Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Wet op het onderwijstoezicht

 

Wet van 20 juni 2002 houdende Wet op het onderwijstoezicht
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels vast te stellen met betrekking tot het toezicht op het onderwijs;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen
In deze wet wordt verstaan onder:
a
Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voorzover het betreft het onderwijs op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
b
de inspectie: de Inspectie van het onderwijs,
c
de inspecteur-generaal: de inspecteur-generaal van het onderwijs,
d
onderwijswet:
? Leerplichtwet 1969,
? Wet op het primair onderwijs,
? Wet op de expertisecentra,
? Wet op het voortgezet onderwijs,
? Wet educatie en beroepsonderwijs,
? Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
? Wet op de erkende onderwijsinstellingen, of
? Experimentenwet onderwijs,
e
onderwijs: bij of krachtens een onderwijswet geregeld onderwijs,
f
instelling: school, instelling of exameninstelling in de zin van een onderwijswet, daaronder begrepen een niet bekostigde instelling en waaronder mede worden begrepen werkzaamheden als bedoeld in de artikelen 176e, eerste lid, en 176g, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, 162h, eerste lid, en 162j, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, en 118n, eerste lid, en 118p, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs,
g
exameninstelling: instelling als bedoeld in artikel 1.6.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs,
h
regionaal expertisecentrum: regionaal expertisecentrum als bedoeld in artikel 28b van de Wet op de expertisecentra, waaronder begrepen de commissie voor de indicatiestelling die door het regionaal expertisecentrum in stand wordt gehouden,
i
bestuur: bevoegd gezag in de zin van een onderwijswet, met dien verstande dat waar het de Leerplichtwet 1969 betreft hieronder wordt verstaan het hoofd van de school of instelling, en met dien verstande dat waar het het toezicht op de uitoefening van de taken van het regionaal expertisecentrum betreft hieronder wordt verstaan het bestuur van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 28b, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra,
j
onderwijsdeelnemer: leerling, deelnemer, student of extraneus in de zin van een onderwijswet,
k
ouders: met het gezag over het kind belaste ouders, hun geregistreerde partners, voogden en verzorgers,
l
maatregel: maatregel als bedoeld in artikel 1d van de Leerplichtwet 1969, artikel 164a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 146a van de Wet op de expertisecentra, de artikelen 104a en 261a van de Wet op het voortgezet onderwijs en de artikelen 6.1.5a, 6.2.3a en 6.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs,
m
jaarwerkplan: document waarin de inspectie haar werkzaamheden voor het komende jaar neerlegt.

Artikel 2 De inspectie
1
Er is een Inspectie van het onderwijs, die onder Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ressorteert. Aan het hoofd van de inspectie staat de inspecteur-generaal.
2
Onze Minister geeft met betrekking tot de uitoefening van de in deze wet aan de inspectie toegekende bevoegdheden uitsluitend in schriftelijke vorm zijn aanwijzingen, onder mededeling daarvan aan de Staten-Generaal.

Hoofdstuk 2. Taken en bevoegdheden bij het toezicht

Artikel 3 Taken
1
Het toezicht is opgedragen aan de inspectie.
2
Het toezicht omvat de volgende taken:
a
het beoordelen van de kwaliteit van het onderwijs en van de kwaliteit van de uitoefening van de taken van het regionaal expertisecentrum op basis van het verrichten van onderzoek naar de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften en naar andere aspecten van kwaliteit,
b
het bij de uitoefening van de onder a bedoelde taak bevorderen van de kwaliteit van het onderwijs en van de kwaliteit van de uitoefening van de taken van het regionaal expertisecentrum, onder meer door het voeren van overleg met het bestuur, het personeel van de instelling dan wel van het regionaal expertisecentrum, en zo nodig, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente en gedeputeerde staten van de provincie,
c
het rapporteren over de ontwikkeling van het onderwijs en van de uitoefening van de taken van het regionaal expertisecentrum, in het bijzonder over de kwaliteit daarvan,
d
het beoordelen van de rechtmatigheid en de doeltreffendheid van de uitvoering van de taken, opgedragen aan het college van burgemeester en wethouders bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 6 van de Wet kinderopvang,
e
het verrichten van andere bij of krachtens de wet aan de inspectie opgedragen taken.

Artikel 4 Uitgangspunten voor het toezicht
1
De inspectie oefent het toezicht uit met inachtneming van de vrijheid van onderwijs.
2
De inspectie oefent het toezicht uit op zodanige wijze dat instellingen niet meer worden belast dan voor een zorgvuldige uitoefening van het toezicht noodzakelijk is.
3
De uitoefening van het toezicht is er mede op gericht betrokkenen te informeren over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs.

