met de ouders wenst te hebben, hebben zij op grond daarvan en tevens ook ter daadwerkelijke uitvoering van de inhoud van voornoemde beschikkingen op 30 juli 2009 [naam minderjarige] meegenomen naar hun woning om de teammanager en staffunctionaris te dwingen tot een gesprek over het instellen van een actief onderzoek. [naam minderjarige] heeft het goed naar zijn zin gehad bij ouders. Hij heeft eerder tijdens de bezoekcontacten aangegeven dat hij met zijn ouders meewilde en bij zijn ouders wil blijven wonen. De ouders bestrijden de stelling van de stichting dat zij geen huisvesting zouden hebben. Op grond daarvan zou [naam minderjarige] niet bij hen mogen blijven en is door de stichting aangegeven dat zij met de politie [naam minderjarige] bij ouders op zou komen halen. Dit is volgens de ouders in strijd met het uitgangspunt van Bureau Jeugdzorg dat elk kind bij zijn ouders blijft wonen. De ouders hebben voldaan aan de voorwaarden zoals deze zijn gesteld door het Gerechtshof Arnhem in de beschikking van 4 september 2008 in die zin dat zij een stabiele woonsituatie hebben, dat zij inzicht geven in hun leefsituatie en dat zij openstaan voor hulpverlening. Het onderhavige verzoek van de stichting dient dan ook te worden afgewezen. De ouders kunnen zich verenigen met een tijdelijke ondertoezichtstelling van [naam minderjarige] waarbij de stichting met de ouders in de thuissituatie meekijkt naar de opvoeding, verzorging en ontwikkeling van [naam minderjarige]. 3.5 De pleegouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen. 3.6 De kinderrechter overweegt ten aanzien van het door de ouders gevoerde verweer als volgt. Bezwaar tevens beroep tegen het indicatiebesluit 3.7 Bij brief van 3 augustus 2009 hebben ouders bezwaar tevens beroep ingesteld tegen het indicatiebesluit van de stichting van 20 juli 2009. Het indicatiebesluit is een besluit in de zin van artikel 3, vierde lid, van de Wet op de Jeugdzorg (WJZ). Gelet op artikel 8:5, eerste lid, en onderdeel H, onder 3, van de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht kan tegen dat besluit geen beroep worden ingesteld en gelet op artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan daartegen ook geen bezwaar worden ingediend. Zoals ter zitting is besproken, hebben ouders niet beoogd een beroep op grond van de Algemene wet bestuursrecht in te dienen, maar verzoeken zij de kinderrechter de rechtmatigheid van het indicatiebesluit te beoordelen in het licht van de jeugdbeschermingswetgeving. Blijkens de memorie van toelichting bij voornoemd artikel van de WJZ is beroep op de Algemene wet bestuursrecht uitgesloten teneinde een dubbele rechtsgang te voorkomen. De bezwaren die door de ouders tegen het indicatiebesluit naar voren zijn gebracht, dienen door de kinderrechter te worden meegewogen en beoordeeld bij de beslissing op het verzoek van de stichting tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De ouders hebben met name aangevoerd dat zij niet zijn betrokken bij de totstandkoming van het indicatiebesluit en dat het besluit niet ter beoordeling aan een gedragsdeskundige is voorgelegd. De kinderrechter overweegt hieromtrent als volgt. Op grond van artikel 7, zesde lid, van de WJZ kunnen indicatiebesluiten die strekken tot uithuisplaatsing zonder de instemming van de cliënt worden genomen. Deze uitzondering is noodzakelijk om tot een verantwoorde uitvoering van de ondertoezichtstelling te kunnen komen. Ook in het kader van een ondertoezichtstelling verdient het echter de voorkeur dat ouders bij de totstandkoming van het indicatiebesluit worden betrokken. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is echter gebleken dat de communicatie tussen ouders en de stichting niet goed verloopt en gepaard gaat met veel misverstanden. De stichting heeft evenwel afdoende gepoogd met de ouders te communiceren, hetgeen blijkt uit de brieven van de stichting aan de ouders. Ingevolge artikel 35 van het Uitvoeringsbesluit WJZ neemt de stichting geen indicatiebesluit dan nadat een ontwerp daarvan ter beoordeling is voorgelegd aan een gekwalificeerde gedragswetenschapper. Naar het oordeel van de kinderrechter kan - anders dan de ouders menen - uit de zinsnede dat er bij het opstellen van het indicatiebesluit geen test- of onderzoeksgegevens van gedragsdeskundig onderzoek gebruikt zijn, niet worden afgeleid dat er geen gedragsdeskundige bij het voorgenomen indicatiebesluit is betrokken. Niet is gebleken dat de stichting bij de opstelling van voornoemd indicatiebesluit is afgeweken van haar gebruikelijke werkwijze dat de gedragsdeskundige over een voorgenomen besluit wordt geraadpleegd. Overigens merkt de kinderrechter op dat is gebleken dat de bezwaren van ouders tegen het indicatiebesluit