Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Wet tot gemeentelijke herindeling Lemelerveld

 

Wet van 5 september 1996 tot gemeentelijke herindeling van Lemelerveld
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gemeentelijke indeling van Lemelerveld te wijzigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1
De grenzen van de gemeenten Dalfsen, Heino, Ommen en Raalte worden gewijzigd als aangegeven op de bij deze wet behorende kaart.

Artikel 2
1
Ingevolge artikel 52, tweede lid, onder b, van de Wet algemene regels herindeling worden tussentijdse raadsverkiezingen gehouden voor de gemeente Dalfsen.
2
Indien de datum van herindeling valt binnen twee jaar voor de datum waarop reguliere verkiezingen voor de leden van de gemeenteraden ingevolge de Kieswet moeten worden gehouden, dan vinden deze verkiezingen niet plaats in de gemeente Dalfsen.
3
De zittingsperiode van de leden van de raad van de gemeente Dalfsen eindigt in de in het tweede lid bedoelde situatie gelijk met de zittingsperiode van de leden van de raden van de overige gemeenten die volgt op de eerste verkiezingen voor de gemeenteraden na de datum van herindeling.

Artikel 3
1
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen stelt op de wijze als aangegeven in de artikelen 56, tweede lid, en 107a van de Wet op het basisonderwijs de stichtings- en opheffingsnormen voor scholen voor basisonderwijs vast voor de bij deze wet betrokken gemeenten.
2
Indien de raad van een bij deze wet betrokken gemeente binnen drie maanden na de datum van herindeling een besluit neemt tot splitsing van de gemeente, stelt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voor de beide gebiedsdelen een afzonderlijke opheffingsnorm vast. Artikel 107b, eerste lid eerste, tweede en vierde volzin, tweede lid eerste en derde volzin, en vijfde lid, van de Wet op het basisonderwijs is van overeenkomstige toepassing.
3
De ingevolge het eerste en tweede lid vastgestelde stichtings- en opheffingsnormen treden in de plaats van de voor de betrokken gemeenten op grond van artikel 56, derde, vierde en vijfde lid, 107, tweede lid, 107b en 107c van de Wet op het basisonderwijs vastgestelde normen. De nieuwe normen gelden met ingang van 1 januari volgend op de datum van herindeling. Tot en met 31 december volgend op de datum van herindeling blijven op de scholen in de bij deze wet betrokken gemeenten de normen van toepassing die golden op de dag voorafgaande aan de datum van herindeling.

Artikel 4
[Wijzigt de Wet verplaatsing mestproduktie.]

Artikel 5
1
De gemeente Dalfsen kan in de belastingverordening op de onroerende-zaakbelastingen bepalen, dat voor de toepassing van de Wet waardering onroerende zaken met betrekking tot de onroerende zaken gelegen in overgaand gebied, de ingevolge de in dat gebied geldende verordeningen op de onroerende-zaakbelastingen vastgestelde waarden naar de waardepeildatum 1 januari 1992, 1 januari 1993 of 1 januari 1994, geacht worden de waarden per 1 januari 1995 te zijn.
2
Indien in de verordening op de onroerende-zaakbelastingen van de gemeente Dalfsen niet een bepaling is opgenomen als bedoeld in het eerste lid, en de gemeente Dalfsen niet overgaat tot het bepalen en vaststellen van de waarde op de voet van de Wet waardering onroerende zaken, wordt voor de toepassing van die wet de waarde van de onroerende zaken, gelegen in de gemeente Dalfsen, op de voet van hoofdstuk III van die wet bepaald naar waardepeildatum 1 januari 1992, 1 januari 1993 of 1 januari 1994. De op basis van die waardepeildatum vastgestelde waarden worden voor de toepassing van de Wet waardering onroerende zaken geacht de waarden per 1 januari 1995 te zijn.
3
Ingeval een belanghebbende bezwaar maakt tegen de met toepassing van het eerste dan wel tweede lid vastgestelde waarde van een onroerende zaak en aannemelijk maakt dat toepassing van de hoofdstukken III en IV van de Wet waardering onroerende zaken tot vaststelling van een lagere waarde zou leiden, wordt de waarde op de voet van die hoofdstukken bepaald en vastgesteld.

Artikel 6
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 5 september 1996
Beatrix
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, A. G. M. van de Vondervoort
Uitgegeven de twaalfde september 1996
De Minister van Justitie,
w
Sorgdrager
Kaart behorende bij de wet tot gemeentelijke herindeling van Lemelerveld
[Raadpleeg voor de kaart het gedrukte Staatsblad 1996/447.]