Artikel 5 Uitoefening toezicht op beroepsopleidingen in overleg met andere ministeries
Bij de uitoefening van het toezicht op opleidingen, gericht op een beroep waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn gesteld op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden en in voorkomende gevallen beroepshoudingen, waarover degene die de opleiding voltooit, met het oog op het beroepsmatig functioneren dient te beschikken, pleegt de inspectie overleg met door Onze Minister wie het aangaat, aangewezen ambtenaren.

Artikel 6 Vertrouwensinspecteurs
1
Bij de inspectie zijn vertrouwensinspecteurs werkzaam voor:
a
onderwijsdeelnemers die het slachtoffer zijn van seksueel misbruik, seksuele intimidatie, fysiek geweld, psychisch geweld, discriminatie of radicalisering, gepleegd door een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon of een onderwijsdeelnemer van de instelling,
b
ten behoeve van een instelling met taken belaste personen die het slachtoffer zijn van seksueel misbruik, seksuele intimidatie, fysiek geweld, psychisch geweld, discriminatie of radicalisering, gepleegd door een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon of een onderwijsdeelnemer van de instelling, en
c
onderwijsdeelnemers, ten behoeve van een instelling met taken belaste personen, besturen, ouders, op instellingen ingestelde klachtencommissies en op instellingen aangestelde vertrouwenspersonen, die geconfronteerd worden met een geval van seksueel misbruik, seksuele intimidatie, fysiek geweld, psychisch geweld, discriminatie of radicalisering als bedoeld onder a of b.
2
Naast zijn taken, voortvloeiend uit artikel 3, heeft de vertrouwensinspecteur ten behoeve van de in het eerste lid genoemde personen en organen de volgende taken:
a
het fungeren als aanspreekpunt,
b
het adviseren over eventueel te nemen stappen,
c
het bijstaan bij het nemen van stappen gericht op het zoeken naar een oplossing, en
d
het desgevraagd begeleiden bij het indienen van een klacht of het doen van aangifte.
3
De vertrouwensinspecteur is, voorzover het betreft misdrijven als bedoeld in titel XIV van het Wetboek van Strafrecht jegens een onderwijsdeelnemer of een ten behoeve van een instelling met taken belast persoon, vrijgesteld van de verplichting tot het doen van aangifte als bedoeld in de artikelen 160, eerste lid, en 162, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
4
De vertrouwensinspecteur is voorzover het betreft een geval van seksueel misbruik of seksuele intimidatie als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem in de uitoefening van zijn functie is toevertrouwd door een onderwijsdeelnemer, de ouders van een onderwijsdeelnemer of een ten behoeve van een instelling met taken belast persoon.
5
De vertrouwensinspecteur is bevoegd zonder toestemming van degene die het betreft bijzondere gegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens te verwerken met betrekking tot de personen, bedoeld in het eerste lid, indien uit een melding redelijkerwijs een vermoeden van seksueel misbruik, seksuele intimidatie, psychisch geweld, fysiek geweld, discriminatie of radicalisering kan worden afgeleid.
6
De vertrouwensinspecteur verstrekt de door hem verzamelde gegevens niet aan derden. In het verslag over de staat van het onderwijs, bedoeld in artikel 8, tweede lid, worden slechts geabstraheerde gegevens opgenomen.
7
In afwijking van het zesde lid is de vertrouwensinspecteur bevoegd rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister van Justitie vallende instanties in kennis te stellen van een geval of vermoeden van een geval van psychisch geweld, fysiek geweld, discriminatie of radicalisering:
a
in het belang van de onderwijsdeelnemers,
b
in het belang van ten behoeve van een instelling met taken belaste personen, of
c
indien de ernst van de situatie waarop de melding betrekking heeft daartoe aanleiding geeft.

Artikel 7 Jaarwerkplan
1
De inspectie stelt jaarlijks een jaarwerkplan vast. Het jaarwerkplan behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
2
Onze Minister zendt het jaarwerkplan van de inspectie aan de Staten-Generaal.