zich met name richten tegen de strekking van dit besluit, te weten de uithuisplaatsing van [naam minderjarige]. De kinderrechter is van oordeel dat de ouders in onderhavige procedure zowel schriftelijk als ter terechtzitting voldoende verweer hebben kunnen voeren tegen de inhoud en de strekking van het besluit. Ook overigens is de kinderrechter van oordeel dat het indicatiebesluit voldoet aan de eisen die door de Wet en het Uitvoeringsbesluit WJZ daaraan zijn gesteld. Ontvankelijkheid van het verzoek 3.8 Ingevolge de artikelen 2.4.5 en 2.4.6 van het Procesreglement Civiel Jeugdrecht dient een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing uiterlijk tijdens de achtste week voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende ondertoezichtstelling respectievelijk de lopende machtiging tot uithuisplaatsing te worden ingediend. Het onderhavige verlengingsverzoek is op 27 juli 2009 door de stichting ingediend, zijnde zes weken voor het verlopen van de lopende ondertoezichtstelling. De kinderrechter is van oordeel dat de overschrijding van de indieningtermijn er niet toe leidt dat de stichting niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek. Daarbij overweegt de kinderrechter dat de stichting genoegzaam heeft onderbouwd dat zij niet in staat was binnen de in het Procesreglement genoemde termijn het verlengingsverzoek in te dienen, nu de zaak van [naam minderjarige] eerst op 1 juli 2009 aan haar is overgedragen en zij eerst daarna de beschikking kreeg over het dossier van [naam minderjarige]. Voorts is de kinderrechter van oordeel dat ook binnen de termijn van zes weken een zorgvuldige behandeling van het verzoek, met inachtneming van de belangen van alle partijen, heeft kunnen plaatsvinden. De ouders zijn immers (ruim) in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren tegen het onderhavige verzoek, hetgeen ook blijkt uit de door hen overgelegde stukken en het uitvoerige verweerschrift. Behandeling van het verzoek van de stichting levert naar het oordeel van de kinderrechter dan ook geen strijd op met een goede procesorde. Tevens heeft de kinderrechter bij haar beoordeling - conform het bepaalde in artikel 1.8 van het Procesreglement - het belang van de minderjarige betrokken. Blijkens de toelichting kan in het belang van de minderjarige van het Procesreglement worden afgeweken. Gelet op het vorenstaande kan de stichting in haar verzoek worden ontvangen. Beoordeling van het verzoek 3.9 Door de ouders is in het verweerschrift een beroep gedaan op verschillende artikelen van het Verdrag Inzake de Rechten van het Kind (IVRK). De kinderrechter overweegt hieromtrent als volgt. In het IVRK evenals in art.8 van het EVRM wordt het recht van ouders en kinderen tegen niet gerechtvaardigde inmenging van overheidswege in hun gezinsleven beschermd. Ouders hebben in beginsel het recht hun kinderen naar eigen inzichten te verzorgen en op te voeden. Zij dragen de eerste verantwoordelijkheid voor de gezonde en evenwichtige ontwikkeling van het kind. De minderjarige heeft - daarmee samenhangend - het recht op een liefdevolle verzorging en opvoeding, bij voorkeur in het gezin van zijn ouders. Voorts rust op de overheid de verplichting ieder kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar ontwikkeling. Deze (kern)taak van de overheid is uitdrukkelijke geformuleerd in het IVRK. Wanneer ouders de aan hen opgelegde verplichting hun kinderen te verzorgen en op te voeden niet (meer) naar behoren vervullen, waardoor schade wordt of dreigt te worden berokkend aan het kind, moet de overheid maatregelen nemen om de bescherming van het kind mogelijk te maken, zo nodig met het uitlokken van een gerechtelijke maatregel. Indien ouders aan hun opvoedingsverantwoordelijkheid geen of onvoldoende inhoud (kunnen) geven, heeft de overheid ervoor in te staan dat de rechten en belangen van het kind alsnog worden gewaarborgd. Het belang van het kind dient bij alle maatregelen betreffende kinderen de eerste overweging te vormen. Dit belang geldt ook als uitgangspunt bij de in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek opgenomen maatregelen van kinderbescherming. Zowel de kinderrechter als het gerechtshof hebben in het verleden geoordeeld dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van [naam minderjarige] zijn. Ook in de onderhavige procedure is het belang van [naam minderjarige] leidend voor de beslissing op het verzoek van de stichting. Uit de stukken alsook ter terechtzitting is gebleken dat de ouders van [naam minderjarige] nog steeds de strijd aangaan met de stichting. Hoewel het gerechtshof 's-Hertogenbosch van de ouders verwachtte dat zij zich coöperatiever zouden opstellen jegens de stichting en zouden openstaan voor hulpverlening, is gebleken dat ouders een felle strijd blijven voeren en daarbij de belangen van [naam minderjarige] niet voorop stellen. Zij laten hun eigen belangen en behoeften prevaleren. De strijdige houding van ouders komt de relatie tussen de ouders en de stichting niet ten goede. Het is voor de stichting niet mogelijk om met hen in gesprek te gaan en te komen tot een samenwerkingsrelatie. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft in zijn beschikking bepaald dat de stichting actief onderzoek dient te doen naar de thuissituatie en de opvoedingsmogelijkheden van de ouders en een gestructureerde bel- en omgangsregeling van de ouders met [naam minderjarige] moet opzetten. De kinderrechter betreurt het dat als gevolg van de overdracht aan de stichting nog niet met het onderzoek is begonnen. Ter zitting heeft de stichting verklaard dat direct na de overdracht is gestart met het formuleren van de onderzoeksvragen en dat - ter voorbereiding van het onderzoek en ter uitvoering van de beschikking van het gerechtshof - het contact tussen ouders en [naam minderjarige] langzaam aan is opgebouwd. De bel- en omgangsregeling zijn door de stichting stopgezet nadat ouders [naam minderjarige] na een bezoekcontact op 30 juli 2009 niet hebben teruggebracht en hij vervolgens door de stichting bij ouders is opgehaald met behulp van de politie. Met de stichting is de kinderrechter van oordeel dat de ouders met het achterhouden van [naam minderjarige] - hoezeer zij ook het vertrouwen in de stichting hebben verloren - enkel in hun eigen belang hebben gehandeld zonder daarbij rekening te houden met de belangen en de ontwikkeling van [naam minderjarige]. Het handelen van ouders in deze is niet te rechtvaardigen gezien de kwetsbaarheid van [naam minderjarige] en zijn gebrek aan basisvertrouwen. De ouders hebben geen inzicht in de problematiek van [naam minderjarige] en wat het voor een kind betekent wanneer hij (onvoorbereid) wordt weggehaald uit de voor hem vertrouwde stabiele omgeving. Hij verblijft inmiddels drie jaar in dit pleeggezin waar hij is ingegroeid en is gehecht. Hoewel deze hechting nog onveilig was, maar een positieve ontwikkeling gaande was, is het handelen van ouders schadelijk te achten voor [naam minderjarige]. De stichting heeft aangegeven dat er sprake is van een terugval in zijn gedrag vanwege de grote impact op [naam minderjarige] van deze gebeurtenis. De kinderrechter neemt voorts in aanmerking dat [naam minderjarige] kort na zijn geboorte uit huis is geplaatst en sindsdien verblijft in een pleeggezin. Hij verblijft thans 3 jaar in het huidige pleeggezin waar hij is ingegroeid. Hoewel op dit moment nog geen duidelijkheid is over het toekomstperspectief van [naam minderjarige], kan wel worden aangenomen dat een eventuele thuisplaatsing in de toekomst zonder onderzoek en / of een opbouwende omgangsregeling, schadelijk kan zijn voor [naam minderjarige]. Mede door de gebeurtenis van 30 juli 2009 is er sprake van een wijziging van omstandigheden. Daar komt bij dat de stichting de Raad voor de Kinderbescherming zal verzoeken om een onderzoek in te stellen tot een verderstrekkende maatregel. Tevens is de bezoekregeling thans stopgezet door de stichting. Er zal derhalve eerst bezien moeten worden op welke wijze dit contact kan worden hersteld waarbij de mogelijkheden en het tempo van [naam minderjarige] leidend dienen te zijn. Een thuisplaatsing van [naam minderjarige] bij ouders is op dit moment niet aan de orde. Het is in zijn belang dat hem rust, regelmaat, structuur en veiligheid wordt geboden. Dit krijgt hij thans geboden in het huidige pleeggezin. Zijn plaatsing aldaar dient derhalve te worden gecontinueerd en te worden gewaarborgd. Zoals ter zitting is besproken, geeft de kinderrechter de stichting in overweging te bezien of de raad in zijn onderzoek naar een verderstrekkende maatregel tevens de opvoedingsmogelijkheden van ouders kan betrekken. De kinderrechter is, alles overwegende, van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in de door de stichting aangegeven voorziening nog steeds aanwezig zijn. Dat brengt mee dat het verzoek zal worden toegewezen. 4. De beslissing De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige met ingang van 7 september 2009 tot 7 september 2010; verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een verblijf pleegouder 24-uurs met ingang van 7 september 2009 tot het einde van de ondertoezichtstelling doch uiterlijk tot 7 september 2010, zulks ter effectuering van het voornoemde indicatiebesluit; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. Scheij, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van [4] september 2009 in tegenwoordigheid van Boink, griffier.