Artikel 8 Rapportages van de inspectie
1
De inspectie rapporteert desgevraagd en uit eigen beweging aan Onze Minister over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs en doet op grond daarvan voorstellen die zij in het belang van het onderwijs nodig acht.
2
De inspectie stelt jaarlijks uiterlijk de derde woensdag van mei het verslag over de staat van het onderwijs, bedoeld in artikel 23, achtste lid, van de Grondwet vast. Onze Minister zendt het verslag, vergezeld van een reactie, namens de regering onverwijld aan de Staten-Generaal.
3
Onze Minister geeft geen aanwijzingen met betrekking tot de in de rapportages neergelegde oordelen van de inspectie over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs.

Artikel 9 Bevoegdheden
1
Bij de uitoefening van de taken van de inspectie zijn, voorzover deze niet het toezicht op de naleving van bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften betreffen, de artikelen 5:12 tot en met 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
2
De bevoegdheden, bedoeld in de artikelen genoemd in het eerste lid, worden uitgeoefend door daartoe door Onze Minister aangewezen personen.
3
Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Hoofdstuk 3. Uitoefening van het toezicht

Artikel 9a [Vervallen per 01-09-2002]

Artikel 10 Reikwijdte
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:
a
de universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit, bedoeld in artikel 1.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
b
de universiteiten en hogescholen die ingevolge artikel 6.9 van de wet, bedoeld in onderdeel b, zijn aangewezen, en
d
de uitvoering van de taken, opgedragen aan het college van burgemeester en wethouders bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 6 van de Wet kinderopvang.

Artikel 11 Periodiek kwaliteitsonderzoek
1
Ter uitvoering van de in artikel 3 bedoelde taken onderzoekt de inspectie jaarlijks het onderwijs aan elke instelling, behoudens bijzondere omstandigheden. Naar aanleiding van het onderzoek geeft de inspectie een oordeel over de kwaliteit van het onderwijs.
2
De inspectie verricht het onderzoek aan de hand van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften en, indien het betreft een instelling voor primair of voortgezet onderwijs, de aspecten van kwaliteit, te weten
a
voor wat betreft de opbrengsten van het onderwijs:
1
leerresultaten,
2
voortgang in de ontwikkeling van leerlingen,
b
voor wat betreft de inrichting van het onderwijsleerproces:
1
het leerstofaanbod,
2
de leertijd,
3
het pedagogisch klimaat,
4
het schoolklimaat,
5
het didactisch handelen van de leraren,
6
de leerlingenzorg,
7
de inhoud, het niveau en de uitvoering van de toetsen, tests, opdrachten of examens.
Indien uit het onderzoek een redelijk vermoeden voortvloeit dat de kwaliteit tekortschiet, stelt zij nader onderzoek in, waarbij tevens de oorzaken van het tekortschieten worden onderzocht.
3
Indien de inspectie naar aanleiding van het onderzoek, bedoeld in het vorige lid, oordeelt dat de kwaliteit tekortschiet, verricht zij na een door haar aangegeven termijn onderzoek naar de kwaliteitsverbeteringen die de instelling heeft gerealiseerd.
4
De inspectie stelt het bestuur in kennis van de datum en het doel van een onderzoek, bedoeld in het tweede of derde lid. Kennisgeving geschiedt ten minste vier weken voor aanvang van een onderzoek.
5
Bij de uitvoering van een onderzoek, bedoeld in het tweede of derde lid, kan de inspectie onafhankelijke deskundigen betrekken.

Artikel 12 Aansluiting bij zelfevaluatie instelling
1
De inspectie gaat bij een onderzoek als bedoeld in artikel 11, tweede of derde lid, uit van de uitkomsten van een evaluatie van de kwaliteit door of vanwege de instelling, waaronder worden verstaan de uitkomsten van het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs door of vanwege de instelling als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 21 van de Wet op de expertisecentra, artikel 24, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, en het verslag, bedoeld in artikel 1.3.6, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
2
De uitkomsten van een evaluatie, bedoeld in het eerste lid, zijn richtinggevend voor het oordeel van de inspectie indien:
a
alle aspecten van kwaliteit die de inspectie bij haar oordeel betrekt, zoals neergelegd in een toezichtskader als bedoeld in artikel 13, daarin aan de orde komen,
b
de wijze van uitvoering en de hoedanigheid van de evaluatie voldoende betrouwbaar zijn, en
c
de kwaliteitsdoelen die de instelling zichzelf heeft gesteld, van voldoende niveau zijn.
3
Waar niet aan de in het tweede lid genoemde voorwaarden is voldaan, verricht de inspectie aanvullend onderzoek.

Artikel 13 Toezichtskader
1
De inspectie legt haar werkwijze voor een onderzoek als bedoeld in artikel 11, vast in een of meer toezichtskaders. De toezichtskaders behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
2
Alvorens een toezichtskader vast te stellen of te wijzigen voert de inspectie overleg met vertegenwoordigers van het onderwijsveld en andere betrokkenen, terwijl bij onderwerpen betrekking hebbend op de vrijheid van inrichting in ieder geval overleg wordt gevoerd met de erkende richtingen.
3
Een toezichtskader wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

Artikel 14 Informeren van Onze Minister
1
Indien de inspectie oordeelt dat de kwaliteit van het onderwijs ernstig of langdurig tekortschiet, informeert zij Onze Minister en doet voorstellen over te treffen maatregelen.
2
De inspectie stelt het bestuur van de betreffende instelling in kennis van haar voorstellen aan Onze Minister.

Artikel 15 Incidenteel onderzoek
1
Naast het periodieke kwaliteitsonderzoek, bedoeld in artikel 11, kan de inspectie uit eigen beweging dan wel op aanwijzing van Onze Minister incidenteel onderzoek verrichten naar de kwaliteit van het onderwijs onderscheidenlijk, indien het een exameninstelling betreft, van de externe legitimering waaronder mede wordt verstaan naar de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschiften.
2
De artikelen 20 en 21 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzetten.

Hoofdstuk 3a. Toezicht regionaal expertisecentrum

Artikel 15a Reikwijdte
Dit hoofdstuk is van toepassing op het toezicht op de uitoefening van de taken van het regionaal expertisecentrum.

Artikel 15b Taken en bevoegdheden bij het toezicht

Artikel 4 en artikel 8 zijn van overeenkomstige toepassing.


Artikel 15c Uitoefening van het toezicht
1
Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de inspectie het onderzoek tevens verricht aan de hand van aspecten van kwaliteit, te weten:
a
coördinatie van de ambulante begeleiding,
b
ondersteuning van de ouders,
c
organisatie van de commissie voor de indicatiestelling door het regionaal expertisecentrum,
d
onafhankelijkheid van de commissie voor de indicatiestelling,
e
duur van de indicatieprocedure en
f
toepassing van de indicatiecriteria, bedoeld in artikel 28c, achtste lid, van de Wet op de expertisecentra, door de commissie voor de indicatiestelling.
2
De artikelen 12, 13, 14 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15d Vaststelling en openbaarmaking van inspectierapporten
De artikelen 20 en 21 zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 3b. [Vervallen per 13-06-2008]

Artikel 15e [Vervallen per 13-06-2008]

Artikel 15f [Vervallen per 13-06-2008]

Hoofdstuk 4. Toezicht hoger onderwijs

Artikel 16 Reikwijdte
Dit hoofdstuk is van toepassing op het accreditatieorgaan, bedoeld in artikel 5a.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de in artikel 1.8 van die wet bedoelde universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit en op de universiteiten en hogescholen die krachtens artikel 6.9 van die wet zijn aangewezen.

Artikel 17 Toezicht accreditatie
1
De inspectie houdt toezicht op het accreditatieorgaan, bedoeld in artikel 5a.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de accreditatie, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel s, van die wet, en de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel t , van die wet.
2
De inspectie kan Onze minister voorstellen een voorziening te treffen in het geval het accreditatieorgaan zijn taak verwaarloost, indien:
a
is gebleken dat de kwaliteit van de accreditatie en de toets nieuwe opleiding door het accreditatieorgaan onvoldoende is of is geweest, of
b
niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is bepaald.

Artikel 18 Onderzoek hoger onderwijs
1
De inspectie voert de in artikel 3 bedoelde taken uit door onderzoek naar de naleving door instellingen van de voorschriften, bedoeld in de artikelen 6.5, eerste lid onderdeel b, en 6.10, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
2
De artikelen 11, derde tot en met vijfde lid, en 14 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 19 Incidenteel onderzoek hoger onderwijs
1
Naast het onderzoek, bedoeld in artikel 18, kan de inspectie incidenteel onderzoek verrichten naar:
a
aspecten van de kwaliteit van het stelsel van hoger onderwijs in zijn geheel, en
b
de naleving door instellingen van de voorschriften, bedoeld in de artikelen 6.5, eerste lid onderdeel b, en 6.10, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
2
De artikelen 20 en 21 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzetten.

Hoofdstuk 5. Vaststelling en openbaarmaking van inspectierapporten

Artikel 20 Vaststelling van inspectierapporten
1
De inspectie legt haar oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 11, tweede of derde lid, vast in een inspectierapport.
2
Indien de inspectie oordeelt dat een bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschrift niet is nageleefd, vermeldt zij dit in het rapport.
3
Alvorens een rapport vast te stellen, stelt de inspectie het bestuur in de gelegenheid van het ontwerp-rapport kennis te nemen en daarover overleg te voeren.
4
Indien in het overleg geen overeenstemming is bereikt over door het bestuur gewenste wijzigingen van het ontwerp-rapport, wordt de zienswijze van het bestuur in een bijlage bij het inspectierapport opgenomen.
5
De inspectie zendt het inspectierapport na vaststelling daarvan onverwijld aan het bestuur.

Artikel 21 Openbaarmaking van inspectierapporten
1
De inspectie maakt een inspectierapport in de vijfde week na vaststelling daarvan openbaar.
2
Tevens verstrekt de inspectie een inspectierapport op verzoek. De inspectie kan een vergoeding van kosten vragen overeenkomstig een door haar vast te stellen tarief voor de afgifte van een inspectierapport.
3
De inspectie verstrekt een inspectierapport niet eerder dan nadat het op grond van het eerste lid openbaar is gemaakt.

Hoofdstuk 6. Kwaliteit van de uitoefening van het toezicht

Artikel 22 Verantwoorde toezichtsuitoefening
De inspectie draagt zorg voor een verantwoorde uitoefening van het toezicht.

Artikel 23 Klachtadviesprocedure en -commissie
1
Er is een klachtadviescommissie belast met de behandeling van en advisering over klachten over gedragingen van de inspectie. Op de behandeling van en advisering over klachten is de in afdeling 9.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
2
De klachtadviescommissie bestaat uit ten minste drie leden, die worden benoemd en ontslagen door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De leden maken geen deel uit van en zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de inspectie. De leden kiezen uit hun midden een voorzitter.
3
De voorzitter en leden zijn afzonderlijk of gezamenlijk deskundig op het gebied van onderwijs, in het bijzonder op het gebied van de vrijheid van richting en inrichting, toezicht en klachtbehandeling.
4
De klachtadviescommissie bepaalt haar eigen werkwijze.

Artikel 24 Raad van advies inzake de inspectie
1
Er is een Raad van advies inzake de inspectie die tot taak heeft de inspectie bij te staan in de waarborging van een zorgvuldige en professionele uitoefening van het toezicht. De raad adviseert de inspecteur-generaal onderscheidenlijk het hoofd inspectie gevraagd en ongevraagd over de kwaliteit van de uitoefening van het toezicht, in het bijzonder over de uitvoering van de artikelen 13 en 22.
2
De raad bestaat uit drie leden, die worden benoemd en ontslagen door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De benoeming geschiedt voor de tijd van ten hoogste vier jaar. De leden kiezen uit hun midden een voorzitter.
3
De voorzitter en leden zijn afzonderlijk of gezamenlijk deskundig op het gebied van onderwijs, kwaliteitszorg en toezicht.
4
De raad bepaalt zijn eigen werkwijze.

Hoofdstuk 7. Wijzigingsbepalingen

Artikel 25 Wijziging van de Leerplichtwet 1969
[Wijzigt de Leerplichtwet 1969.]

Artikel 26 Wijziging van de Wet op het primair onderwijs
[Wijzigt de Wet op het primair onderwijs.]

Artikel 27 Wijziging van de Wet op de expertisecentra
[Wijzigt de Wet op de expertisecentra.]

Artikel 28 Wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs
[Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs.]

Artikel 29 Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs
[Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs.]

Artikel 30 Wijziging van de Wet op de erkende onderwijsinstellingen
[Wijzigt de Wet op de erkende onderwijsinstellingen.]

Artikel 31 Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000
[Wijzigt de Wet studiefinanciering 2000.]

Artikel 32 Wijziging van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
[Wijzigt de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.]

Artikel 33 Afstemming met andere wetsvoorstellen
a
[Wijzigt deze wet.]
b
[Wijzigt deze wet.]
c
[Wijzigt kamerstuk 27728.]
d
[Wijzigt deze wet.]
c
[Wijzigt kamerstuk 27728.]

Hoofdstuk 8. Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 34 Evaluatie
Onze Minister zendt binnen vijf jaren na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 35 Inwerkingtreding
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 36 Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het onderwijstoezicht.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 20 juni 2002
Beatrix
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
l
M. L. H. A. Hermans
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
k
Y. I. J. Adelmund
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
l
J. Brinkhorst
Uitgegeven de drie√ęntwintigste juli 2002
De Minister van Justitie,
a
H. Korthals